Note 15 — Aanteekeningen
Reading edition
Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover 't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de “nuchterheid” der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16⊇ eeuw deze nuchterheid te constateeren, in de 17⊇ wordt de strijd voortgezet en in 't midden der 19⊇ eeuw voert M. D. Teenstra in zijn “Volksverhalen en Legenden” de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en al het bovenzinnelijke te betwijfelen. Zijne nuchterheid echter, die bijvoorbeeld tot onnoemelijk na Bladzijde 371deel van de Kunst in ons land heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen15 ten goede gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.