← Table of contents
De Lof der Zotheid

Vorsten.

J. B. Kan translation

Illustration from De Lof der Zotheid

Maar ik laat die acteurs, die even ondankbare verloochenaars mijner weldaden als goddelooze schijnheiligen zijn, gaarne rusten. Want ik wensch reeds lang het een en ander in het midden te brengen over de vorsten en hooggeplaatste hovelingen, die mij zoo ongehuicheld en met een zulken edelen mannen waardige rondborstigheid dienen. Als zij maar een greintje gezond verstand hadden, zou er dan iets droevigers of afschuwelijkers bestaan dan hun leven? Want geen mensch ter wereld zal wel door een meineed of vadermoord de heerschappij meer willen koopen, als hij bedenkt, welk een reusachtigen last hij op zijn schouders torst, die inderdaad als vorst wil optreden. Immers hij, die het roer van staat hanteert, heeft de algemeene, niet zijn eigen zaken te behartigen; hij behoort over niets dan over de staatsbelangen te denken; hij mag van de wetten, die hij zelf niet alleen geeft, maar ook uitvoert, zelfs geen duimbreed afwijken; hij moet de eerlijkheid van alle overheden en beambten waarborgen; hij alleen is aan aller blikken blootgesteld, daar hij of als een goed gesternte door onbesproken gedrag de wereld hoogst gelukkig, of als een verderfelijke komeet haar diep ongelukkig kan maken. Hij vergete niet, dat de ondeugden van andere menschen niet zoozeer gevoeld worden noch haar gevolgen zich zoover uitstrekken; dat een vorst op zulk een hoog standpunt zich bevindt, dat, als hij maar een weinig van den weg der deugd afwijkt, hij al dadelijk het leven van een groot aantal menschen bederft, voorts omdat de bevoorrechte toestand der vorsten zooveel meebrengt, dat hen op een dwaalspoor voert, als daar zijn genietingen, vrijheid, pluimstrijkerij, weelde, hij daarom des te meer zijn best moet doen en zorgvuldiger waken, dat hij zelfs niet door het bedrog van anderen in het vervullen van zijn plichten te kort schiet: eindelijk, om nu niet te spreken van al de lagen en den haat, waaraan hij blootgesteld is, en al wat hem gevaar en vrees veroorzaakt, dat hem het oordeel van dien waren koning boven het hoofd hangt, die na korten tijd van hem rekenschap zal vorderen van ook het kleinste vergrijp en dit des te strenger, hoe hooger hij in het bewind geplaatst is geweest. Als een vorst dit, zeg ik, en zeer veel van dien aard bij zich overwoog,—en dit zou hij doen, als hij wijs was—dan zou hij evenmin lekker kunnen slapen als eten. Maar nu hebben zij ’t aan mijn goedheid te danken dat zij al deze zorgen aan de goden overlaten, zelf een lekker leventje leiden en naar niemand luisteren behalve naar hem, die hun iets aangenaams weet te zeggen, om zoo van alle kommer vrij te blijven. Zij gelooven hun taak als vorst in alle opzichten vervuld te hebben, als zij gedurig jagen, als zij mooie paarden houden, als zij ambten en posten te hunnen bate verkoopen, als zij dagelijks nieuwe middelen uitdenken om de beurzen hunner onderdanen lichter en hun schatkist zwaarder te maken, maar zoo, dat zij geschikte gronden weten te vinden om deze handelwijze, ook al is zij hoogst onbillijk, toch eenigen schijn van billijkheid te geven. Zij voegen daarbij met opzet een weinig vleierij om zoo de gemoederen van hun volk, hoe dan ook, voor zich in te nemen. Stelt u hen eens voor oogen, zooals zij niet zelden zijn, onbekend met de wetten, schier vijanden van de staatsbelangen, immer tuk op hun eigen voordeel, de slaven der zinnelijkheid, vol afkeer van geleerdheid, vol afkeer ook van de vrijheid en waarheid, over niets minder dan over het heil van den staat denkende, maar alles naar hun willekeur en naar hun belang afmetende; geeft vervolgens zulk een vorst een gouden halsketting, het toonbeeld van alle eendrachtig samenhangende deugden; voorts een met paarlen versierde kroon, zeker bestemd om hem te herinneren, dat hij in alle heldendeugden boven zijn medemenschen moet uitmunten; daarenboven een schepter, het symbool der rechtvaardigheid en volslagen onomkoopbaarheid; eindelijk den purperen mantel, het bewijs van een warme liefde jegens den staat: als een vorst deze dracht vergeleek met zijn levenswandel, dan geloof ik, dat hij zich diep zou schamen over zijn sieraden en vreezen, dat de een of ander neuswijze schelm dezen tragischen opschik zoo zou verklaren, dat de drager een voorwerp van den algemeenen spot werd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings