Duif en Doffer
Reading edition
Reynout van Valkenburg … u heeft uw vrouw meer liefgehad dan haar kind.
Hij was uitgereden, de trotsche held.
“Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is, waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal hij zingen …: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik—wees daarom niet versaagd. Vaarwel!”
Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging, waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.
“Reynout van Valkenburg!” klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare krankheid en ze fluisterde tot haar kind:
“O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen.”
Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen, kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar blijdschap jubelen—want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe hij ook wederkwam, hij was haar zoon.
Bladzijde 117Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij liep hen tegemoet.
“Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke.”
Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.
“Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek.”
“Reynold! Reynold! zone mijn, Din vrouw gewan een kindekijn,” “So leget mi in die coetse blank, Opdat ic ruste. Ic ben crank.”
“Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven.”
Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.
“Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen.”
“Laat mij sterven, moeder ….”
“Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet.”
“De lansepunt drong mij in den rug—niet in mijn borst ben ik gewond. Een verrader was het, die mij doodde.”
“Spreek niet van den dood.”
“Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer ik gestorven ben …. Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel—zeg mijn kind vaarwel.”
Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.
De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was er in den klank dezer klokken.
“Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?”
“Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang.”
“Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held.”
Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros, en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend zijnen naam.
“Reynout van Valkenburg!”
Figuur 11.

Zij zag haren ridder op zijn ros
Bladzijde 118Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen, die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde, dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.
Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij luisterde niet naar het juichen der makkers.
Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan alle jubeling rondom hem.
“Een kindeke is ons geboren, Reynout.”
Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde niet om zijn gesloten mond.
Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde, dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar ridder had.
Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu slechts den eentonigen stap van het paard.
Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den grond, dat het klonk als klop na klop.
Schrikkend ontwaakte ze.
Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?
Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?
Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer 't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.
Bladzijde 119Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:
Mer segh mi, 't geruchte op den ganck Is dat niet kloppen planck bi planck?
De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen, dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.
Zij glimlachte.
“Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt.”
“'t Is als 't maken van een doodkist,” huiverde de jonge vrouw, en ze drong het kind dichter tegen zich aan.
“'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts.”
Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten weg—Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.
Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging—een schemerende angst.
“Moeder—moeder,” klaagde de jonge vrouw.
“Wat wilt gij, mijn dochter?”
En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat nu refreinde, was slechts een echo.
“Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?”
“Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago.”
“Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was.”
“Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij gelooven.”
“Dan zal ik weder slapen—”
Zij sliep en droomde.
Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde Bladzijde 120het toe. Het dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om haar geluk voortschreed—telkens zag ze op naar 't gelaat van haar ridder—schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf hij haar niet.
Zij hoorde hem zeggen—zijn stem was toornig:
“Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des velds waart gij toch welkom geweest.”
“Hoort dan!” zoo antwoordde zij treurig, “een kindeke is ons geboren, en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen, en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom niet vertoornd.”
De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.
“Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder.”
Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde, dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.
“Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad, in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete.”
Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.
“Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve kind.” Bladzijde 121
“Min kind, ic 't niet meer bergen kan, Dood en gesonken is din man”
Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de jonge vrouw, wat er gebeurd was.
Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:
“O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot Bi Reynold wesen in der doot.”
De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee, hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.
“Dit is een leed, dat wij niet kennen,” spraken ze, “en als wij kunnen helpen, laten wij het doen!”
De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:
“Wat is er geschied, dat gij spreekt?”
“Wee—wee,” antwoordden de steenen, “bij uw hart ligt Reynout van Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin, om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan, dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige.”
Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.
Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van tak, een breede schaduw vleiend over den weg.
Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke vlucht zocht den hoogen hemel.
Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven. Bladzijde 122