Zuwaert, de Martelares van Dordrecht
Reading edition
In de dagen, dat eindelijk Dordrecht en 't land daarom tot het Christendom waren bekeerd, woonde in de stad een vrome maagd, Zuwaert genaamd. Zij was arm, want in haar beurs waren slechts drie penningen, doch ze was rijk, want de drie penningen in haar beurs bleven, wat zij ook kocht. Om dit wonder was ze zeer blijde, niet wegens het geld, dat zij altijd bij zich droeg—doch omdat zij een kerk wilde stichten van haar drie penningen. Zij nam werklieden in haar dienst, die zij de kerk liet bouwen, en ze betaalde hun eerlijk loon uit, al waren het steeds drie penningen, die zij gaf—drie penningen en drie penningen en drie penningen, tot de berg van koperen munt hoog werd, en zij wel een kerk had kunnen bouwen niet alleen van steenen, maar van geld. De werklieden zeiden tegen elkander, dat Zuwaert wel zeer rijk moest zijn, daar zij alléén het grootsche werk volbracht, en zij besloten, om haar te vermoorden en haar van haar geld te berooven. Eens vonden ze haar op een eenzamen weg. Ze aarzelden niet lang, en ze doodden haar. Vervolgens doorzochten zij haar beurs, doch ze vonden slechts drie penningen, drie koperen penningen, en daarom was de moord geschied. Op de plaats, waar zij gestorven was, zagen zij helder water, dat een uitweg zocht van den donkeren grond naar den lichten hemel—een bron ontsprong. Toen werden de werklieden angstig, omdat zij niet meer dan drie penningen hadden gevonden in de altijdrijke beurs der vrouw, en omdat zij de bron zagen, die er vroeger niet was geweest. Ze werden gevat, en men veroordeelde hen ter dood. Zij nu hadden veel berouw om de zonde, die zij bedreven hadden. Tot hun bevrijding rees Zuwaert levend uit haar graf, en ze verloste hen van hun zware boeien. Ze voerde hen naar Rome, waar zij den paus hun misdaad beleden. Zuwaert toonde hem haar hals, waar diep het litteeken in was, dat wel een roode draad geleek, in snoer om den nek gewonden. Zij vertelde Bladzijde 322hem van de drie penningen, die geen drie penningen waren, altijd voortdurende, zoolang zij het had gewild.
Figuur 30.

Zuwaert, de martelares van Dordrecht
Drie koperen penningen waren het, en daarvan bouwde zij de kerk: drie penningen werden zes en zes werden negen en negen werden twaalf; zonder ophouden gingen de penningen door, en zij telden zichzelf. Daarom was ze vermoord, om een rijkdom, die er niet was, en 't litteeken sprak van de drie penningen. Maar toen de drie penningen waren geroofd, bleven zij drie penningen, en ze werden niet meer vermeerderd. Hoe moest nu de kerkvan Dordrecht worden gebouwd?
Toen zegende de paus haar, en gaf haar groote aflaten, even machtig als de drie penningen. Want uit 't geld werden vrome steenen en opene deuren. En het volk in de oude stad was blijde om de kerk, uit het wonder geboren.
Zuwaert is zalig gestorven, niemand weet hoe en waar. Maar haar ter eere sprong de bron, en 't water vlood, drie dreupelen bij drie dreupelen tot een hoogen straal. Want uit de kleine dingen worden de groote geboren, en drie dreupelen worden zes, zes worden negen, negen twaalf, en 't wil niet eindigen in het zichzelf-vermeerderen. Bladzijde 323