XXXIX.
Reading edition
Het land van den elleboog van den Niger.—Phantastisch gezicht van het gebergte Homberi.—Kabra.—Tombuctou.—Plan van doctor Barth.—Val.—Waarheen de hemel wil.
Gedurende dien Maandag deed doctor Ferguson aan zijne reisgezellen talrijke mededeelingen aangaande de streek, welke zij doortrokken; de grond, die vrij vlak was, stelde hun tocht geen hinderpaal in den weg. De eenige zorg des doctors was over dien noordoosten wind, die hevig woei en hem van de breedte van Tombuctou verwijderde. De Niger, na tot aan deze stad noordwaarts op te zijn gegaan, kromt zich even als een groote straal water, en valt in den Atlantischen Oceaan; in dien elleboog is het land zeer verscheiden, nu eens weelderig vruchtbaar, dan eens uiterst dor; de onbebouwde velden volgen op maïsvelden, die vervangen worden door uitgestrekte velden met bremstruiken bedekt; alle soorten van watervogels, pelikanen, talingen, martijnsvogels, leven in talrijke troepen op de oevers der stroomsnellingen en moerassen.


Een wolk van sprinkhanen. Blz. 220.
Inderdaad ontrolde zich de koningin der woestijn, het geheimzinnige Tombuctou, dat even als Rome en Athene hare scholen van geleerden en leerstoelen van wijsbegeerte heeft gehad, voor de blikken der reizigers. Ferguson volgde de minste bijzonderheden op den platten grond, door Barth zelf geteekend en erkende de uiterste nauwkeurigheid daarvan. De stad vormt een grooten driehoek beschreven in eene onmetelijke vlakte van wit zand, de top richt zich naar het noorden en loopt een eind de woestijn in; in de omstreken vertoonen zich nauwlijks eenige grasplanten, kleine mimosa’s en heesters. Wat het gezicht van de stad betreft, dit heeft veel van een opeenhooping van ballen en dobbelsteenen; zoo ziet zij er uit als men haar uit een luchtballon overziet, de vrij nauwe straten zijn omzoomd met huizen, die slechts eene verdieping hoog, en gebouwd zijn van in de zon gebakken tichelsteenen, en hutten van stroo en riet, eenige kegelvormig, anderen vierkant; op de terrassen zijn eenige mannen in hun schitterenden mantel gehuld, achteloos uitgestrekt, met de lans of het musket in de hand; op dit uur van den dag ziet men geene vrouwen. “Maar men zegt dat zij schoon zijn,” voegde de doctor daarbij. “Gij ziet de drie torens der drie moskeën, die alleen van een groot aantal zijn overgebleven; de stad heeft zeer veel van haren ouden luister verloren. Aan den top des driehoeks verheft zich de moskee van Sankore met hare galerijen, die op vrij schoone bogen rusten; verder, bij de wijk Sane-Gungu, is de moskee van Sidi, Jahia en eenige huizen met twee verdiepingen; zoekt geene paleizen noch monumenten; de Scheik is een eenvoudig handelaar en zijne koninklijke woning een kantoor.”—“Ik meen half omvergeworpen wallen te zien,” zeide Kennedy.—Zij zijn in 1826 door de Foullanahs verwoest; toen was de stad een derde grooter; want Tombuctou, sedert de elfde eeuw het voorwerp der algemeene begeerlijkheid, heeft achtereenvolgens toebehoord aan de Touaregs, de Sonrayers, de Marokkanen, de Foullanahs. En dit groote middelpunt der beschaving, waar een geleerde als Ahmed-Baba in de zestiende eeuw eene bibliotheek van 1600 handschriften bezat, is nu slechts eene stapelplaats van den handel van Midden-Afrika.
De stad scheen inderdaad zeer zorgeloos bewaakt te worden, zij kenmerkte de aanstekende achteloosheid van steden, die vervallen; onmetelijke puinhoopen waren in de voorsteden opeengestapeld en vormden met den heuvel van de markt de eenige oneffenheden van den grond. Toen de Victoria voorbijtrok, ontstond er wel eenige beweging, de trom werd geroerd, maar nauwlijks had de laatste geleerde dier plaats den tijd dit verschijnsel waar te nemen; de reizigers, door den wind der woestijn teruggedreven, hernamen den kronkelenden loop der rivier en weldra was Tombuctou niets meer dan eene der vluchtige herinneringen hunner reis.—“En nu geleide de hemel ons, waar het hem behage.”—“Als het maar naar het westen is,” antwoordde Kennedy.—“Bah!” zeide Joe, “al kwamen wij te Zanzibar langs denzelfden weg terug, of al moesten wij den Oceaan oversteken naar Amerika, dat zou mij niet bevreesd maken.”—“Men zou het eerst moeten kunnen, Joe.”—“En wat ontbreekt ons daarvoor?”—“Gas, mijn jongen; de stijgkracht van den ballon vermindert merkbaar, en wij zullen dus zeer zuinig daarmede moeten zijn, opdat hij ons naar de kust voere. Ik zal zelfs genoodzaakt zijn ballast uit te werpen. Wij zijn te zwaar.”—“Dat is het gevolg van het niets doen en van den geheelen dag als een luiaard in zijne hangmat te blijven liggen, meester, men wordt vet en zwaar. Onze reis is eene reis van luiaards en als wij terugkomen zal men ons afschuwelijk dik en vet vinden.”—“Ziedaar opmerkingen, die Joe waardig zijn,” antwoordde de doctor; “maar wacht op het einde; weet gij wat de hemel ons weglegt? Wij zijn nog ver van het einde onzer reis.”—“Waar gelooft gij de kust van Afrika te bereiken, Samuel?”—“Ik zou zeer in verlegenheid zijn om te antwoorden, Dick! wij zijn aan de genade van zeer veranderlijke winden overgegeven, maar ik zal mij gelukkig achten als ik tusschen Sierra-Leona en Portendick aankom; daar is eene streek waar wij vrienden zullen ontmoeten.”—“En het zal ons genoegen doen hun de hand te drukken; volgen wij nu de begeerde richting?”—“Niet volkomen, Dick; zie de magneetnaald; wij gaan naar het zuiden en gaan den Niger opwaarts naar zijne bronnen.”—“Eene fraaie gelegenheid om die te ontdekken,” zeide Joe, “als zij niet reeds bekend waren; zou men geene andere bronnen van hem kunnen vinden?”—“Neen, Joe, maar wees gerust, ik hoop dat wij zoo ver niet zullen gaan.”
Toen de nacht viel, wierp de doctor de laatste zakken ballast uit; de ballon steeg; de gaspijp, hoewel met volle vlam werkende, kon hem nauwelijks op zijne hoogte houden; hij was toen zestig mijlen bezuiden Tombuctou, en des anderen daags ontwaakte men aan de oevers van den Niger, niet ver van het meer Debo.