← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Zomersneeuw

Reading edition

Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in wijden kring was geschaard.

Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij meer dan zij vermocht.

Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok, om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar innerlijk wezen, bestond?

Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede, besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.

“Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker,” zeide ze iederen dag, wanneer zij—vertrok.

Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den kring liet.

Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.

“Moord,” zoo fluisterde men.

Bladzijde 96De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel daarin terneer als een steen in bodemloos water.

Figuur 9.

De moeder was naast haar jongen neergevallen
De moeder was naast haar jongen neergevallen

De moeder was naast haar jongen neergevallen

De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de roerlooze groep, moeder en kind.

“Wat is hier geschied?” zoo vroeg hij.

Er was een stem uit de menigte:

“De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet ver vandaan.”

't Volk morde:

“De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen.”

Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.

Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.

“Jean—mijn kind.”

Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.

“Hebben ze jou van me weggenomen?”

Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige steenen van den wand. Ze richtte zich iets op—het was alles steen—dat zij vond—klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht, begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.

“'t Kot!” riep ze in angst. “O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn kind dood … en ik in 't gevang!”

Bladzijde 97Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of een zegen?

De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij den schouder.

“Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten,” zoo bevalen zij.

Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.

Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.

Eens zaten daar de schepen, alle zeven, 't Is lang geleden, dat ik 't geschreven vond Om recht te spreken over dood en leven, Terwijl rondom vol vrees het volk stond.

“De schande,” weende ze.

“En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen, Die arme ziel, verlaten en veracht. Maar toch … ze hoort haar innerlijk vermanen Een stem, die heimelijk vertrouwen bracht.

Ze wist het … God was met haar.

Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende, gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen, en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als slechts in den zomer.

De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen in vertwijfeling. Hij was Bladzijde 98de voornaamste man van het dorp, en wie zou haar, een arme weduwe, gelooven?

Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan ook gezien—zoo zeide hij—hoe zij in den vroegen morgen met haar knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan, zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien, en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep, zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.

Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij, de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar misdrijf had gezien. Het was duidelijk—zij had den moord gepleegd; het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze zou alles bekennen—ze deinsde terug met een schrik, dien alleen moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg—dat was 't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf voor haar kon bestaan.

De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.

“Wat hebt gij te zeggen?” zoo vroeg hij.

Nog antwoordde ze niet.

Dringender werd zijn verhoor.

“Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij schuldig zijt.”

Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:

“Ik ben onschuldig.”

Er was een klank in haar gepijnigde stem—de echo van Bladzijde 99haar eerlijk geweten—die even, even een teerder gevoel wekte bij de luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem van den schout door de stilte.

“Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen hebben? Hij een rijk man—gij een arme vrouw?”

“Ik ben onschuldig.”

Toornig riep de schout:

“Gij hebt mannen voor u, geen kinderen.”

De oudste der schepenen vroeg:

“Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?”

Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht toegefluisterd:

“Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is, zoo waar zal uw onschuld blijken.”

Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het luisterende volk.

De schout sprak:

Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar, en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind had vermoord, en in den Jeker had geworpen.

Zou zij het uit armoede hebben gedaan?

Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind werk vroeg.

Twijfelde er iemand aan haar schuld?

Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd. Bladzijde 100

Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan waden En 't nacht kan wezen in den dageschijn …, Zoo min moogt gij gebruik en wet versmaden En mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.

Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag—als de nacht onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht—zou hij in de onschuld der vrouw gelooven.

Hij had uitgesproken.

Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en verduisterden alle licht.

't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.

De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen, noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis, zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.

Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.

Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister, doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd, zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde het graan tegen de heuvelen.

Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder haar gloeide de zomer … insecten kropen af en aan, een rups gleed, een kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige, woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken bogen onder hun zwaren last.

En ieder schrikte over wat gebeurde, Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer, Toen kort daarop de zon weer alles kleurde Toen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.

Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch men zocht den aanklager en vond hem niet.

Moge hij zijn loon hebben ontvangen! Bladzijde 101

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings