← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Emma van Haarlem

Reading edition

Op het slot van Haarlem woonde een slecht en wreed ridder, die door het volk werd gehaat, en door zijn vrouw bemind. Want elke vrouw is de draagster der liefde, ze heeft al lief om der liefde wil, ja, dikwijls vraagt zij niet, wien ze nu eigenlijk liefheeft. Zij zelve heeft zachte handen en haar oogen schreien gemakkelijk; doch haar vingers spelen gaarne met den forschen nek, en, een vroolijk kind gelijk, woelt ze dartel in den ruigen baard.

Emma van Haarlem wist wel, dat men haar man verafschuwde, en ook wist zij, dat het met reden was. Het volk moest het onduldbare dulden, en hij ging het vertredend en vertrappend voorbij. Hij meende, dat zijn macht eeuwig zou duren, zoo hij angst uitwierp. Hij roofde en moordde en brandde. Ja, hij was als een beest zoo wreed in het dooden, doch als een mensch deed hij doelloos lijden.

Het volk morde. De mannen hielden hun oogen ternedergeslagen, zoo ze den ridder ontmoetten, maar geen der arme schobbejakken vergat het hoofd te ontblooten, ten teeken, dat ze hun haren kort droegen. Hij zag langs hun gebogen ruggen, en de teugels van zijn paard greep hij vaster. Wee hem! den tyran.

Het mokken en mopperen smeulde voort, zonder dat de burchtheer 't bemerkte. Hij bleef een genadeloos man en eindelijk begreep men, dat niemand voor hem veilig was. Men liep te wapen, toen hij op zijn kasteel toefde. Het arme volk belegerde den trotschen burcht en geen hulp was er voor den slechten ridder, die angstig werd om de macht van het gepeupel. Doch zijn vrouw, Emma van Haarlem, glimlachte en zeide:

“Ik zal uw leven redden.”

Had hij er ooit op gerekend, dat men zijn slot zou omsingelen? Waarom had hij niet voor leeftocht gezorgd? Wat gaf het hem, dat hij en zijn garnizoen uitvallen deden, Bladzijde 123waarbij velen der kerels gedood werden? De moed zelve is te breken, echter niet de vrees, die den moed verwekt. Uit vrees, dat de ridder weder zou rooven en moorden, bleven de belegeraars tezamen, en ze trotseerden 't heden, om zich voor de toekomst te vrijwaren. Geen, die het beter begreep, dan de burchtvrouw: zij stelde tegenover de angst des volks haar liefde, en ze berustte onversaagd. Ja, wellicht was ze blijde; dat haar heer niet heen kon gaan, en dat hij altijd bij haar was.

Zoo er ook van het volk tientallen sneuvelden, het volhardde om gracht en muur. De honger werd zijn bondgenoot, vernielender dan de steenen uit een katapult. Van de gewelven braken de steenen los, en 't hout der brug vermolmde. De wachter op den toren kon zijn instrument niet ver doen klinken, en spatten roest kringelden er op de zwaarden.

“We zullen ons moeten overgeven,” zeide de ridder. “We kunnen ons tegen den honger niet verweren.”

Emma zag hem aan, en vroeg:

“Laat mij met het volk spreken!”

De oude kronieken zeggen niet, waarom hij zijn toestemming gaf. In den nevel der sage is haar liefelijk wezen verborgen. Zij ging tot het volk, en men raakte haar niet aan. Heilig moet haar glimlach zij n geweest, omdat men naar haar luisterde. Ja, men moet haar hebben bemind en aanbeden, en zij kon weten, dat men haar wensch wilde vervullen.

Was er een man, die aan 't hoofd der troepen stond? Of heeft zij tot den wilden troep zelve gesproken, welke slechts één doel had: den wreedaard te vernietigen?

“Wat wilt gij?” vroeg men haar. Zij antwoordde:

“Laat mij en mijn vrouwen uit het kasteel trekken.”

Ze sprak geen woord over den ridder, dien men wilde treffen, en men was gerust. Het volk verzette zich niet tegen de vrouwen; Emma van Haarlem en haar dienaressen mochten het kasteel vrijelijk verlaten. Voor den wreeden man zou dan geen genade gelden.

Bladzijde 124“Maar—” aldus smeekte ze—“moet ik dan arm en berooid door 't land trekken? Zal mij niets van mijn rijkdom overblijven?”

“Wij strijden niet tegen uw schatten,” antwoordde men. “Wat wilt gij medenerven?”

“Laat mij het kostbaarste, dat ik heb, mededragen,”

“Het is u toegestaan.”

Nog aarzelde ze, en men vroeg haar, wat ze meer verlangde.

“Zweer het, dat ge mij vrij zult laten gaan, als ik mijn kostbaarste bezit in mijn armen draag. Zweer, dat ge mij noch mijn schat zult vernietigen.”

Men zwoer het gaarne, want men wilde haar toonen, dat 's volks toorn naar vrijheid streefde, niet naar doelloozen dood of doelloozen rijkdom.

Zij ging naar het slot terug, en zeide tot den burchtheer:

“We zijn gered.”

Ze droeg den wreeden ridder van Haarlem in haar armen, want hij was haar kostbaarst bezit. En met moeizame schreden wankelde zij, gebogen door haar last, langs de rijen van het zwijgende volk, dat zijn eed getrouw bleef. Misschien, dat enkelen hun handen tot vuisten balden, denkend aan de slechte daden, die niet door den dood werden verzoend.

Toen zij eindelijk den laatsten man had bereikt, liet zij haar schat los, en zij tweeën, de ridder en zijn vrouw, zagen achter zich. Een wolkje rook, als een nevel, hing reeds boven het kasteel, en plots schoot een spitse vlam uit den toren. Bladzijde 125

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings