← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

De Weerter Rogstekers

Reading edition

In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik in te pekelen.

Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.

De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij 't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met 't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven, door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male goed tegen de helden verdedigd.

Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!

Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.

Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met strenge passen en met vreeswekkende Bladzijde 133rimpels in zijn voorhoofd over de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan, of hij de goede burgerij verzekeren wilde: “Zoolang ik schout ben, zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden.”

Aan den anderen kant … áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder 't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit naar de eischen der hoogste kunst.

Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:

“De schout! de schout!” en ze trok hem naar voren.

Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed, die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig veldheer, die zeer goed zijn troepen moed weet te verschaffen, doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar hem niet bereiken kan.

“Burgers!” zoo sprak hij, “de eer onzer goede vaderstad eischt, ja eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens van Sint Joris gehoord.”

De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis, maakten, dat ze weg kwamen.

Bladzijde 134Op een afstand zette de schout zijn rede voort.

“Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen, wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één, twee, drie.”

En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, om hun man maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen; booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief, en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden weg terug snelden, dien ze met zooveel voorzichtigheid heen hadden afgelegd.

De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.

“Mannen van Weert!” zeide hij, “ge zult 't me niet euvel duiden, wanneer ik verklaar, dat ik meer van u had Bladzijde 135verwacht! Leer van mij, dat iedereen wel zeggen kan: ‘Ik heb moed.’ Maar moed, burgers van Weert, is moed, dien men toont.”

Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.

“Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen, want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht, om later een aanval des te beter te doen slagen.”

De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen drongen ze de stad binnen.

“Wat is er hier te doen?”

“Waarmede kunnen wij helpen?”

“We konden niet eerder komen!”

De schout knikte hen vriendelijk toe.

“Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn onverzadiglijken honger.”

De stedelingen en boeren rilden.

“Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods, en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij hiermede gereed Bladzijde 136was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder, een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was 't al in zijn keelgat verdwenen.”

Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog starende. Eindelijk riep één der boeren:

“'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?”

Maar de burgers mokten:

“Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem aan onze spietsen steken.”

Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman, die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de Weertsche helden.

“Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren, heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is maar een visch!”

Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.

De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.

“Jullie moeten eens weer de klok luiden, domme rogstekers!”

Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en Limburg: “de rogstekers,” en ze zullen dien naam behouden, zoolang Weert Weert blijft. Bladzijde 137

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings