← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Aanteekeningen

Reading edition

HET VROUWTJE VAN STAVOREN (blz. 1–11). In een “Boekje voor den Straatzanger” vind ik het volgend vers, dat thans nog algemeen wordt gezongen.

Hoort, vrienden, hoort een lied, Dat duidelijk zal verklaren, Wat eenmaal is geschied, Voor meer dan duizend jaren. Toen oud en grijs Stavore Nog bloeide op Frieslands grond En van zijn macht deed hooren, Door heel het wereldrond.

Daar in die rijke stad, Die jaarlijks duizend schepen, Belaân met 's wereld schat Haar haven in zag slepen, Daar leefde in roem en eer, Een rijke weduwvrouw, Wiens voorbeeld ons zal leeren. Hoe hoogmoed voert tot rouw.

Geen koper, neen, maar goud, Zoo sprak zij, siert mijn woning, En 't huis voor haar gebouwd Scheen 't woonhuis van een koning. 't Was al wat oogen zagen Vol vorstelijke praal En hoeft men meer te vragen De stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoon Uit louter goud gedreven, De deurknop scheen een kroon Met paarlen als omgeven En breede, zilvren platen Geklonken aan den grond, Bedekten al de straten Zoover haar woning stond.

Daar treedt een zeekaptein, Haar bij de haven tegen, Wat, sprak ze, zal het zijn, Wat schoons hebt gij verkregen, Wat heerlijks brengt gij mede Uit overzeesch gebied, Uw schip ligt op de reede Maar hoe gij antwoordt niet?

Bladzijde 358

'k Heb immers u belast Het kostelijkst in te laden Wat rondom de Oostzee was, En 't oog hier kan verzaden. Wie zich aan prijs mocht storen, 'k Vraag nimmer naar het geld. De weduw van Stavoren, Wordt niet teleurgesteld.

'k Bracht tarwe naar uw zin, Al edelst wat wij vonden, Aan stuurboord kwam het in, Zooveel wij laden konden. Hoe gilt zij dol van zinnen, Hoe, tarwe? lage guit! Bracht gij ze aan stuurboord binnen, Zoo werp ze aan bakboord uit.

Helaas, het kostlijk graan Werd in den vloed geworpen. Een grijsaard die het zag Uit een der naaste dorpen, Beef, sprak hij, o vrouwe, Wellicht lijdt ge eens gebrek, Dat nooit dit stuk u rouwe, Zwijg, sprak ze, grijze gek.

Daar treedt een dienstknecht in, Uw schepen zijn verloren, De zee zwelgt alles in Gods wraak rust op Stavoren, Een andere knecht snelt binnen En biedt een brief haar aan. God, gilt ze woest van zinnen, Mijn glorie is vergaan.”

Trouwens, alleen reeds met sagen en legenden van Stavoren ware een aardig boekje te vullen. Dat haar bloei en verval zulk een levendige fantasie bij 't volk opwekten, is geen wonder. We vinden den naam Stavoren al vermeld in de legenden van Friso, die met zijn broeders Saxo en Bruno naar de lage landen was gekomen, en een tempel bouwden ter eere van hun god Stavo. Om den tempel stichtten ze een stad, welke ze Stavoren noemden. Dan hebt ge de legende van het “Roode Klif,” de roode vlam, welke op Stavo's bevel door drie kruiken zeewater werd gebluscht; van de “stem uit de bron,” een vervolg van het “Roode Klif,” van de “overstroomende bron,” volgens Stavo slechts te stuiten door het bloed van een driejarig kind; van “de wanschapen wolf, met menigerlei hoofden, meer dan de hond Cerberus er had” …. Er zijn er nog meerdere, doch in ons volk leven ze helaas niet meer voort, en wat er van de rijke legenden-schat is overgebleven, geeft weer een denkbeeld, hoe de roem van Stavoren is vergaan—Zie ook blz. 311 van dit boek.

Het visch- en ring-motief is waarschijnlijk ontleend aan de Duizend en Één Nacht.

STRAFFE GODS (blz. 11–17). De kroniekschrijver François le Petit vermeldt, dat men een der brooden, welke in steen veranderd waren, in de Sint-Pieterskerk heeft vertoond (zie ook Nederlandsche Legenden met 32 Platen, naar het Fransch!! uitg. 1842).

Tusschenhaakjes … is het niet meer dan bedroevend, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden eerst heden Bladzijde 360door mijn hier gegeven poging onmiddellijk in een oorspronkelijken bundel zijn opgenomen? Deze verhalen van zoo aangrijpenden eenvoud, dat men ze lief moet hebben als het leven. En wat is er voor folklore in Nederland tot dusver gedaan? Naast de Nederlandsche Driemaandelijksche Bladen bestond het Vlaamsche tijdschrift “Volkskunde,” en verder waren en zijn er verschillende gewestelijke boeken, periodiekjes en almanakken; maar dit heeft bijvoorbeeld niet kunnen beletten, dat er van de sagen in de Peel zoo goed als niets is overgebleven, en dat van verschillende Groningsche overleveringen … slechts de laatste zinnen bekend zijn!

In “Straffe Gods” vindt men hetzelfde wraak-gegeven als in “Het Vrouwtje van Stavoren.” Hij, die niet barmhartig is, moet het boeten. Vreemd, dat het vrouwefiguren zijn: misschien is dit wel, om de tegenstelling nog scherper te maken.

Een soortgelijk verhaal is te vinden bij Wolf S 254. Hier speelt het echter in Gent. Het steenen brood wordt vertoond in de Pharaildiskerk. Het jaar, dat de historie in Gent voorvalt, is 1557.

HOE MONTFORT ORDELOOS LIGT (blz. 18–20). Zie ook Limburg XX 3⊇ aflevering blz. 186. Welters en van Beurden zijn voor de Limburgsche folklore de menschen waren er in de andere provinciën telkens maar twee met zulke liefde voor de schoonheid der sage, ik ware tevreden. Vele der Limburgsche sagen zijn natuurlijk door Welters bekend geworden.

HOE EENRUM, MENSINGEWEER, OBERGUM EN WINSUM EEN NAAM KREGEN (blz. 20–22). Hier zijn twee mij mondeling medegedeelde overleveringen tot één geheel vereenigd.

DE SLAPER IN HET VOORHOUT (blz. 22–32). Verschillende deelen ontleende ik, meer of minder woordelijk, Bladzijde 361aan de hier reeds vermelde “Nederlandsche Legenden.” Op verscheiden punten koos ik echter een “waarschijnlijker” lezing, en vooral heb ik het geval minder braaf gesteld, en Willem van Nieuwen's moeder, die den dronkaard vermaant, uit het spel gelaten. Ook vervult in dit boek Isabella van Portugal de rol van de vrouw des vroolijken Willems; in de “Nederlandsche Legenden” wordt hiervoor een kamenier uitgekozen, bij Shakespeare in “The Taming of the Shrew” een mannelijke page, wat het geval nog humoristischer maakt.

Sirrah, go you to Bartholomew my page And sec him dress'd in all suits like a lady: That done, conduct him to the drunkard's chamber, And call him madam, do him obeisance, Tell him from me (as he will win my love) He bear himself with honourable action, Such as he hath observ'd in noble ladies Unto their lords, by them accomplished: Such duty to the drunkard let him do, With soft, low tongue and lowly courtesy; And say,—What is 't your honour will command, Wherein your lady, and your humble wife, May show her duty, and make known her love? And then—with kind embracements, tempting kisses, And with declining head into his bosom Bid him shed tears, as being overjoy'd To see her noble lord restor'd to health, Who, for this seven years bath esteem'd him No better than a poor and loathsome beggar: And is the boy have not a woman's gift, To rain a shower of commanded tears, An onion will do well for such a shift; Which in a napkin being close convey'd, Shall in despite enforce a watery eye. Sec this dispatch'd with all the haste thou canst Anon I'll give thee more instructions ….

Het ontwaken wordt door Shakespeare als volgt geschetst

SLY. For God's sake, a pot of small ale.

1 Sew. Will' t please your lordship drink a cup of sack?

2 Sew. Will' t please your honour taste of these conserves?

3 Sew. What raiment will your honour wear to-day?

Sly. I am Christophero Sly; call not me—honor lordship; I never drank sack in my life; and if you give me any conserves, give me conserves of beef: Ne'er ask me what raiment I'll wear: for I have no more doublets than backs, no more stockings than legs, nor no more shoes than feet; nay, sometimes, more feet than shoes, or such shoes as my toes look through the overleather” enz.

Bladzijde 362Talrijke verhalen en stukken dragen de geestige intrige als basis. Noemen we de Duizend en één Nacht weder in de eerste plaats, de historie van Harun en den herder AbuHassan. Soortgelijke geschiedenissen worden trouwens niet alleen in Den Haag voorgesteld, doch ook in Brugge en Dyon. Nu eens is 't Philips de Goede, dan weer Karel IV, die den dronkelap vindt. Bij Shakespeare is 't een willekeurige “lord,” en de vindplaats is “before an alehouse on a heath.”

Zoowel in Shakespeare's voorspel en de door mij medegedeelde lezing vinden wij een schuld van den armen schobbejak aan een waardin of waard voorgesteld. Bij Shakespeare:

SLY. No, not a denier: Go by, Jeronimy ….” etc.

HOSTESS. You will not pay for the glasses you have burst?

Ook Segismundo in Calderon's La Vida Es Sueno doorleeft een droom, als hij bij het ontwaken zich in een vorstelijk bed bevindt. Hier klinkt hem, gelijk in mijn bewerking, muziek tegemoet

SEG.: Válgame el cielo, qué veo! Válgame el cielo! qué miro! Con poco espanto lo admiro, Con mucha duda lo creo. Yo en palacios suntuosos? enz.

(Hemel, wat zie ik, wat ontdek ik, ik zie 't met weinig schrik, doch ik geloof het met veel twijfel, ik in rijk-versierde kameren, ik tusschen zijde en brocaat, ik, omringd door dienaren enz.—).

Vele tooneelstukken en novellen zijn op het mooie sprookje gebouwd.

GERARD, DE SLECHTE HEER (blz. 32–52). Hier zijn mij acht lezingen van gegeven: de lezing, hier gevolgd, stamt uit Tiel. Zoo ik me niet sterk vergis, heeft Marie Ramondt een soortgelijk verhaal. Deze lezing koos ik, om het verdwijnen van den weerwolf, die in de lucht oploste, en de overeenkomst met de Brabantsche Kludde (Niederländische Sagen blz. 313) “Ein anderes Mal behängt er sich Bladzijde 363mit der Haut eines groszen schwarzen Hundes, läuft also auf seinen Hinterpfoten, rasselt dabei mit einer Kette am Halse und springt den ersten, der ihm begegnet, unversehens auf den Nacken, und wenn er ihn dann zur Erde geworfen hat, verschwindet er ohne Spur.”

Dit op den rug springen van den weerwolf, is iets heel gewoons, maar 't komt hier in geen der lezingen voor. We vinden het wel bij de Wall Perné “Veluwsche Sagen” bij den boozen geest Osschaert (blz. 102), die den spotter volgt op zijn rijm:

“Griepke, griepke grauw a'j me griepen wilt, griep me dan gauw.”

In Dendermonde

“Grijpke, grijpke grauw, Wilt ge mij grijpen, Grijpt mij nou.”

Overeenkomst met den weerwolf, heeft de Friesche en Overijselsche Evert (De Evert zal hem halen), en de Schiermonnikoogsche Roode Haan, benevens het plaagbeest of het pestdier (dit bracht de pest aan, zie ook de in dit boek behandelde sage “De Zwarte Dood”). Den ketting vinden we bij vele spook- en duivelsverhalen terug. Wanneer een paar gehuwde lieden zeven zoons krijgt, zonder eene dochter er tusschen in, dan is één der zeven een weerwolf. Meermalen heb ik hooren vertellen, dat de jongste der broeders die het zevental vol maakt, de weerwolf is. Anderen zeggen, dat de duivel de geschiktste uit de zeven kiest (Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven). Zóó weinig worden dergelijke begrippen soms vastgehouden, dat men mij te Groningen heeft verteld: “één van zeven zonen is met den helm geboren,” (Notabene die met den helm geboren is, heeft een voorspellenden geest). In Elst deelde men mij mede, dat de weerwolf de ziel was, door den Duivel bezeten, en die daarom de gedaante van een hond had aangenomen. Ook kon hij goed Bladzijde 364kaartspelen! Een sage kende men echter niet, of wilde men mij niet vertellen.

Staat het Overijselsche lied:

“Wolle wee, wee, wee Wolle wee, wee wee” enz.

met den weerwolf in verband?

Volgens een onzer grootste hedendaagsche Nederlandsche folkloristen, dr. Jos. Schrijnen, vertoont de weerwolf een animistisch karakter (Nederlandsche Volkskunde, dl I, blz. 73). “De weerwolf-mythen,” schrijft hij, “hebben alle Indogermaansche volken gemeen.”

In 't buitenland vindt men wel, dat de weerwolf een vrouw is (b.v. dr Ulrich Jahn; “Volkssagen aus Pommern und Rügen”, blz. 38) op andere plaatsen wordt hij een weerwolf, die 't vel van een gehangene of een wolfsvel om zijn lichaam bindt; soms ook de misdadiger, die geen straf heeft ondergaan. Ook vrouwen, die op heksachtige wijze op een bezemsteel gaan zitten, kunnen weerwolven worden.

Nergens uit zich de volksfantasie zóózeer, dan in gedaante en verhalen van den weerwolf, onder welke gestalte hij (zij) zich ook beweegt. Zelfs de heksen moeten het in dat opzicht tegen hem afleggen.

Langzamerhand zijn de weerwolfsagen aan het verdwijnen, en binnen eenige jaren zal er niets van over zijn gebleven. In Limburg heb ik nog een fragment eener weerwolfsage gehoord, welke mij zoo onsamenhangend voorkwam, dat ik ze met den besten wil der wereld niet meer kon bewerken. Van hooren zeggen heb ik, dat er bij Rolde in Drenthe nog een weerwolf-achtig verhaal moet leven. Onderzoekingen in dezen zin hebben echter niets opgeleverd. Of men er zich voor schaamde?

DE BASILISCUS VAN UTRECHT (blz. 53–57). Opmerkingen over deze sage zijn weinig te maken, daar zij alreeds in 't verhaal zelf zijn verwerkt. Dat uit haneneieren vervaarlijke monsters konden worden uitgebroed, was een Bladzijde 365allerwege verspreid verhaal in de middeleeuwen en later (men leze bijvoorbeeld Der Hahn von Quakenbrück van Ricarda Huch). Dat er in de 15⊇ eeuw nog een haan werd opgehangen in Bazel, beschuldigd, dat hij een ei had gelegd, behoeft zeker geen verwondering te baren.

Er bestond maar één middel, om dezen basiliscus te bestrijden, en dit werd door den Utrechtschen jongeling toegepast. Wat men in Dokkum en Oldeboorne heeft gedaan, waar telkens achttien menschen werden gedood (de overeenstemming der twee getallen is typisch-toevallig) is niet bekend.

Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.

De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen, welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een paar aardige vonnissen en bescheiden.

Utrecht 1417: “Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft, daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een mile van der stat te wesen op hoer lijf.”

Putten op de Veluwe 1423: “des paepen maagd van Putten, die beruchtiget was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden.”

Bladzijde 367Vonnis van het Hof van Holland 1467: “tegen een oud wijf, die 23 jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het schavot en ban.”

En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht tot burgemeester en raad van Keulen …. Ja, hier is 't wel tempora mutantur.

“T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden, nopende de proeve der Toveressen in 't waeter.”

De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ….

Aanwezig waren:

Bladzijde 370Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.

Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.

Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.

Antonius Trutius, Professor Philosophae.

Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.

Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden dach january des jaers 1594 tezamen bracht?

Er moet ten opzichte der sage “Het Popje der Heks” nog iets anders worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:

“Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren ….”

In “Het Popje der Heks” leest ge, dat op een afstand Bladzijde 372een kind wordt betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica, welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd) aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind (dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft het kind niet … doch de heks.

Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk zou vermoeden.

DE ROODE HEMDROK (blz. 64–67). Talloos zijn in het Noorden des lands, de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze “voorloop”-sagen, minder in aantal de “naloop.” (Wanneer iemand iets ziet, dat nog gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't “voorloop” genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals b.v. in de “Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom” of “Mooi-Ann” dan heet 't “naloop.”) Het meest zijn zij op den “voorloop” aangewezen, die met den helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is, den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der “voorloop” krijgt.

Nu is de sage der “Roode Hemdrok,” welke mij in Leeuwarden werd verteld (zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij Waling Dijkstra: een Bladzijde 373teleurstelling in zekere mate) hierom des te treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.

Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:

“Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren; ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad, op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven.”

En verder:

“De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer algemeen.”

Nu heb ik inderdaad zoowel de “koude voorloop” (dood) als de “warme voorloop” (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen (hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog, zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze “voorloop” heeft bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen, mij dit te berichten.

Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?

Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken, kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.

“Ik heb dat huis in brand gezien” of:

Bladzijde 374Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm, hevig verschrikt roepend:

“Uit den weg—uit den weg—daar komt een begrafenisstoet aan.”

En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.

In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men de “koude” en de “warme” voorloop. Zij, die over de gave beschikken, zien steeds een woning in brand staan, als ze 't gezicht hebben (dus begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm, dan komt er brand.

Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd) noemt ook nog sagen van het “voorgevoel,” welke ik niet in dezen bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:

“Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt, dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit.”

Teenstra kent ook nog de “gelijktijdige verschijning” en meldt hiervan 't volgende:

“Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg, terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde, deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde, dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord,Bladzijde 375 “dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf) had mogen zien, dat enz.” In den herfst van dit zelfde jaar kwam de kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde, zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen, logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde, dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel, zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord, in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had.”

Met den “voorloop” in verband staat het verschijnsel, dat algemeen bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand, wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof, ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met andere vermeerderen.

Neem een andere “voorloop-sage,” die van Opende (deze is tot dusver nog niet behandeld):

“Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:

“Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts iemand begraven.”

Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit, die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien, gaat de treurige stoet voorbij.”

“Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden … door een schimmel gevoerd?

Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men spant twee zwarte paarden voor den Bladzijde 377wagen. Het zal niet uitkomen, wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard behelpen, dat een schimmel is.”

Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.

WESTERSCHOUWEN, WESTERSCHOUWEN, HET ZAL U BEROUWEN (blz. 67–71). Wordt in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog “leeft” of niet.

Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.

Schrijnen zegt: “de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten.”

In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside, Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7 voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.

Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het schijnt mij onwaarschijnlijk.

DE ZEEMEERMINNEN VAN EDAM (blz. 71–73). In de groote kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een zeemeermin afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde van het “groene wijf” met dit bijschrift: Bladzijde 378

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is. Anno 1403.

(Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde).

Vgl. Soeterboom, Soetstemmende Zwaane van Waterland.

DE ZEEMEERMIN VAN MUIDEN (blz. 73). ERASMUS (standbeeld) blz. 73. Bekende sagen, door Prudens van Duyse medegedeeld.

KAÏN (blz. 74–82). Algemeen bekende overlevering, reeds door Wolf behandeld, ook door Welters, Limburgsche Legenden. Ik hoop, dat de vorm, waarin ik ze hoorde, door velen op prijs gesteld zal worden. Wolf was er trouwens, helaas! de man niet naar, om een dergelijk mooi verhaal goed weer te geven.

HET HEILIG HOUT VAN DORDRECHT (blz. 83–87).

MARIA, HET VENSTER (blz. 87–89).

BRAMMERT EN ELLERT (blz. 89–95). Geen der sagen van Nederland leeft wellicht zóó voort als deze. Hier is 't een jong meisje, dat door de beide roovers wordt gevangen gehouden, en dat ten laatste Brammert (of Ellert) met eet scheermes 't hoofd afsnijdt; ze wordt dan door den overledene nagezeten, die haar, op de wijze der witte wiven, een bijl nasmijt, welke tegen de deur aankomt. Zij is gered! Ook hoort men, dat ze Ellert lief krijgt, en dat ze door Brammert wordt vermoord, of dat ze Brammert liefkrijgt en door Ellert vermoord wordt (hierom moet Ellert rondspoken, tot aan den jongsten dag op de Drentsche heide; de kleine kinderen worden bang voor hem gemaakt, zooals wij in onze jeugd voor den boeman of een politie-agent). De klokken, die aan touwen worden gebonden, om de roovers te waarschuwen, vindt men echter steevast terug (vgl. 't aardig werkje: J. van der Veen, Nieuw Drentsch Mozaïek); trouwens deze klokken Bladzijde 379komen ook in verschillende Limburgsche verhalen voor (ook in andere provinciën?); reuzen-sagen vindt men natuurlijk overal. In 1913 is nog in Hilligersberg een feest geweest met optocht, waarbij ook nog een Reuzendochter in den praalwagen heeft plaats genomen (de Hillegaertsberg bij Rotterdam is volgens overlevering ontstaan door 't zand, dat de reuzin Hildegaerde uit haar voorschoot heeft laten vallen). Ook vertelt de Wall Perné een aardig reuzen-verhaal.

Natuurlijk, dat op de Veluwe verschillende heuvels door reuzen zijn gebouwd—zooals in verschillende andere deelen van Gelderland (Hoenderberg bij Nijmegen). Op 't Ellertsveld komen meerdere reuzen-verhalen voor. De duivel stelt men zich voor als een gigant, die op een heuvel woont (de Papenlooze Kerk).

In 't programma der feesten te Hilligersberg heeft men een lied aan de reuzin gewijd, dat aldus begint:

“Toen Hillegond, een reuzemaagd, Van Hollands duinenrand, Onschuldig werd van huis gejaagd, Nam zij haar schoot vol zand. Zij zocht een plaats voor 't souvenir, Van haren dierbren grond, En 't lieve meisje stichtte hier Den berg van Hillegond.”

Dat de reuzen nog in talrijke volks-sprookjes leven, evenals de kabouters, spreekt wel vanzelf. De toekomstige schrijver der “Nederlandsche Sprookjes” zal er misschien verscheidene kunnen opdiepen!!

ZOMERSNEEUW (blz. 95–101). Steffens zegt in zijn Geschiedenis der aloude heerlijkheid ter Horst (vgl. “Limburg” XX, 3⊇ afl.): “In Horst geschiedde de rechtspleging onder eene eeuwenoude linde op den voorhof van den burcht.”

Het gedicht, dat in dit boek is aangehaald, en dat door den volksgeest is gedicht, vinden we gedeeltelijk in Bladzijde 380't dialect van Canne opgenomen in dezelfde aflevering van Limburg. 't Begint aldus:

“Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegen De berg, kort aon 't klein kapelke steit, Zen blajerkroen, die is zoe dîk, dat rege Noch zonneschijn, noch wint terdoor en geit.”

Mooi klinkt vooral—en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge het door een inwoner eens laten zeggen!:

“Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieë En 't nach kaan zijn in volle dageschijn, Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieë En zal dees vrouw zich vrijgesproke zien.”

MIRJAM, SAGE UIT DEN ACHTERHOEK (blz. 101–106). Wie zal zeggen, of deze sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering, en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?

Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in “De Gids” een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland (“Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland,” De Gids 1912, IV blz. 512), hadde ik voorzeker zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche Joden “ad majorem Dei gloriam” (of hier heerschte de amor Dei) doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling, die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14⊇ eeuw geschreven, aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood gemoord werd:

Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den Achterhoek. Dat Bladzijde 381de Jodenmoord in Keppel bijvoorbeeld later naar Ruurloo door 't verhaal werd verplaatst, zou ons niet behoeven te verwonderen, en dat hier dan legendarische bijzonderheden aan werden verbonden, is bijna natuurlijk. Dat de Joden de bronnen hadden vergiftigd, om den Zwarten Dood te doen binnenrijden, was een algemeen-verbreide meening, waarom duizenden Hebreeërs zijn vermoord.

De heer Westerling o.a. schrijft ook hierover en vermeldt:

Arn. van Bevergerne daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat de Joden dood geslagen werden, omdat men hun de schuld gaf van de verschrikkelijke pestziekte de Zwarte Dood, die reeds een paar jaren Europa teisterde en toen deze streken bereikte.”

“Do was over alle de werlt ein al te groeten sterfte, also dat de eyne den anderen kume begraven kunde, ofte dat d' ene daer by den anderen niet blijven kunde in syn lesten omme de overvloedicheyt der siekede. Ende hieromme werden aller wegen de Joden gedodet, want men gaff eher de schult der siekede.”

DE GEVANGEN WOLK (blz. 106–111). Toen ik deze sage voor 't eerst hoorde, en ze naast Mirjam legde, werd het mij eenigszins zonderling te moede. Was het wel dezelfde Zwarte Dood, welke in Ruurloo een zoo lugubere, in den Enscheder Esch een zoo liefelijke, onschuldige overlevering deed ontstaan? In den Enscheder Esch van Joden en bronnenvergiftiging geen sprake—van de boetegangers, die zichzelf en anderen geeselden, kan zelfs niet gerept worden. Een “Nederlandscher” sage dan deze zal moeielijk te vinden zijn, en in dezen zin neemt ze naast “Kabouterwraak” zeker een eervolle plaats in.

De auteur van 't gedicht wordt door den heer J. J. van Deinse, den Twentschen volkskundige, niet vermeld, en dit is jammer. Het doet mij onderwijl genoegen, dat ik hiertoe thans in staat ben: de auteurs van dit gedicht zijn Bladzijde 382mejuffrouw C. Elderink en de heer J. J. van Deinse. 't Zal meerderen belang inboezemen.

Ik haal er in de “Aanteekeningen” nog een deel van aan.

“Eeuwen al zint der vuurbij egoan, Seent doar den Hölterhof hef estaon, Meer van vader op zön, van moond tot moond Geet doar bi'j de boeren de mare roond Hoe doar vervöl in puun en stof, De stèrke geslacht en den Hölterhof …. ”

DE GIERIGE MULDER (blz. 111–116). Bekende sage.

DUIF EN DOFFER (blz. 116–122). Zie ook Limburg XX, 3⊇ aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.

EMMA VAN HAARLEM (blz. 122–125). Vele steden (die Weiber von Weinsberg) bestrijden elkaar deze sage.

ELEONORA'S POLL (blz. 125–130).

DE KAMPER RAADSLIEDEN (blz. 130–132). Één der Kamper uien. Ik meende deze ook als “voorbeeld” in dezen bundel op te nemen.

DE WEERTER ROGSTEKERS (blz. 132–137). Legio is het aantal namen, dat den bewoners van verschillende steden wordt geschonken: “Weerter Rogstekers,” “Deventer stokvisch,” “Zutphensche wind,” “Leeuwarder galgelappers,” “Amsterdamsche koeketers,” “Haarlemsche muggen,” “Makkumsche strandroovers,” “Franeker klokkedieven,” “Winsumsche Spinzakken,” “Asser biggen,” “Bornsche meelvreters.”

Aan een der Kamper uien (zie vgd.) ligt de Kampensche naam “Kamper steur” ten grondslag.

Verder: “Texelsche kwallen,” “Hoornsche krentebollen,” “Zaamslagsche strooplikkers,” “Dordrechtsche schapedieven,” “Zaandijksche krentekakkers.”

Bladzijde 383Van “Haagsche bluffers” hebt ge algemeen gehoord, en de “Werkendamsche brijbroeken” genieten ook eenige reputatie.

In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten grondslag.

Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:

Te Weert had nog niemand de peluw verlaten, Toen knakkend de kar ging de straat op en neer, De hoef van de paarden reeds klonk door de straten. Ineens ploft de rog uit de hotsende kar. En ligt als een ongedierte achter den wagen. Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star, Is zeker een teeken van onheil en plagen. Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuw De rust der ontwakende Weertenaars storen ….”

De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:

“Jan, steek!” riep een vrouw, die het venster uitkeek. “Als gij uw Jan,” zei de andre, “'t gevaar zoo zaagt tergen Als mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek! Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen.”

En het roepen der landlieden:

“Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom, Verspreidt de verwondering door de gehuchten, Die allen in roer zijn: het klokkengebrom Doet ijslijk de loopende landlieden zuchten. Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk, Zoo worden zij zwart door de straten gedreven, En dringen vooruit door het krielende volk, En vragen: “Wat is er. Wat wil toch dat leven?”

't Onheil, dat de rog heeft aangericht:

“'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd, Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen, Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt, Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen.” “Het heeft,” zegt weer deze, “met ijslijk gehuil In 't vliegen een driejarig kind opgenomen, Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muil Vloog 't heen als een wind, over huizen en boomen.”

Bladzijde 384KABOUTERWRAAK (blz. 137–149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij de ”sagen” wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is hier aanwezig: “het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal …,” doch 't andere deel: “zonder beperking van plaats, persoon of tijd,” kunnen wij niet aantreffen.

Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den “volksgeest” is ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid, waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt …. Ook de flesch jenever, die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.

Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal een dergelijk avontuur te ontgaan, door de “eigenaars” op jenever te tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met haar te bemoeien, zonder hun toestemming.

De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om “'t wicht in het Noorden” te koopen. Eerst, als hij de kabouters ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe hij de guurkes voorbij moet komen.

De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestiger Bladzijde 385gaan maken, en dus tijgt Hilbert ter vrijage met een stuk “schinken” in de eene, en een flesch jenever in den anderen zak. Telkens neemt hij een beet en een slok, wat tengevolge heeft, dat de drank al flink is aangesproken, wanneer hij bij de kabouters aankomt.

Als Schrijnen zegt van “de sproke”:

“Zij heeft óók een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft,” dan zal men, na het bovenstaande te hebben gelezen, nog meer mijn aarzeling begrijpen, of dit verhaal niet geheel en al bij de sprookjes is te rangschikken. Nu wordt het sprookje anders verteld als de sage, gelijk ieder weet, die beide vormen onder “'t volk” heeft bestudeerd. Zoo ge de moeite zult nemen, om het register achter in 't boek nauwlettend te bekijken, dan zult ge bevinden, hoe de meeste overleveringen een deugd of een ondeugd beschouwen, tenzij in de “liefde”-sagen, en de “heksen”-sagen. Het sprookje daarentegen is de vertelling zonder moraal, en eindigt dus bijvoorbeeld met de woorden:

“En toen kwam er een varken met een langen snuit En toen was het vertelseltje uit,”

een slot, waarmede kinderen en de groote menschen, die dikwijls als kleine kinderen zijn, volkomen genoegen nemen. Men begrijpt dus, dat voor 't wedervertellen van sprookjes (Boekenoogen, Dijkstra, Pol de Mont, de Cock) een afzonderlijk talent noodig is, omdat men met schrale woordkeus groote effecten moet bereiken.

De “Kabouterwraak,” welke laten we zeggen voor de helft sage is, voor de helft sprookje, bood dus zeer eigenaardige moeilijkheden. Ik heb getracht, deze zoo goed mogelijk te overwinnen, en de scheikundige regel: “in een mengsel behouden de stoffen onveranderd haar eigenschappen” ook hier stelselmatig toe te passen.

Bladzijde 386HET VROUWENZAND (blz. 149–154). Hier zij in de eerste plaats verwezen naar de Aanteekening op “Het Vrouwtje van Stavoren.” In 't werk “Oud en Nieuw” Nederlandsche Legenden door J. J. van der Horst (Leiden J. W. van Leeuwen 1887) is de sage opgenomen onder den titel “Richbertha van Stavoren.” Hier vindt gij, dat een vreemdeling, een wijze oosterling, de rijke weduwe bezoekt, en, nadat hij bij haar een rijk gastmaal heeft genoten, zegt:

“Eene zaak verwondert mij bovenmate: ik mis hier ééne spijs, die het beste, het edelste, het kostbaarste is van alles, wat de aarde den mensch voortbrengt.” Ge ziet dus den schatmeester der weduwe op reis gaan, om dit kostbaarste te vinden, en dan leest ge, dat op zijn schip gebrek aan brood komt. Landt hij nu in een stad aan de Baltische zeekust, dan weet hij, dat de tarwe het kostbaarste van alles is. Bij zijn terugkomst, beveelt ook hier de weduwe, het graan in zee te werpen, waaraan morrend en vloekend wordt voldaan. Ook de bevolking van Slavoren verzet zich hier tegen haar bevel. Vooral dit laatste dient onze bijzondere aandacht te trekken, en 't komt ook wel overeen met de houding van het volk in “Het Vrouwtje van Stavoren” (blz. 6).

Het “ring-motief” wordt door den heer van der Horst tegelijkertijd in deze sage verwerkt, en wel als volgt (nadat de tarwe in zee is geworpen):

“Toen stond daar eensklaps de onbekende vreemdeling in oostersch gewaad vlak tegenover haar en sprak plechtig:

“Gij ziet, dat ik woord houd. Uw schatmeester heeft in waarheid, door God zelven verlicht, het kostbaarste, het edelste, het nuttigste voortbrengsel der aarde u aangevoerd, en gij versmaadt en verwerpt het in dollen overmoed. Weet, o vrouwe Richtbertha! dat God rechtvaardig en almachtig is. Eens zult gij gebrek lijden aan hetgeen gij thans met zooveel verachting in zee werpt ….”

Een helle schaterlach klonk krijschend over de hoofden Bladzijde 387der omstanders. De trotsche weduwe wierp het hoofd in den nek en gilde:

“Wie zijt gij, vermetele vreemdeling, om mij te durven hoonen? Zou ik ooit gebrek kunnen lijden? Neen, gij zult mij niet ten tweeden male bedriegen! Ziehier mijn kostbaarsten ring van juweelen: eer brengt de zee mij dezen ring terug, eer ik gebrek zal hebben aan één korrel graan!” En met deze woorden slingerde zij het prachtig juweel in zee.

Vol bitterheid in de ziel, maar, zoo mogelijk, nog trotscher dan tevoren, betrad zij hare marmeren woning, gevolgd door de verwensching en vervloeking van schepelingen en armen.

“God is rechtvaardig!” had de geheimzinnige vreemdeling haar gewaarschuwd, en zijne bedreiging werd op vreeselijke wijze vervuld. Slechts weinige dagen daarna zat Richbertha aan den maaltijd en werd eensklaps bleek als een doode: bevend en sidderend staarde zij op het stuk zeevisch, dat zij voor zich had, want daarin werd de weggeworpen juweelen ring haar teruggegeven.

Van dat oogenblik dagteekent Richbertha's ongeluk en het verval van Stavoren ….

Een bladzijde later vinden wij het ontstaan van het wonderkoren beschreven, en dus zien wij hier, dat drie lezingen in één zijn gevlochten, en wel zeer gelukkig gecombineerd.

Wolf geeft in zijn “Niederländische Sagen” twee afzonderlijke lezingen, zonder eenige toespeling echter op den ring. In de eerste lezing zin alle bewoners van Slavoren overmoedige lieden, en de vrouwe geeft haar schipper bepaald bevel, om koren te halen, daar de graanprijzen zeer hoog zijn. Het tweede verhaal stemt meer overeen met het in dit boek behandelde. De geschiedenis van den ring treffen wij bij Wolf niet aan.

Nu is het slechts zelden, dat een sage onlogisch is. Leest men bijvoorbeeld “Westerschouwen, Westerschouwen,” dan wordt de gansche plaats gestraft, omdat haar inwoners gezamenlijk overmoedig zijn en zonder medelijden. In Bladzijde 388“Straffe Gods” wordt alleen de onbarmhartige vrouw gestraft; Gerard de slechte heer, de gierige mulder, zij worden ten verderve gevoerd, en niet hun omgeving. Een sage is maar niet zoo onlogisch, en waar zij de vloek, die over een streek wordt uitgesproken, verklaart, daar schakelt ze, als 't noodlot zelve, feit aan feit aaneen, zoodat wij geneigd zijn te zeggen:

“Zoo—en zoo niet anders—is het gebeurd.” De verteller der sage heeft als eerste plicht deze fataliteit te gevoelen en te handhaven.

DE RIDDER VAN STENHUISHEERD (blz. 154–160). Geen bijzondere opmerkingen.

DOODENDROOM (blz. 160–167). De lezer behoeft niet te denken, dat de spelling “Engelland” aan een drukfout is te wijten, of mij is ingegeven door van Eeden-iaansche motieven. Waarlijk rust deze sage op 't geloof, dat in Engel(l)and, aan de overzijde de zee, de schimmen der dooden (engelen) rusten, en dat de veerman des Doods de moderne Styx oversteekt met de nevelen aan boord. Dat de dooden pijn kunnen gevoelen door de schuld der levenden, komt voor in menig spookverhaal: bijvoorbeeld ook bij de juffrouw zonder kop, die bij Echt rondwaart. Hier zou zij verlost kunnen worden, als de boerenjongen de schat vindt … waar hij niet in slaagt. In Dokkum wordt verteld (deze sage is niet in den bundel opgenomen), dat in een huis een geest rond moet waren, tot een schat is opgespoord, waaraan hij tijdens zijn leven niet kon komen. Als de kwelling ophoudt, vindt de geest rust.

In Oscar Wilde's “The Ballad of Reading Gaol” wordt de pijn der dooden alsvolgt verklaard:

“For he who sins a second time Wakes a dead soul to pain And draws it from its spotted shroud And makes it bleed again, And makes it bleed great gouts of blood And makes it bleed in vain.”

Bladzijde 389Het spoken van het doode kindje bij zijn moeder, die om hem weent, daar het door haar tranen geen rust kan vinden, is wel-bekend. Eerst keert het tot vrede weder in, als de moeder niet meer schreit.

Ook “Doodendroom” vertoont sprookjes-achtige motieven. Er is bijna geen plaatsaanduiding (“Walcheren” is een veel algemeener begrip natuurlijk dan bijvoorbeeld Westerschouwen); toch kon ik er niet toe besluiten het verhaal als sprookje te behandelen.

MOOI-ANN VAN VELP (blz. 167–178). Een echt voorbeeld van den “naloop” (zie Aanteekeningen bij “De Roode Hemdrok”). De sage wordt verschillend verteld; de één zegt: “de jonker van Biljoen” en de ander: “de jonker bij Biljoen.” Tijdens de correctie heb ik nog geaarzeld, welke lezing ik zou volgen, doch de vage uitdrukking “bij” trok mij, om de samenstelling van het verhaal, nog 't meeste aan. Wonderlijk is, dat mooi-Ann zich niet op den jonker zelf wreekt, deze blijft na haar dood even gezien als hij vroeger was, en ook “'t oud karonje van een meid” leeft volkomen onbezorgd verder. Ik vermoed, dat er vijftigjaar geleden wel andere lezingen over hebben bestaan, doch dat deze zijn uitgestorven. Er zullen waarschijnlijk wel manuscripten of gedrukte gedichten van diverse anonyme schrijvers over bewaard zijn gebleven, welke men mij niet heeft toegezonden tot dusver.

Natuurlijk is 't niet onlogisch, dat mooi-Ann zich op “de mannen” wreekt, doch de volksgeest wenscht in dergelijke gevallen de meest-bloeddorstige wraak, en de jonker benevens 't oud karonje dienden eigenlijk een zwaren dood te sneven.

DE VERBORGEN SCHAT (blz. 178–182). Niet alleen bij Welters, maar op tal van plaatsen (Mookerheide, Veluwe) komen verhalen van verborgen schatten voor, bij welker opgraving niet mag worden gesproken. Vele spookverhalen Bladzijde 390hebben uit den aard der zaak een verborgen schat ten grondslag. Hier wordt een interessant geval van naloop met een verborgen schat in verbinding gebracht.

Men merkt het, dat de geest op Woensdag en Vrijdag het gevaarlijkst wordt geacht; waarom de beide boerejongens op Dinsdag moeten graven, is mij niet duidelijk.

WAAROM DE REUZEN IN LIMBURG ZIJN UITGESTORVEN (blz. 182–187). Zie Aanteekeningen Brammert en Ellert.

DE STILLE RONDE VAN BERGEN-OP-ZOOM (blz. 178–196). Een onzer zeldzame soldaten-sagen, tegelijkertijd “naloop.” Waarschijnlijk ligt hieraan waarheid ten grondslag, misschien een treffender dan in dit verhaal tot uitdrukking komt.

Het wil mij namelijk voorkomen, dat de “plaatsmajoor” van de werkelijkheid niet een veel hoogeren rang dan zijn zoon bekleed heeft, die tot de gewone soldaten moet gerekend worden. Dat hij, de vaandrig, zich in plaats van den schildwacht zou hebben gesteld—lijkt mij onwaarschijnlijk. Dat de schildwacht zich in werkelijkheid zou laten overhalen … het is bijkans onmogelijk te achten.

Maar deze wijze van bespreken heeft inderdaad iets wreeds. Natuurlijk is er menige sage, waarin de waarheid verborgen is. Misdaad en berouw zijn dikwijls de grondslagen, vooral, wanneer het begane feit niet door den rechter is gestraft, zoekt “het volk” de wraak op deze wijze, d.w.z. de zwerver of de liedjeszanger (soms ook een derde-rangs-poeët als de dichter van het vers, waarmede ik de sage doe aanvangen) voeren het verder, en ten laatste, men weet niet hoe, is sage geworden, wat in diepen grond waarheid was. Dergelijke sagen onderscheid ik gaarne van de zuiver-fantastische, waarin allerlei waanfiguren den dans uitvoeren. Verbeeld ik 't me, dat de menschen, die deze histories vertellen, ook in hun aard verschillend zijn van de overige? Ik heb althans getracht ook de wijze van behandeling dezer “waarheids”-sagen Bladzijde 391anders te doen zijn dan de door het volk verdichte, en ze vooral den klank der werkelijkheid te laten behouden, zooveel dit doenlijk is.

DE WITTE WIVE VAN LOCHEM (blz. 196–208). Een “witte wive” als hulp voor twee verliefde jongelui! De “witte wive” van Lochem, de meesteres van alle witte witte op de Veluwe, Salland, den Achterhoek, de Twenthe, is hier wel eenigzins gefatsoeneerd. De sage is ontegenzeggelijk belangrijk, als zou 't alleen maar zijn om den leuken boerschen humor op blz. 197, waar Herbert's ouders een proces winnen … waarmede ze hun spaarpenningen verliezen. Toch is de karakterteekening nog te scherp, om niet aan geleerde invloeden te doen denken. Ook het feit, dat den kinderen geen kwaad wordt gedaan, is eenigszins-vreemd. Zoo zoetelijk zijn de witte wiven gemeenlijk niet (zie ook de “Witte Wiven van Tubbergen” in dezen bundel, blz. 210; De “Witte Wive van Espeloo” in “Overijselsche Sagen,” door mij geschreven; de “Witte Juffers” in 't Noorden zijn schrikaanjagende gestalten). Echter zijn er ook wel “witte wiven” als de Lochemsche, zooals b.v. de Witte Juffer van Hoog Soeren.

Over den oorsprong der “witte wiven” of “witte juffers” zijn velerlei beschouwingen geschreven, alreeds door Picardt, en hier wordt dan ook alle mogelijke kwaad van haar verteld. Schotel deelt mede dat zij volgens sommigen dezelfden zijn als de Alven of Elven, waarvan zoo vele sagen bestaan, en waarna eenige plaatsen genoemd worden, doch anderen betwijfelen zulks. Evenals goede en kwade engelen zijn er goede en kwade Alven. De laatsten, zwarte en donkere Alven geheeten, zijn klein, mismaakt, kwaadaardig, duivelachtig, vijanden der menschen en van het Christendom, het daglicht schuwende en bij nachtwerkende.

Maar … de witte wiven van Tubbergen, die toch zeker tot de kwaden gerekend worden, zijn: 1°. niet zwart, 2°. niet klein en mismaakt, 3°. schuwen zij het daglicht Bladzijde 392niet. Ook de witte wiven van Vriezenveen kunnen uit de beschrijving van Schrijnen (Nederlandsche Volkskunde I, blz. 67) geen liefelijken indruk op ons maken.

Waar ik over witte wiven heb hooren spreken, was het bijna steeds met een gevoel van angst, sterker: ondragelijke afschuw. Daarom is mij de figuur der Lochemsche witte wive wel een weinig vreemd en—ware zij minderbelangrijk geweest—deze objectieve tegenzin hadde mij ertoe geleid, ze te verzwijgen.

HET ONTSTAANDER NAMEN VAN VERSCHILLENDE HOLLANDSCHE PLAATSEN. Haarlem met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg (blz. 208–210). Evenals “Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen” een uiting van den volkshumor.

DE WITTE WIVEN VAN TUBBERGEN (blz. 210–219). Verhaal meteen allegorische beteekenis. Zie voor aanteekeningen op de “Witte Wiven” aanteekeningen hierboven.

WONDERLIJKE AVONTUREN VAN DEN RIDDER MET DEN ZWAAN (blz. 219–244). Schotel verwijlt lang bij dit verhaal, “wijl zijn geschiedenis uitsluitend een vaderlandsche legende ten grondslag heeft.”

“Noch in het Zuiden van Frankrijk, noch in het Oosten, Griekenland of Rome (gelijk sommigen beweerden), maar in Frankenland moet het verhaal onzer sage gezocht worden. In het gebied der Merovaeussen, Chilperikken, Lothariussen, en wel in dat gedeelte van hun gebied, dat zich van den Rijn tot aan de Schelde uitstrekt, stond haar wieg en bakermat.”

DE SCHELPENGROT OP NIENOORT (blz. 244–252). Levende sage.

VAN EENEN RIDDER (blz. 252–255), met

VAN EENEN KOSTER EN EENE KOSTERIN (blz. 255–259), behoorende tot de Maria-legenden.

Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de “Beatrijs” is gekozen, doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij, om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.

Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst vertoont en wel de hier behandelde sage van

DE BERGTOREN VAN DEVENTER (blz. 260–265).

EEN SCHOONE HISTORIE VAN DE VIER HEEMSKINDEREN (blz. 265–275). Uit den Fabelkring van Karel den Groote. Wellicht een der meest-geliefde romans in de 15⊇, 16⊇ eeuw, ja later nog zette zich de liefde van ons volk voor de vier Aymijns kinderen op hun ros Beyaert voort, en de Montelbaens-toren te Amsterdam zal eeuwig een heugenis blijven van den invloed dezer sage. Terwijl alle andere Arthur- en Karel-romans reeds tot de vergetelheid behoorden, en sergeant-majooor van Altena b.v. in 1812 zeer verbaasd was, toen hij in verschillende Duitsche plaatsen van zekeren Roland hoorde vertellen, was in 't begin der 19⊇ eeuw de sage der Heemskinderen nog levend in ons volk.

J. A. Alberdingk Thym zegt van dit verhaal:

“De Nederlanders hebben de Heemskinderen bemind met eene trouwe, met eene ridderlijke, met eene Middeleeuwsche Bladzijde 394liefde, en niet alleen, toen zij aan de hoven der Vorsten, op de hooge burchten der Baanrotsen verkeerden, toen zij door dichters werden ingeleid, die slechts bij uitzondering de gouden sporen ontspanden, om de feestzaal te betreden, dichters, wien de harp in handen blonk, al dekte de hertogsgroet of gravenwrong hun kruin: neen, ook toen de Heemskinderen, als kermisgasten in roode en gele lompen gekleed, door den modder onzer pleinen en bruggen gevoerd, bij het orgel van een straatmuzikant hun armen ouden Beyaert kunsten moesten afdwingen nog toen bleef de liefdes des volks volstandig, nog toen beminden zij die eenmaal zoo fiere jongelingen op hun heldhaftig paard.”

En nu—in 't begin der 19⊇ eeuw verschijnt er dus weder een verkorte uitgave van de lotgevallen der vier broeders, een uitgave, welke eindigt met den dood van Beyaert. Want het is vooral de dood van Beyaert, die de “Vier Heemskinderen” zoo dramatisch maakt: 't is het leed om een stervend paard, dat wij met de middeleeuwsche menschen begrijpen. Niet de vele avonturen der ridders kunnen wij zoozeer waardeeren, maar wel hebben wij Adelaert lief als een broeder, wanneer hij uitroept:

“Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald.”

Bladzijde 395FERGUUT, RIDDERROMAN UIT DEN FABELKRING VAN DE RONDE TAFEL (blz. 275–311). In 1908 verscheen de laatste Hollandsche Uitgave van de Ferguut, en wel van dr. Eelco Verwijs, opnieuw bewerkt en uitgegeven door dr. Verdam. Door mij is tevens geraadpleegd het werk van L. G. Visscher (1838). Men begrijpt, dat door mij het werk van Visscher reeds hierom wordt gewaardeerd, omdat deze ervoor heeft gewaakt, dat de “Ferguut”—voor mij de mooiste ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel—is blijven leven in veler belangstelling. Wel zal ik niet ontkennen, dat Verdam een verdienstelijk werk heeft gedaan, door in het wetenschappelijk tournooi deze “gebrekkige uitgave” den genadestoot toe te brengen, maar ik, bovenal bewogen als schrijver door den werkelijken roman, moet mij van dezen kamp afzijdig houden.

Voor mij is de “Ferguut” nog als stroomend bloed in 't lichaam van dezen tijd, en wij zelf kunnen er ons in weder-kennen, wij de onervaren droomers, die het leven moeten leeren begrijpen. Onze jonge ziel gaat uit naar een verheven doel … tot alles achten wij ons wel bekwaam, en uittrekkende ontmoeten wij onze eerste vijanden, nadat we den twijfel hebben overwonnen. Staat daarna niet Keye, de spotter, voor ons allen gereed? Maar, o wonder! komt niet tegelijkertijd onze eerste, groote vriend, die de hand op onzen schouder legt, maar die niet kan beletten, dat wij daarbuiten weder moeten zwerven, zonder genade—

“Het was een mensch, deze Ferguut, en hij leeft als een man in 't boek van een groot schrijver.”

Heb ik de ontroering mijner ziel, terwijl ik de Ferguut voor u vertaalde, genoeg in 't werk zelve kunnen leggen? Dit is de menschelijkste der Arthur-sagen, een der meesterwerken van de wereld-literatuur.

WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN UIT FRIESLAND (blz. 311–321). In vele oude geschiedenis-boeken over Friesland worden deze verhalen min of meer als historie behandeld: dat ze echter bij de sagen behooren, behoeft geen betoog.

ZUWAERT, DE MARTELARES VAN DORDRECHT (blz. 321–323). Is gekozen als voorbeeld eener Katholieke legende. Zoo deze bundel door een tweeden wordt aangevuld, zullen daarin verdere verhalen over Nederlandsche martelaren of heiligen worden opgenomen.

DE ENGELSCHE KONINGSDOCHTER (blz. 323–332). Bekende sage over 't ontstaan van 't wapen der heeren van Heusden.

DE VLIEGENDE HOLLANDER (blz. 332–338). Niet ligt aan deze sage 't verhaal van Kaïn (Waleram en Reginald, blz. 74 en vlgd. van dit boek) ten grondslag, zooals door sommigen wordt aangenomen. Is ze een fantasie van Heinrich Heine? Zie “Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewotzski.”

Door Wagner's opera heeft ze zich verspreid over de gansche wereld, en zóó is er nog in dezen tijd in Zuid-Afrika, dat arm is aan “Europeesche” sagen, een variatie uit ontstaan. Bladzijde 397

ONTMOETING MET DEN VLIEGENDEN HOLLANDER (blz. 338–342). O.a. door Waling Dijkstra medegedeeld.

DE SAGE DER “LUTINE” (blz. 342–346). Van deze sage bestaat minstens één gedicht, door een liedjeszanger bij den weg gevent. Ik heb het in Zwolle hooren zingen, maar het was uitverkocht, toen ik er mij meester van wilde maken. Zoodra het in mijn bezit is, hoop ik het te publiceeren.

DOKTOR FAUST BIJ BOMMEL (blz. 346–352).

AVONTUREN VAN DOKTOR FAUSTUS IN LEEUWARDEN (blz. 352–356). Dokter Faustus brengt het er in Nederland wel armzalig af. Hij is hier slechts de toovenaar bij uitnemendheid, die toevallig den naam van Faust heeft aangenomen. Faust was hier welbekend door den volksroman “De Historie van Docter Johannes Faustus, die een uitnemenden grooten tovenaar in zwarte Konsten was ….” enz., welks verschijning door mr. van den Bergh waarschijnlijk wordt gesteld op het einde der 17⊇ eeuw.

Na de voleindiging dezer “Aanteekeningen” wensch ik gaarne een woord van dank te brengen aan den heer C. A. van Fenema, conservator aan de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen, die mij met diverse aanwijzingen van dienst is geweest.

1914–1917.

Notes in this chapter

Note 1 · Oorspronkelijk natuurlijk perel.Note 2 · Oorspronkelijk “weer.”Note 3 · Johan Wilhelm Wolf. Niederländische Sagen (S. 30 en 31).Note 4 · “Witte wiven” heb ik niet als trawanten van den Duivel gevonden, zij het, dat ze bij Tubbergen de “lokkende zonde” voorstellen, ook wel bij Note 5 · Cursiveering van mij.Note 6 · Dat er toovenaars waren, die het weder konden maken, is een geloof, dat sinds langen tijd heeft bestaan en in vele landen (Afrikaansche regeNote 7 · Dit geloof in der heksen macht en boosaardigheid duurt tot, men kan zeggen, dezen tijd voort. De door mij behandelde sage is er een goed vooNote 8 · Gewone pijnigingsmiddelen.Note 9 · Gewone pijnigingsmiddelen.Note 10 · Werd algemeen toegepast. Zie ook Hansen: Zauberwahn, Inquisition und Hexenprozesz im Mittelalter. De reden vindt men later in den brief.Note 11 · Hansen, Joseph. Quellen und Untersuchungen zur Geschichte des Hexenwahns und der Hexenverfolgung im Mittelalter.Note 12 · Men leze hierover b.v. Scherr, Johannes Menschliche Tragikomödie (ed. Volksausgabe Leipzig Hesse und Becker) sechster Band: Die Hexe von GlaNote 13 · Ontdecking van Toverij.Note 14 · Men zal hebben opgemerkt, dat van hekserij altijd vrouwen, nooit mannen werden beschuldigd. Dit is voornamelijk te wijten aan het boek “MallNote 15 · Reeds in de 17⊇ eeuw is bij ons de opmerking gemaakt, hoe wonderlijk het eigenlijk is, dat de heksen, die immers een verbond met den duivel Note 16 · Voor hem, die er belang in stelt verwijzen we weder naar Hansen: Zauberwahn, Inquisition und Hexenprozesz im Mittelalter.Note 17 · Meermalen “zwerven” sagen van de eene plaats naar de andere, soms, nadat ze, soms vóórdat ze gedrukt zijn. Dan treden verschillende variatieNote 18 · Volksgeest niet te nemen inden zin van: “geest der kleine luyden.” Er zijn zeer ontwikkelde menschen, die den “voorloop” hebben of erin geloNote 19 · Mr. L. Ph. C. van den Bergh. De Nederlandsche Volksromans.Note 20 · Das Gedicht von Reinout gehört wenigstens in die zweite Hälfte des 13 Jahrhunderts. Mone. Übersicht der niederländischen Volks-Literatur ältNote 21 · De Fergus dagteekent naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste jaren der XIII⊇ Eeuw en is het werk van Guillaume le Clerc. Verdam, Ferguut Note 22 · Ze lachte en greep haar ring En wierp met luid geschater, Terwijl ze henenging, Hem weg in 't woelig water. Kijk, riep ze, dwaze kerel, Note 23 · Het duurde een dag of acht, Toen werd op haar verlangen Een groote visch gebracht, Zoo pas in zee gevangen. Maar sidderend zonk ze neer,Note 24 · Bladzijde 359Vele andere berijmde lezingen, dikwijls zeer van elkander verschillend, zijn van het vrouwtje van Stavoren bekend: hier meende Note 25 · HET POPJE DER HEKS (blz. 57–64). Een zeer merkwaardige sage! Al speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling Dijkstra) gepNote 26 · Nochtans blijft het geopende bijbelboek als duivelbanner5 daar nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in allen ernst:Note 27 · “Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade, veNote 28 · Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden lieven frunden.1Note 29 · Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip “heks” heeft vastgehouden—zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen (Drente,Note 30 · In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen schreef, en zijn werk werd tot “ghemein oorbaar” in 't Nederlandsch veNote 31 · Of de toovenaressen,14 waersegsters etc. door haar swerte kunst ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat wanneeNote 32 · Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een nuchteNote 33 · Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook hieNote 34 · “Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit paard” (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde overlevering).1Note 35 · Wat de “voorloop-sagen” betreft, hier doet zich steeds iets zeer eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever in denNote 36 · Reeds het feit, dat de ridder met den zwaan in Nijmegen aan-komt, is voor ons een aanwijzing, dat wij dit oud verhaal, dat door Wagner's opeNote 37 · Dit tooneel alleen zal de wensch van Wolf en Deken dat er “iemand, niet misdeelt van aardig vernuft, onder ons zou opstaan, die een geheel nNote 38 · De arme Ferguut! In zijn tijd21 het type van den vaarlijken ridder, al komt hij op uit eenvoudig geslacht, wordt hij voor ons eeuwiglijk de
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings