← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

De Vliegende Hollander

Reading edition

Een hulpeloos schip in den woedenden storm, en het land nabij. De golven sloegen tegen het zwakke hout, en de wind floot langs de zeilen. De storm eindigde niet, en dreefhet schip Westwaarts en Oostwaarts, Noordwaarts en Zuidwaarts; geen stuurmanskunst kon het leiden. De storm was meester.

De kapitein van der Decken stond bij de mast, en had zijn handen tot vuisten gebald.

“De duivel! ik zal het land bereiken, al zou ik tot den jongsten dag moeten varen.”

“Hahaha,” joelde de storm. “Hahaha,” lachte de duivel. Aan dek van het schip sprak niemand meer een woord. De wind floot. De golven zwiepten en zweepten. Het land was nabij, en bleef verre. De storm duurde voort, van eeuwigheid tot eeuwigheid, geen seconde ging voorbij, zonder den wind.

Figuur 32.

De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid
De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid

De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid

“Laat mij sterven,” bad van der Decken. “Hahaha,” joelde de storm.

De wind dreef hem naar een rots. Te pletter zou 't schip nu loopen. Dit was het einde. Maar de wind dreef hen weder terug. Een kaper naderde. Was er niet een schip in nood? Zeker zou het rijke schatten aan boord dragen. Het was van een Hollander. De storm lachte. Recht-aan zeilden de roovers op de buit toe. Hahahaha—als zij dichtbij waren, sloeg de wind de twee vaartuigen vaneen, en nooit kwamen ze weder tezamen.

“Hahaha,” schreeuwde de duivel, “tot den jongsten dag zult ge varen, als ge niet door de trouw van een meisje wordt verlost. Maar trouw bestaat niet op deze wereld. Haha! Zeil—nooit zult ge rust vinden.”

“Laat mij eens in de zeven jaren aan land gaan—vind ik geen trouw, dan zal ik weer mijn schip bestijgen en zeilen, waar de storm mij slaat.”

“Eens in de zeven jaren—een enkelen nacht—Lach, alle duivelen!”

Bladzijde 333Alle booze geesten lachten; maar boven dezen lach klonk de lach des storms.

“Haha—zeven jaren geslagen aan zeven jaren worden de eeuwigheid. Op! wolken met bliksem, en gierende wind en regen, drijf mij aan tot den jongsten dag. Vloek den Vliegenden Hollander. Op, eeuwig lachen.”

En van alle kanten spotte de lach.

Brieven waren er aan boord, die aan gestorven menschen waren geschreven. Als de brieven maar bezorgd werden. Was er niet in de verte een ander schip? De Hollander praaide. “Neem brieven voor me mee!” riep hij, en hij gooide in den gierenden storm alles over, wat hij kon. Dan werden ze gescheiden. Wee het schip! als de brieven niet aan den mast werden gespijkerd, of wanneer er geer bijbel aan boord was. Het stiet dan tegen een rif en verging.

Om de zeven jaren was er een stille nacht. De sterren blonken. Stil lagen de golven. De Hollander met zijn mannen stapten aan wal. De wegen waren vredig, er was geen gerucht, geritsel en niemand kwamen ze tegen. Des morgens begon de storm weder, met duizelingwekkenden, alles-meeslepender lach. Ze moesten aan boord, de ongelukkigen. Ze werden geslingerd van golf tot golf, en het duurde weder zeven jaren, zeven jaren na zeven jaren.

Aan de kust van Schotland woonde een schipper op een eenzamen berg. In zijn woning hing de schilderij van een jongen, bleeken man, en nooit had de dochter van den schipper verlangd naar zang en dans. Des avonds, als alle jonge menschen op de wijde wegen waren, zat zij in haar huis, en bij 't flikkerend kaarselicht staarde zij naar het schilderij, zichzelf afvragend met angst en geluk, wie die jonge man kon zijn. Soms scheen het haar, of de bleeke lippen zich bewogen, en of er levende smart in zijn oogen was. Dan hoorde ze hem spreken.

“Kom ten dans op de altijd-schuimende golven, als de storm de bruiloftsmuziek speelt. De zee is onze zaal, de Bladzijde 334bliksem ons licht, de wind blaast met duizend doedelzakken. Vereenig u met mij in leven en dood, vraag niet naar zegen of vloek, als gij mij liefhebt.”

“Ik heb u lief,” klaagde zij.

Het was in een vreeselijken nacht, dat een schip haar vader's huis naderde. Alle zeilen waren gespannen, één doel had het zwarte schip: de rots.

“Te pletter zal hij stooten,” riep de schipper.

Hij ging met zijn kleine boot den Hollander tegemoet. Hij riep hem uit de verte toe, dat hij in gevaarlijke branding was.

“Kom aan boord,” riep van der Decken. “Er zal u noch mij leed geschieden. Zeven jaren zijn voorbij. De zee zal roerloos worden.”

De golven werden stil, nadat zijn stem had gesproken. De stormwind zweeg. De Schot kon rustig het zwarte schip bestijgen.

“Bij u moet ik zijn,” zeide de kapitein. “Laat mij één nacht in uw huis wonen, en alle schatten aan boord zijn van u. Ga mee naar de kajuit, ik zal u kostbaarheden toonen, zooals gij ze nog nooit hebt gezien.”

Hij opende de kasten en laden, en zooals zonnelicht, dat de duisternis opent, stroomden de edelsteenen naar alle zijden. De schragen der kasten waren van goud. De laden waren met zilver beslagen. De tafelen waren van rozenhout, met ivoor belegd.

“Dit alles is aan u voor één nacht onderdak,” zei de Hollander.

“Ga met mij mede,” riep de schipper.

“Hebt gij een dochter?”

“Ja, heer.”

“Ik zal met haar trouwen.”

“Een zoo rijk man als gij?”

“Is zij trouw? Geld en goed zijn van den Duivel, de trouw is van God. Kunnen haar woorden liegen?”

“Zij is eerlijk, heer, en den leugen haat ze als den Satan der menschheid.”

Bladzijde 335“Ik ga mede.” Hij trad 't huis binnen, en 't meisje kwam hem tegemoet, als een lang-verwacht gast. Zonder een woord te zeggen, wees ze naar het schilderij. Hij zette zich naast haar, en hij vroeg haar met diepe stem, of zij hem had verwacht.

“Ja.”

“Ook ik heb u gezocht, vele eeuwen zocht mijn ziel de uwe. Want wij behooren bij elkander. Om de zeven jaren ging ik aan land, om u te treffen, doch dit geschiedde nooit. Ik moest terugkeeren in den wachtenden storm.”

“Ik zat bij uw beeld, omdat ik u al vroeger had gezien. Waar? Waar? Ik kon 't antwoord niet vinden. Ik zag naar uw lippen, eens had ik ze eerder gezien bij een levend mensch. Waar? Waar? Uw oogen, met al het leed, dat ik niet kende, en dat ik toch al had ondervonden. Waar? Waar? Hoe? Ook mijn ziel heeft de uwe gezocht, en zonder uw ziel was mijn ziel verlaten.”

“Stil! is er geen storm?”

“Wat spreekt gij van storm? De avond is vredig.”

“Zijn er geen wolken aan de lucht, donker en dreigend?” “Alle sterren schitteren.”

“Roepen mijn mannen mij niet, dat ik weer aan boord zal gaan?”

“Het is stil op zee.”

“Hebt gij me lief?”

“Ja.”

“Ge kent me. Weet ge, wie ik ben.”

“Noem uw naam.”

“Als ik mijn naam noem, zijt ge mij niet meer trouw. Als gij me niet meer trouw zijt, wordt gij verdoemd. Dat is de wet.”

“Ik vrees de wet niet. Ik ben u trouw.”

“Hebt gij mijn naam ooit gehoord?”

“Niet den naam, dien gij nu draagt. Wel den naam, dien ik liefhad.”

“De Vliegende Hollander heet ik. Ik heb den Duivel Bladzijde 336verzocht, en er bestaat geen verlossing voor me, anders dan door u. Als ik verlost word, moet ik sterven. Niet een levend man hebt gij lief.”

“Lief heb ik de eeuwige ziel. Mijn ziel zoekt de uwe.”

“De storm steekt op in de verte.”

“Het is een ver gerucht, dat menschen maken.”

“Het is de storm. Luister!”

“Ik vrees niet—”

“De golven slaan tegen mijn schip. De mannen roepen mij.”

“Ik ben bereid met u te gaan.”

“Niet met mij. Blijf!”

“Ik ga met u.”

“Ik wil niet, dat ge met mij gaat. Liever wil ik rusteloos zwerven, nu eeuwig rusteloos, want na dezen dag vind ik u niet weder. De golven zullen slaan, de storm zal huilen, en ik zal nooit meer aan land gaan, want ik heb er niets meer te zoeken. Vaarwel.”

“Niet vaarwel.” Ze legde haar armen om zijn hals. “De morgen is nog verre. Blijf bij mij. Nog eenige uren leven, tezamen leven.”

“Dieper is dan 't ongeluk na zooveel geluk. Geen herinnering meer mag uw ziel, mijn ziel zoekend, bezitten. Ik zeg u, dat ik verdoemd wil zijn.”

“Ik ben trouw. Uw noodlot is, dat ik trouw ben, en daarom zal ik moeten sterven, gelijk zoovelen.”

“Duizenden levens zijn in uw eene leven besloten. Bedenk, dat het beter is, niet veel geluk te kennen. Laat me dus gaan.”

“Ben ik niet een ziel aan u gelijk, zwervend in eeuwigheid, gaande van tijd op tijd aan rustig land? Trouw wil ik zijn.”

“Gij zult 't niet zijn. Blijf leven.”

“Ik zeg geen vaarwel.”

“Ik verlaat u.”

“Ik ga met u.”

Bladzijde 337Zij gingen tezamen. De zee lag wijd voor hen. Bliksemsnel schreed hij over de golven naar 't wachtend schip. De storm werd luider: al aan den horizon was zijn lach, dien de schuimende golven mededroegen.

“Vaarwel—”, antwoordde ze van de hooge rots. “Ik wil bij u zijn. Ik ben u trouw tot in den dood.”

Zij stortte zich in zee.

Toen kraakte het schip in zijn gebinten, en de Vliegende Hollander zonk in de zee, verlost van den vloek. Bladzijde 338

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings