← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Het Vrouwenzand

Reading edition

Een paleis van prinsen, hertogen en koningen is geweest in de stad Stavoren, en de deuren der burgerhuizen waren van zuiver goud. Gelegen was het op den oever van het Flevus-meer, waarin vele rijke rivieren hun water stortten, de Cuyner, de Vecht, de IJsel, en een stroom van het Rijnwater, komende uit het sticht Utrecht. Geen schooner haven dan die van Stavoren, en de burgers van Holland spraken met afgunst van de fraaie stede, welker schepen talloos waren op de Noordzee.

Er woonde in Stavoren een weduwe, de rijkste van alle menschen. Ook was zij de hoogmoedigste, en iedereen vreesde haar.

Eens, dat een harer vaartuigen zeilree lag, liet zij den schipper bij zich komen, en zij beval hem te gaan, waar hij nog niet geweest was, en het kostbaarste voor haar mede te brengen, wat hij vinden kon. Den prijs, dien men vroeg, mocht hij betalen. “Het zij het schoonste, wat ooit menschenoogen aanschouwd hebben. Het zij heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en ieder in de stad zal er van moeten spreken, mij benijdend en huldigend tegelijkertijd om dat bezit! Ga!”

Figuur 13.

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen
Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen

“Maar edele vrouw!” zeide de schipper angstig, “hoe zal ik weten, wat het schoonste is? Nooit heb ik iets gezien heerlijker om te bezitten dan goud en zilver. Is er geen ander, dien ge met deze taak kunt belasten?”

“Gij zijt de oudste van mijn schippers, gij hebt de verste reizen gemaakt, en daarom draag ik u op het voor mij te zoeken. Zoo gij iets vindt, dat gij zegt: ‘voorwaar! voorwaar! het is edeler dan menschenhanden ooit schiepen, zie deze kleur en vorm,’ dan zult ge weten, dat gij voor mij hebt gevonden. Zoo niet, weet dan, dat gij nooit behoeft weder te keeren.”

“Ik zal mijn plicht volvoeren,” sprak de man, “en het rijkste, wat ik ooit heb gezien, zal ik voor u medebrengen.”

Den volgenden dag voer zijn schip af.

Bladzijde 150In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag, alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten, geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen, terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad kon koopen? Menigen koopman en kramer vroeg hij:

“Toon mij 't schoonste, wat gij hebt,” maar als 't hem getoond was, schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:

“Dat zoek ik niet.”

Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen, wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En weder vond hij niet.

Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde hij koopen.

Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.

Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.

De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan ooit menschenhanden hadden gewrocht.

Blijde dacht hij:

“Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook zal vragen, dit kan ik rustig koopen, Bladzijde 151want 't heeft grooter waarde dan 't goud, dat in mijn schip geborgen is, ja dan alle goud ter wereld.”

Hij ging naar binnen, en was het spoedig met den koopman eens. Men laadde de kostbare waar in zijn schip, en eenige uren later zeilde hij van Danzig weder naar Stavoren.

De rijke vrouw had daar allang op zijn terugkomst gewacht. Ze was reeds hoovaardig op haar schat, en ze glimlachte in haar fel verlangen. Wat zou 't wezen?

Ze bezag peinzend haar blanke pols. Haar handen vleiden heur blonde haar. Ze lachte tegen haarzelve om haar schoonheid, die nog machtiger zou worden door wat de schipper medebrengen zou. Ze vertelde het alom, en ze spotte met alle vrouwen. Thans evenaarden ze haar bijna, doch als het schip er zou zijn, zou zij zich boven ieder mogen verheffen.

Zij hield haar gedachten niet geheim. Openlijk sprak ze van het naderend geluk.

“Zooals een ander een schip geladen heeft met houtwerk of met visch, zóó deed ik het laden met goudgeld. Ik weet wel, dat gij allen rijk zijt, maar zooveel hebt gij nog nooit tezamen gezien, en wat ervoor, gekocht zal worden, zal van mij zijn. O! niet zal het lang meer duren.”

Het was reeds eenige morgens daarna, dat ze gewekt werd door een luid geroep op straat. Ze hoorde den naam van den schipper, en ijlings kleedde zij zich, om naar de haven te gaan. Er was niemand in Stavoren, die tehuis bleef. Kinderen drongen in dichte menigte op, nieuwsgierig naar de kostbare schat.

Men waagde al gissingen, wat ze wezen kon. Men zag het aan des schippers gelaat, dat hij verheugd was.

De edele vrouw trad naar voren, en riep met een stem, trillend van verwachting:

“Zeg, wat gij hebt medegevoerd.”

Niet lang wachtte hij met zijn antwoord, dat juichend luidde:

Bladzijde 152“O edele vrouw! zulke schoone tarwe als gij nooit hebt gezien.”

Toen gevoelde zij, hoe men met haar spotte. Instee, dat zij anderen minachten kon, minachtte men haar. Wat zou haar kunnen redden van den hoon, dat zij een kostbare schat verwachtte en slechts tarwe ontving?

Hij beidde haar geluk. Zijn eenvoudig, oprecht gelaat moet wel zorgeloos geweest zijn. Wat was er voor hem inderdaad schooner dan deze zware tarwe, heerlijk voedsel! Hij had veel graan gezien op zijne reizen—doch bij den eersten blik in de onaanzienlijke Danzigsche schuur had zijn volkshart geweten, dat er niets beters dan deze tarwe kon bestaan. Hij had zich van zijn opdracht gekweten. Het was het schoonste, dat ooit menschenoogen hadden aanschouwd. Het was heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en wie in de stad zou er niet van moeten spreken, de vrouw benijdend en huldigend tegelijkertijd? Konden menschenhanden dit vervaardigen? Het was een goddelijke gave, die in zijn schip geladen was.

Ach! hoe slecht kende hij de rijke weduwe, die hem had uitgezonden, en wier ijdelheid had willen pronken. Wat wist hij weinig van 't hart der Stavorensche burgers, die stoepen hadden gebouwd van louter goud, alleen om meer te schijnen dan de Hollanders! Zij hadden slechts achting voor voos vertoon, en ze lachten wat om de Danzigsche tarwe.

De rijke vrouw wist, dat zij den spot, den grootsten vijand der ijdelheid, had te bestrijden, en ze riep den schipper toe:

“Tarwe hebt ge? En aan welken kant hebt gij ze geladen?”

“Aan bakboord.”

“Welnu,” hoonde ze, en ze wendde zich tot het volk, “werp ze dan over stuurboord weer in zee.”

Zonder verweer voldeed hij aan haar bevel. Het graan, dat hij geladen had, loste hij in de golven. Lachende keken Bladzijde 153zij toe, de burgers van Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?

Die lach voerde hen ten verderve.

Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen, en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de haven van Stavoren open geweest voor ieder schip—nu bedwongen door den tyran was haar vrijheid geknot.

De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.

't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.

Op het zand—'t heette het Vrouwenzand—begon den volgenden zomer graan te groeien. 't Volk was verheugd. Een rijkdom was hun ontnomen, een nieuwe rijkdom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide, en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn!

Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was, hoog van halm.

Doch het had geen aren—en men noemde het “wonderkoren.”—Er was geen korrel voedsel in.

Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog en verging doelloos gelijk schijn en ijdelheid. Bladzijde 154

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings