De Fortuin begunstigt de dwazen.
J. B. Kan translation



Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk is: “men moet alles op één worp zetten.” Maar de wijsheid maakt de menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven, wat is dan onnutter dan wijsheid of liever, wat is bij dit slag van menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden, wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed, als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten, dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes, de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom, waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden, vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken, maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven—die niets bewijzen.