De Verborgen Schat
Reading edition
Dichtbij Echt, in het Limburgsch land, is een groote schat verborgen, en wie hem vinden kan, verlost de juffrouw zonder kop van den nood, om te moeten zwerven, waar aardsche menschen wonen.
In het schuchtere voorjaar, als nauwelijks nog de blaadjes durven te gluren, en de lucht van bedeesde blauwheid is, en het zonnelicht zich heel verlegen verschuilt, gelijk een jonge knaap, die zijn liefde niet vermag te uiten, lag bij de ruïne van het Sleutje een boerenjongen te slapen. Wellicht—wie zal het zeggen?—had hem het bier uit Susteren tegoed gesmaakt, en hij verdroomde den eersten lentedag. De verliefde zon vluchtte, zoodra de avond kwam, héél snel, en een gure wind verdrong meedoogenloos alles, wat er nog restte van de onvolkomen, teedere poëzie. Drikus, de boerenjongen, bleef snorken, eerst de milde warmte, daarna de barre kou ten spijt, ja, hij ontwaakte zelfs niet, toen er drie eikels op zijn neus vielen. Toch had hij wakend bewustzijn genoeg—een ondeelbaar deel eener seconde—om zich te verbazen, dat er eikels daalden in de vroege lente, een tijd, die meer is aangewezen op het moeizaam zetten, dan wel op het rijpen der vrucht. 't Bleef echter slechts bij deze haast-wezenlooze verwondering, en het snorken ging bijna geheel onverbroken verder, zonder dat hij lette op den tijd, die verging, en op de plaats, waar hij nederlag …. Het ware beter geweest, dat hij erover had nagedacht: want middernacht naderde, en op deze plek spookt de juffrouw zonder kop, die den bewoners van Echt wraak heeft gezworen. Eeuwen geleden is ze door de burgers dier stad aangevallen, en zonder absolutie gestorven. Wee hem, die haar op Woensdag of Vrijdag ontmoet!
Gelukkig was het een andere dag, dat Drikus bij de ruïne lag te slapen!
Nauwelijks was de klok van middernacht uitgeslagen, of hij ontwaakte door een allervreemdste hitte, dichtbij hem. Hij richtte zich op, en wreef zich over zijn oogen.
“Wat is dat?” vroeg hij bevend.
Bladzijde 179Wat beteekende dat? Een blauwe vlam spartelde en sprankelde, en ineens rammelde een ketel door de lucht, welke haast je rep je op het vuur aanvloog, en daar juist boven bleef hangen. Daar begon het in den ketel te broddelen en te pruttelen en te sissen en te zieden, en de damp kwam eraf, niet aangenaam-riekend als wanneer tante Trees pannekoeken bakte, doch het stonk zonder genade.
“Hatsji!” zei Drikus. “Hatsji! Hatsji!”
Boven tegen den hemel begon het te rommel-donderen. De wilde wind woei en teisterde de takken der boomen. Drikus durfde niet omhoog te zien, en toch kon hij er niets aan doen, dat zijn nekspieren zich kromden en hij zijn hoofd ophief. O ijselijkheid! Aan den hemel reed een gloeiende koets, getrokken door twee zwarte bokken met knoestige hoornen en in hun razende vlucht klapwiekten de vleermuis-vleugelen, die uit de zijden der spookdieren schoten. In den wagen zat een dame in witten mantel. Drikus had nog net den tij d, om zich achter een struik te verstoppen.
Reeds was de juffrouw zonder kop uitgestapt, en vlug liep ze op den ketel toe. Zij nam er het deksel af, maar eensklaps wendde zij zich om, en liep tot Drikus' schrik recht naar den struik. Ze wierp het witte gewaad van zich, en zoo zag de jongen haar bloedrood lichaam, dat eindigde inden afgesneden strot. Bloed droop in groote druppelen van haar keel naar beneden, en bloed droop van haar nederhangende linkerhand, en bloed droop van 't hoofd, dat zij in de rechter hield. Bloed mengde zich met bloed, het daalde naar de aarde, en scheen weder 't roode lichaam op te kruipen, als het gevallen was. Ze was een fontein des bloeds, en niets ging er verloren, het keerde tot de bron weder, waaruit het ten tweeden male, ten derden male, ten duizendsten male ontvlood.
Van haar wendde de ongelukkige man zijn blik naar den ketel, die op 't blauwe vuur stond, en welks stank een angstwekkend geheim verborg.
“Menschenhoofden,” zeide zij. “Ik braad menschenhoofden uit Echt.”
Bladzijde 180In den ketel lag het vleesch ros te roosteren, de oogen der dooden (melk-wit opgezet met in het midden den appel van zielloos zwart) staarden onafgewend naar den jongen man, die met afschuw zag, hoe reeds het vuur de oogen naderde ….
“Stil!” beval de juffrouw zonder hoofd, “en luister naar mij.”
Drikus stond bevende voor haar.
“Het was in tijden van oorlog, dat ik gedood werd, maar vóór dien heb ik mijn goud en mijn juweelen in drie kisten geborgen, en ze onder de aarde begraven, hier op deze plek. Neem dit berkenrijsje en plant het, opdat gij niet vergeten kunt, waar het is! Het is voor mij ook van belang … want ik moet blijven zwerven, zoolang de schat nog niet door menschenhanden op een Dinsdag is opgedolven. Hoe moet gij graven? Met een nieuwe spade. Hoe diep moet gij graven? Zeven, zeven, zeven voeten. Wat moet gij spreken? Geen woord, geen woord …. Neem een helper mede.”
Één kist—één kist Is voor de armen, De tweede, geef de kerk Uit uw erbarmen Met de derde, moogt gij Uzelf verwarmen
Rrrrt! daarmede verdween ze, en Drikus bleef alleen achter, zich de ooren krabbende. Hij liep zoo haastig hij kon naar Echt, om een gezel te zoeken, die hem den volgenden Dinsdag zou willen helpen, en wie was daar beter geschikt voor dan Hannes, zijn vrouw's broer? Hij zeide tegen hem:
“Je mag geen woord spreken,” en Hannes antwoordde:
“Natuurlijk niet.”
Wonderlijk-langzaam gaan de uren voorbij, wanneer ge wacht. Het zonlicht weigert te verschijnen na den langen, lijzigen nacht en als het eindelijk komen moet, op het allerlaatste oogenblik, dan klimt het zijn vaste baan aan den hemel treuzelig en traag, net of het zeggen wil:
“Kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen,” en vóór het twaalf uur is, heeft het wel een etmaal geduurd. Bladzijde 181Zijn gang van het Zuiden naar het Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de aarde maar weder te verlaten, dan bezint het zich plotseling, en doet, of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en werpt een laatsten, zéér langen, weemoedigen blik naar de tintelende vlakte. Het heeft ruim spel, want de avond weigert ondertusschen op zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een visite maakt, niet weg is te krijgen.
Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond, en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in de toekomst hun vertrouwen stellen.
Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.
Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. “Zeven, zeven, zeven voeten,” zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.
“Drikus! daar zit de heks,” schreeuwde hij.
Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen, diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.
En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden. Bladzijde 182