De Ridder van Stenhuisheerd
Reading edition
Eens stond er in het Noorden van ons land een groot kasteel, dat heette Stenhuisheerd. Het waren trotsche, driftige ridderen, die er heerschten, willoos tegen hun woede, die meer verderf over de streek hadden gebracht dan honger, ziekte of overstrooming.
Het driftigst van alle ridders was hij, die in het begin der 14⊇ eeuw Stenhuisheerd regeerde.
Hij had een jong, adellijk meisje lief, en hij vroeg haar, of ze zijn vrouw wilde worden.
“Ja,” zeide ze, “als ge uw grootsten vijand overwint!”
“Dat zal ik,” zwoer hij.
“Weet ge, wie het is?”
“Ik zal hem vinden.”
“Wilt ge van mij zijn naam niet hooren?”
“Ik verlang dit niet.”
Hij reed heen, en ze zag, hoe hij zijn paard aanzette. Nog eens riep hij haar toe:
“Wacht nog eenige dagen, en ge zult zijn naam van mij hooren.”
Vele vijanden had de ridder, want hier had hij in drift een mensch gekrenkt, daar iemand in drift gedood. Terwijl hij reed, bedacht hij, wie zijn grootste vijand kon zijn, en hij meende, dat het een ridder was, wiens broeder hij had verslagen. Tallooze malen had hij gehoord, dat deze op wraak zon.
Zijn paard deed hij wenden naar de richting van des vijand's slot.
Wat deed hem echter plots weder de vaart van het dier inhouden?
Hij sloeg zichzelven tegen het voorhoofd.
Wat zou 't hem baten, als hij dezen versloeg. Zou het jonge meisje niet zeggen:
“Ge hebt u door 't dooden van dezen man weder een nieuwen tegenstander geschapen, een nog grooter vijand dan den vorigen. Bloed eischt bloed?”
Bladzijde 155Het duizelde hem.
Wie was zijn grootste vijand?
Hij keerde naar zijn eigen kasteel terug. In den nacht was alle rust hem verre. Gekweld door zichzelven, liep hij de zaal heen en weer, altijd nadenkend:
“Wie is mijn grootste vijand?”
De morgen was geen troost voor hem. Voor zijn oogen bleef een donker floers, gespannen als het duister in den nacht, en zonder ophouden pijnigde hem de angstige vraag. Hij trachtte rustig te bedenken, wien zij wel meenen kon. Nooit zou hij het haar kunnen vragen. Hij gevoelde 't als een vernedering, om weder bij haar te komen, zonder haar wensch te hebben gehoorzaamd. Een nog dieper schande ware het, haar nu te vragen, wien zij bedoelde. Had hij haar niet gezegd, dat hij den vijand wel kende?
Tien nachten en dagen hield hij 't uit. Daarna maakte hem de eeuwig-vragende vraag tot een willoos mensch. Hij reed tot haar, en zonder begroeting riep hij rauw:
“Wie is het, dien ge hebt gemeend! Mensch of duivel … ik zal hem overwinnen.”
Zacht antwoordde ze hem:
“Het is geen mensch en het is geen duivel, die uw grootste vijand mag heeten. Het is uw drift, edele ridder! Geen grooter vijand hebt ge dan dezen.”
Hij deinsde terug, en riep angstig:
“Hoe zal ik dien overwinnen?”
“Gaat ter kerke, en luister geduldig naar de mis. Bid tot God.”
Hij boog zijn hoofd, gelijk een vroom man, en zeide plechtig:
“Om uwentwil zal ik het zwaarste volbrengen.”
“Ik zal u wachten.”
Den volgenden dag wilde hij ter kerke gaan, en hij reed vroegtijdig uit. Hij had 't eene vaste voornemen te doen, wat ze bevolen had.
Bladzijde 156Hij nam den kortsten weg, en dat juist bracht hem ongeluk. Want, nadat hij het boschpad, welk onmiddellijk naar 't bedehuis voerde, had gekozen, zag hij een hert voor zich, dat even den kop met 't zwaar-vertakt gewei naar hem keerde, en vervolgens vluchtte. Toen vergat de ridder van Stenhuisheerd, waarom hij gegaan was. Zijn ziel wist slechts van één verlangen: te jagen.
't Hert vluchtte in dicht bosschage, en met moeite volgde hij het. Dan was 't licht geritsel van den vluggen hoef, strijkend tegen den grond, verre, tot 't dier weder kwam op een open plek, waar 't paard opnieuw won. De ridder herinnerde zich zelfs zijn liefde niet meer. Met driftige stem, met driftige voet en hand zette hij zijn ros aan tot vervolging. In 't kerkje werd de mis al gelezen. Hij had, zonder het te beseffen, zijn geluk verspeeld. En zelfs 't hert zou hij nog niet krijgen. Het lokte hem steeds verder van zijn doel.
Eindelijk was er een beek, waarover het vervolgde dier, even aarzelend, zwom. Daar tegenover werd de grond moerassiger. Licht-zwevend, zonder dat de hoeven den grond even drukten, meer glijdend dan loopend, drong het door het riet, en verdween. Wel kwam de ridder aan den anderen oever—zijn paard daarentegen, al vermoeid van den snellen rit, wist niet te ijlen over den weeken bodem, en, nadat hij vloekend op den grond gesprongen was, vond hij het spoor niet terug. Zooals een waanzinnige, uit onnaspeurlijke oorzaak, weder de dingen bemerkt, zooals hij ze vroeger heeft gezien—wat is er in den tijd geschied, dat hij zichzelven niet kende?—zoo was hij zich ook bewust van de werkelijkheid, en hij ging terug, met woeste gebaren zijn vermoeid paard aandrijvend.
Zoodra het zijn vaart minderde, sloeg hij het, en woest lachte hij, als het steigerend sprong. Hij zwoer en vloekte, dat hij nog op tijd zou komen. Met vreeselijke woorden verdoemde hij het hert, dat hem van de kerk gelokt had. Zeker was de mis al gelezen …
Bladzijde 157Hij naderde het dorpje.
Uit de kerk zag hij de menschen reeds komen, in vrome aandacht nog 't hoofd gebogen. Hij reed midden door de schaar, riep één hunner kort toe, dat hij 't paard zou vasthouden, sprong op den grond, en holde 't bedehuis binnen.
De priester was alleen in de kerk. Hij had zich reeds naar de poort gekeerd, om heen te gaan, en verwonderd zag hij den ridder komen.
Diens stem riep hem reeds van de deur luid tegemoet:
“Zeg voor de tweede maal de mis! Zeg voor de tweede maal de mis.”
Zonder angst luisterde de priester. Goed en rustig antwoordde hij:
“Ge vergist u, mijn zoon! Hoe kunt gij van mij verlangen, dat ik de mis ten tweeden male leze?”
Toen toonde hem de ridder zijn zwaard, en hoonde:
“Ik zal u dooden met dit zwaard, zoo gij mij niet gehoorzaamt.”
“Mijn leven is in uw macht, doch niet mijn wil. Ik vrees den dood niet.”
Weder was het den heer van Stenhuisheerd, of hij het zwarte floers voor zich zag, en het scheen hem toe, dat hij nederstortte. Het zwarte floers werd rood, het week terug voor het daglicht. Hij zag den priester ruggelings op den grond terneder liggen, hemzelf omstuwd van het volk; hij had 't bloedende zwaard in zijn hand, en hij zwaaide ermede, dat iedereen ter zijde liep.
“Moeten er nog meer gedood worden dan deze ellendige priester?” zoo dreigde bij.
Buiten sprong hij op zijn paard. Nogmaals dreef hij 't met wild dreigen aan.
't Was in den laten middag, dat hij 't slot van zijn meisje bereikte. Zij wachtte hem.
“Hebt gij de mis gehoord?” zoo vroeg ze glimlachend.
“Neen.”
Bladzijde 158Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog richtte zij zich op.
“Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?”
Hij hernam met doffe stem:
“Ik kwam te laat.”
Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn zwaard, welk geen blankheid meer had.
“Wien hebt ge gedood?”
“Den priester.”
“Waarom?”
“Omdat hij de mis niet ten tweede male las.”
“Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge mij hebt liefgehad. Vloek over u.”
Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij slechts smeeken, hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:
“Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt, den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen.”
“Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u heb ontmoet.”
“Verdoemd,” fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen kasteel.
Hij had geen berouw.
De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend, een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden ….
Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.
Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?
Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeuren ging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.
Bladzijde 159Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante. Niet op een paard—op een bok. Hij zat achterstevoren, zoodat de heer van Stenhuisheerd het gezicht kon onderkennen. Het was de duivel, met zijn grijnzend gelaat, en hij wenkte hem.
Figuur 14.

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante
Achter elkander reden ze over de slotbrug, hun beide dieren gingen stapvoets, het een onmiddellijk bij 't andere.
“Wat wilt ge van mij?” riep de ridder.
De duivel schaterde.
In den grond zonk het rijke slot, honderden vademen diep, en mèt zijn steenen zonk de heer van Stenhuisheerd, zittend boven op 't paard. De vlakke, kale bodem dekte alles, en wat er overbleef van den trotschen ridder, die over honderden had geheerscht, was niets dan zwavelstank. Bladzijde 160