De Witte Wiven van Tubbergen
Reading edition
Eens, dat een vrouw uit Tubbergen uit den put water schiep, voelde ze plotseling, dat zich een kille hand op haar schouder legde. Ze wendde zich om, en ze zag tot haar schrik, dat haar wel twintig witte wiven hadden omringd. Groot stonden ze bij haar: nevelen, dreigend van vorm en gebaar. Ze kwamen dichter- en dichterbij, zoodat er geen enkele uitweg voor de vrouw bleef Alles was donker, behalve de witte wiven.
Angstig riep de vrouw haar man, doch deze hoorde haar niet.
De witte wive, die haar de hand op den schouder had gelegd, sprak:
“Waarom ben je zoo bang—ga met ons op de bergen dansen.”
“Ik wil niet meegaan,” riep de vrouw uit. “Jullie zijn slecht, dat weet iedereen.”
“Als je bij ons bent, verlang je nooit weer naar de wereld terug.”
“En mijn kind dan? O! witte wiven, laat mij gaan.”
Alle witte wiven, in den kring om haar zwegen. Deze starheid was haar vonnis. Zonder genade waren ze. Als met geboeide handen ging de vrouw mede.
Des avond vermiste men haar op de boerderij. Overal zocht men, doch men vond niets van haar terug. Zelfs niet 't geringste spoor van haar voetstappen was te vinden: een paar stoere knapen daalden in den put, zonder ook maar één vermoeden te brengen, waar zij kon wezen.
Men dacht eerst niet aan de witte wiven, hoewel er bij Tubbergen vele zijn. Het is een kwaadaardig soort in die buurt, met scherpe nagelen, en ze houden van de jacht, die de witte wiven van Lochem haar hebben geleerd. Zij loopen nooit hard … haar passen zijn lang-glijdend en gelijkmatig … echter kan zelfs de vlugste boerenjongen het op den duur niet tegen haar volhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte drommen uit, en, net als koeien, Bladzijde 211die een hond omsingelen, sluiten zij zich in een kring, tot de benarde mensch zich niet meer weet te verweren. Geen gevaarlijker witte wiven dan die uit Tubbergen! Ze weten, wanneer ze een menschenziel kunnen vangen.
't Was een groot verdriet voor den boer, dat hij zijn vrouw had verloren.
Want het zijn menschen der eenzaamheid uit deze streek, trotsche droomers. In geheel Nederland vindt men niet gemakkelijk lieden, die zoo hun gedachten weten te verbergen, en, wat ze eens lief hebben gehad, vergeten ze nooit, daar zij moeilijk de poort van hun hart ontsluiten. Zij toonen geen vreugde en geen smart. Altijd is hun wezen stug. Wie ze veel ontmoet heeft, denkt aan hen met schreiend heimwee terug—en waar hij woont, de menschen van Overijsel kan hij nooit vergeten.
Niemand sprak woorden van troost tot den boer, die zijn vrouw verloren had. Des avonds kwamen zijn buren bij hem, 't lampje brandde, en zij tuurden met hem in 't licht. Iederen avond weder namen zij in stijve houding afscheid—moeilijk de zinnen vindend, welke bij het afscheid worden gezegd—dan blies de boer 't licht uit, en gesterkt door hun gezwegen troost, kroop hij in zijn bedstede. Den volgenden dag was hij klaar voor zijn werk, want hij had te zorgen, dat zijn kind door 't leven kwam.
De buurvrouwen wilden wel voor 't kind zorgen, dat het gewasschen en gekleed werd. De boer verbaasde zich niet, dat het steeds zoo goed voor den dag kwam, even zoo, of de moeder het hielp. Nooit vroeg hij, wie het oppaste. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, wat ze nu voor hem deden, en des avonds in de stilte vroegen ze hem niets.
Het is echter bekend, dat vrouwen onder elkander meer praten dan mannen, en eens, toen de boerinnen uit de streek tezamen waren, bespraken zij, hoe flink het kind groeide, en hoe er een waarlijk-moederlijke hand voor waakte.
Ze meenden, dat nu degene, die zoo deugdzaam was Bladzijde 212om het kind te helpen, wel te voorschijn zou komen, maar de vrouwen zwegen, en zagen elkander aan.
Toen werd er gevorscht naar den naam der bescheiden helpster—: wie zou het wezen, die het kind zoo goed verzorgde? Niemand antwoordde.
De buurvrouwen letten nu voortaan op; wie er des morgens de hoeve binnenging—tot haar verwondering ontdekten ze geen mensch. Alles was stil om de boerderij. En toch was steeds 't kind goed verzorgd.
Men sprak er met den boer over. Wie zou 't wezen, die zóó, zonder iets in ruil te vragen, op den jongen paste?
Inplaats van naar 't werk te gaan, bleef de boer een ochtend voor de deur van zijn hoeve wachten. Geen mensch naderde het huis. Hij wilde al weer naar 't werk gaan … daar hoorde hij eensklaps in de kamer zacht praten.
“Heb je goed geslapen, mijn kindje? D'r is nog zand in de oogjes—ik zal 't d'r uitvegen. En heeft 't kindje gisteren de pap lekker opgegeten? Is 't kindje zoet geweest?”
't Was de stem van zijn vrouw, die daar klonk, met een droevigen klank. Zachtjes opende hij de deur. 't Kind lag in de bedstede, de kleine handjes uitgestrekt, en lachend over heel zijn gezicht. Er was echter niemand anders in 't vertrek.
Op dat oogenblik begreep de man, dat zijn vrouw in der witte wiven macht moest zijn, en hij besloot des avonds met de buren erover te beraadslagen, hoe ze haar moesten bevrijden. Ze verlangde naar haar huis terug, en daarom moesten allen hem raden.
Tot laat in den nacht bleef men bij elkander.
Er werd besloten, dat men heel in de vroegte met een kar naar de belt zou rijden, waar de witte wiven woonden, en de vrouw met geweld mede zou rukken. Men zou zich met geweren wapenen, en deze tegelijkertijd afschieten, opdat de witte wiven op een afstand zouden blijven. Men doorwaakte dezen nacht en eerst, nadat een vage, troebele schemering zich uit den duister had geheven, spande men Bladzijde 213twee vurige paarden voor een wagen, en men reed weg, de bergen tegemoet.
De boeren spraken geen woord, opdat de witte wiven niet zouden weten, hoeveel zij in aantal waren, en dus niet met de vrouw zouden vluchten. Het geleek wel een doodgewoon boerenkarretje, dat op den weg reed, om naar de markt te gaan. De witte wiven kwamen te voorschijn, en ze wachtten bij den weg—
“Op zij,” riep de boer, die 't paard mende, en hij knalde met de zweep.
De wiven lachten.
Ineens sprongen allen uit de kar en schoten de geweren af. De wiven vluchtten, de nevelen weken tot aan den horizon. De boeren volgden haar, en in een heidegroef vonden zij de vrouw, die smeekte:
“Neem mij mee. Ik heb zóó naar mijn kind verlangd.”
Figuur 21.

“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”
“We zijn gekomen, om je los te maken,” sprak de boer ernstig. “Stap nu maar dadelijk op, want anders komen de witte wiven weerom.”
“Nee—nee,” huiverde ze, smeekte ze, “nooit meer de witte wiven.”
“Dat zal ook niet meer gebeuren.”
Ze namen haar bij de hand, en leidden haar naar den wachtenden wagen. Dreigend omdrongen de nevelen haar, de monden wijd geopend (zoodat de witte, slierende tongen te zien waren), de klauwen uitgezet. Wild reden de vurige paarden naar de hoeve terug—met wijde passen liepen de onvermoeide wiven mede, en ze schreeuwden vreeselijke woorden.
“Je komt weerom—dansen op de bergen—gevangen in den sluier—voor eeuwig—Vrouw! we wachten jede tooverwoorden worden gesproken, al zijn ze vreemd—'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen? Ga dadelijk mede terug—dan zul je geen angst kennen. Later mag je niet meer uit vrijen wil komen, als de woorden niet gezegd worden.”
Bladzijde 214Op deze wijze dreigden de witte wiven, tot zij de hoeve waren genaderd. De vrouw liep met gebogen hoofd 't huis binnen—gelijk iemand, die door berouw wordt gekweld.
Buiten dansten de witte wiven, en ze zongen, wachtende, daarbij een lied op een vreemde, eentonige wijs, maar de vrouw kwam niet naar haar toe. Ze hield de handen tot gebed gevouwen.
“God in den Hemel,” zoo bad zij, “Vader der schepselen—verlos mij van den nood—red mij uit de scherpe tanden en klauwen. Leid mij, want de nacht is gekomen, en de morgen nog verre. Ben ik niet als een blinde, daar mijn oogen niet door de duisternis kunnen zien? Ben ik niet als een kreupele, daar er vele steenen liggen op den weg? Wanneer ik mijn armen uitstrek, voel ik, hoe zonder kracht ze zijn, doch met Uw hulp, o Heer, zijn zij sterk en geen zwakheid blijft in mij.”
Haar kind legde men in haar schoot, en toen zeide zij vroom:
“Zoo ik alleen om mijnentwil smeekte, zou ik niet meer wagen, tot Uwen troon te komen. Doch Gij, o Heer, die ook ziet in mijn lichtzinnig hart, en Gij, die alleen weet, welk een moeielijken strijd ik voer tusschen de lokkende zonde en de plichten des levens, zult om der wille van mijn kind ….”
Ze snikte luid.
“Als 't om mijn kind is—dat ik niet in dit huis bleef geef dan Uwen wil te kennen. Want hoe weten wij, arme menschen, wat goed voor ons is?”
Aldus bad en weende zij, terwijl buiten de witte wiven dansten en haar lokten.
De volgende dagen sprak men weinig tot de vrouw. Men liet haar binnen haar gedachten leven, want wie zou kunnen helpen? Stil sloop ze door 't huis en de schuur, en langzamerhand leerde ze weder ieder hoekje kennen.
't Deed haar vreemd aan, dat alles zoo onveranderd was. De roodbonte koe kende haar weder—het dier Bladzijde 215hief den droomerigen kop, en liet zich vol vertrouwen streelen. De geit blaatte, toen ze naderkwam, vol tevredenheid. De hond voor 't hok bleef rustig op zijn plaats staan, turend in de verte. Zelfs de kippen en de haan wisten, dat de vrouw terug was, en als ze over 't erf kwam, liepen ze haar tegemoet, want zeker had ze een restje van aardappelen of kruimels brood. Was ze ooit weg-geweest?
En de dingen—hoe waren zij haar vertrouwd!
De haard, waarboven de ketel hing. De bleek-houten tafel, en de gekleurde, gekramde kopjes. De schotels op den schoorsteen. De klok met zijn vroolijken koekoek. De klompen van haar man. De steenen van den vloer. Buiten 't jaartal met de ijzeren cijfers. 't Riet van het dak met 't groene mos.
Het was goed, om weder tehuis te zijn.
Wanneer de woorden nu maar nooit gesproken werden, die haar weder in de macht der witte wiven zouden brengen! 'Zij gevoelde het, dat zij—hoe vreemd ook—gezegd zouden worden. De witte wiven hadden haar gewaarschuwd:
“'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen?”
Soms geleek 't haar, dat haar hart stil-stond, daar zij de woorden des verderfs in haar ooren hoorde. Ze zweeg zóó lang, tot eindelijk de man weder met haar sprak, en vroeg, of ze nu nooit, nooit weder naar de witte wiven zou terug-gaan.
“Als 't van mij afhing—,” sprak ze, “nee! nooit meer, want ik weet, dat het slecht was, u allen te verlaten, en met de witte wiven van Tubbergen te dansen. Je weet 't, dat 't niet van mij afhangt ….”
Ze zweeg, en in haar oogen was al het leed harer ziel. Niets van haar smart bleef voor hem verborgen.
“Wat is er dan?” vroeg hij weder.
“Er zijn woorden, die nooit gezegd mogen worden.”
Even wachtte hij. Toen hernam hij zachtjes.
“Welke zijn die woorden dan?”
“Weg, jou varken ….” heeten ze. Als die woorden gezegd Bladzijde 216worden, kom ik in de macht der wiven. Zorg, dat ze niet gezegd worden, die woorden.”
Hij lachte luid.
“Ze zullen nooit gezegd worden.”
Zij stond op, en zag hem aan, vol stille boosheid en angst.
“Hoe kun je lachen? Als die woorden gezegd worden, ben ik voor altijd verloren. Wie zal er dan op 't kind passen, en wie boerin zijn op de boerderij? Bid liever voor mij, dat de woorden nooit gezegd zullen worden. Ga naar de meiden en de knechts, ga naar de buren, zeg 't hun, dat ze op hun woorden passen.”
Hij lachte niet meer. Er waren diepe groeven in zijn voorhoofd, nadat hij de meiden, de knechts en de buren had gewaarschuwd. Ze hadden hem allen beloofd, dat ze op zouden passen. En toch … terwijl hij langs het weiland ging, bemerkte hij de witte wiven, en hij hoorde haar zegevierenden lach.
Wat kwam het er voor haar op aan, hoevele jaren het zou duren, dat de vrouw weder met haar op de bergen zou dansen? Zij wisten, dat de woorden moesten worden gesproken, omdat er geen strenger wet is dan het leven.
Het waren vreemde dagen, die volgden. Wanneer de boer van het land in zijn hoeve trad, verwachtte hij telkens, dat de vrouw reeds was vertrokken—dan was hij blijverwonderd, dat ze er nog zat.
“Is er niets gebeurd?” vorschte hij. “Niets? Was er niemand aan de deur?”
Ze antwoordde, zonder op te zien, met doffen klank.
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
In haar stem bleef de zekerheid, dat ze eens gezegd moesten worden, al deze dagen. Dikwerf stond ze aan de deur, en staarde in de schemerige verte. Ze had haar kind en haar huis lief—en toch … Behoorde ze niet aan de witte wiven?
Ze boog haar hoofd voorover, om beter alles te kunnen Bladzijde 217onderscheiden. De witte wiven dansten iederen avond, en ze zongen een melodie van zondige bekoring.
Wat ze had volbracht in de dagen, dat ze bij de witte wiven was geweest … deed zij thans niet meer: nooit zorgde ze voor het kind, en ze liet het aan haar buurvrouwen over. In haar geest was de donkere schaduw … angst en verlangen, om weder op de bergen te mogen zijn, overheerschten haar nu.
Soms gleed zachtjes een witte wive langs de boerderij—als ze zoo op den drempel stond—even wachtende. Dan strekte de vrouw de armen naar haar uit, en de woorden, die verlossing en vloek zouden brengen, drongen zich naar lippen. Waarom zij ze niet zeide? Misschien dacht ze wel aan den eersten dag, dat ze weer tehuis was gekomen, of misschien was het toch wel vrees, om haar kind alleen te laten.
De witte wive gleed verder—gleed langs het hek—over de sloot—gleed in de nevelen van den avond—werd één met de onwezenlijkheid.
Als de man een uur later in de hoeve kwam, zag hij zijn vrouw als steeds bij 't haardvuur zitten. Wanneer hij haar vroeg, of er iets was gebeurd, dien dag, of iemand bij de deur was geweest, klonk haar stem dof en moedeloos:
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
Er kwam een dag, dat de man 't vergat, om de vraag te stellen. Hij had hard gewerkt, en was vermoeid. Daarom ging hij dadelijk slapen.
De vrouw herinnerde hem er niet aan, en voortaan bleef ze met haar gedachten alleen. Zij-zelf zeide het noch de meiden noch de buren noch de knechts, dat zij voorzichtig moesten zijn. Telkens weder streken de witte wiven 'thuis voorbij, toléén harer de vrouw toefluisterde:
“Spoedig wachten we je op de heuvelen.”
Klankloos antwoordde ze, 't hoofd gebogen, de handen naar den grond gestrekt:
Bladzijde 218“Ik weet het, witte wive. Laat het gauw zijn.”
Eenige dagen later was een van de knechten aan het werk, bezig met garven te vleien. Hij bemerkte niet, dat het varken kwam aanwaggelen, tot het dichtbij was, en aan het koren rook. Hij schopte het … even later was 't dier terug.
“Weg jou varken!” riep de knecht ongeduldig.
Toen schoten hem de woorden weder in zijn geest, en hij liet 't koren in den steek. Hij liep, wat hij loopen kon naar den boer toe. Op den akker stond de man, maar die wist reeds, dat er iets vreeselijks was gebeurd.
“Je hebt de woorden gezegd,” riep hij hem van verre toe.
“Ja baas.”
Tezamen gingen ze naar de hoeve. Ze vonden de vrouw niet meer. Er was geen spoor van haar overgebleven. Nooit meer kwam ze terug, en de vloek had zich voltrokken.
Ze danst met de witte wiven op de belten, en ze behoort niet meer bij dit menschengeslacht. Velen hebben haar gezien—ze draagt lichte, grijze kleeren. In haar ooren heeft ze prachtige bellen, schitterend van goud. Om haar hals zijn paarlen. Doch men zegt, dat ze veel heeft geschreid, en dat men haar soms hoort weenen om de zonde, die het einde was van haar leven. Bladzijde 219