XXXII.
Reading edition
De hoofdstad van Bornou.—De eilanden der Biddiomahs.—De Condors.—De ongerustheid van den doctor.—Zijne voorzorgen.—Een aanval in de lucht.—Het gescheurde omkleedsel.—De val.—Verhevene opoffering.—De noordelijke kust van het meer.
Sedert zijne aankomst aan het meer Tchad had de doctor een luchtstroom gevonden, die hem meer naar het westen voerde, eenige wolken matigden de hitte van den dag, en men gevoelde overigens op deze groote uitgestrektheid water een weinig koelte; maar tegen een uur naderde de ballon, dit gedeelte van het meer schuin overgestoken zijnde, op nieuw liet land.

De stad Kouka. Blz. 178.
De doctor eerst een weinig teleurgesteld over deze richting, beklaagde er zich niet meer over, toen hij de stad Kouka, de vermaarde hoofdstad van Bornou, bemerkte; hij kon haar een oogenblik zien, omringd met hare muren van witte klei; eenige moskeeën verhieven zich boven deze menigte dobbelsteenen, waarop de arabische huizen hier gelijken. In de tuinen achter de huizen en op de markten groeiden palm- en caoutchoucboomen, gekroond met een tooisel van bladeren meer dan honderd voet breed. Joe deed opmerken dat deze ontzettend groote parasols in overeenstemming waren met de zonnestralen.
Tien minuten later was de troep op een geweerschot-afstand genaderd; deze veertien vogels deden de lucht van hunne schorre kreten weergalmen, zij naderden den ballon meer verwoed dan verschrikt over zijne tegenwoordigheid.—“Wat schreeuwen zij,” zeide Joe, “welk geweld! Het staat hun waarschijnlijk niet aan, dat men hun gebied betreedt en zich veroorlooft te vliegen zoo als zij.”—“In waarheid,” zeide de jager, “zij zien er vrij verschrikkelijk uit, en ik geloof dat zij zeer geducht zouden zijn als zij eene goede karabijn hadden!”—“Zij hebben die niet noodig,” antwoordde Ferguson, die zeer ernstig werd.
De condors vlogen rond in ontzettend groote kringen, die langzamerhand om den ballon kleiner werden; zij doorkruisten de lucht met eene phantastische snelheid, soms met de snelheid van een kogel dalende. De doctor ongerust zijnde besloot te stijgen om deze gevaarlijke vogels te ontkomen. Maar de condors stegen met hem, weinig geneigd om hem te verlaten.—“Het schijnt dat zij het op ons hebben voorzien,” zeide de jager, zijne karabijn ladende.—Inderdaad zij naderden, en meer dan een kwam op nauwelijks vijftig voet afstands en scheen de wapens van Kennedy te braveeren, “Ik heb machtig grooten lust op hen te schieten,” zeide deze.—“Neen, Dick, laat ons ze niet woedender maken. Dat zou hen aansporen om ons aan te vallen.”—“Maar ik zou ze gemakkelijk overwinnen.”—“Gelooft gij dat! gij bedriegt u, Dick.”—“Wij hebben meer dan een kogel voor elk van hen.”—“En als zij op het bovenste gedeelte van den ballon nederschieten, hoe zult gij hen dan bereiken? Stel u voor dat gij u bevindt in tegenwoordigheid van een troep leeuwen op de aarde, of haaien in volle zee! Voor den luchtreiziger is de toestand even gevaarlijk.”—“Spreekt gij in ernst, Samuel?”—“Zeer zeker, Dick.”—“Wachten wij dan.”—“Wacht. Houd u gereed in geval van aanval, maar vuur niet zonder mijn bevel.”
De vogels schoolden toen op geringen afstand zamen; men zag duidelijk hun hals uitgestrekt door hun geschreeuw, hunne kraakbeenachtige kuif, met paarsche tepeltjes bezet, verhief zich van woede. Zij waren van de grootste soort; hun lichaam was meer dan drie voet lang en het bovenste gedeelte hunner witte vleugels schitterde in de zon; men zou hen gevleugelde haaien hebben genoemd, waarmede zij zeer veel overeenkomst hadden.—“Zij volgen ons,” zeide de doctor, toen hij hen met zich zag stijgen, “en al stijgen wij nog zoo hoog, hun vlucht zou hen nog hooger voeren.”—“Wat dan te doen?” vroeg Kennedy.—De doctor antwoordde niet.—“Hoor, Samuel,” hernam de jager, “wij hebben 17 schoten tot onze beschikking, als wij met al onze wapenen vuur geven; is er geen middel hen te vernietigen of te verstrooien? Ik belast mij met een zeker aantal.”—“Ik twijfel niet aan uwe behendigheid, Dick, ik geloof gaarne dat zij, die den mond uwer karabijn voorbijvliegen, dood zullen nedervallen, maar, ik herhaal het, als zij het bovenste gedeelte van den ballon aanvallen, kunt gij hen niet meer zien, zij zullen dit omkleedsel, dat ons houdt, verscheuren, en wij zijn 3000 voet hoog.”
Op dit oogenblik schoot een der wildste vogels recht op den ballon toe met open bek en klauwen, gereed om te bijten en te verscheuren.—“Vuur, vuur!” riep de doctor uit. Nauwelijks had hij dit woord uitgesproken of de vogel viel, doodelijk getroffen. Kennedy had een der geweren met dubbelen loop genomen, Joe nam het andere.
Verschrikt door de losbarsting verwijderden de condors zich voor een oogenblik, maar kwamen bijna terstond woedend terug. Kennedy trof met zijn eersten kogel juist den hals van den naasten, Joe verbrijzelde den vleugel van den anderen.—“Niet meer dan elf,” zeide hij.—Toen veranderden de vogels van tactiek en verhieven zich gezamenlijk boven den ballon. Kennedy zag Ferguson aan. Ondanks zijn moed en zijne koelbloedigheid verbleekte deze. Er heerschte een oogenblik een verschrikkelijk stilzwijgen. Vervolgens hoorde men een gekraak als van het scheuren van zijde en het schuitje schoot weg onder de voeten der drie reizigers.—“Wij zijn verloren,” riep Ferguson uit, de oogen op den barometer slaande, die aanhoudend rees.—“Weg met den ballast.” In eenige oogenblikken waren alle stukken kwarts verdwenen.—“Wij dalen steeds! Ledigt de waterbakken?—Joe! hoort gij?—Wij storten in het meer!” Joe gehoorzaamde, de doctor boog zich omlaag. Het meer scheen tot hem te komen als het wassende tij; de voorwerpen werden zichtbaar grooter, het schuitje was slechts 200 voet van het water verwijderd.—“De mondbehoeften!” riep de doctor. En de kist die haar bevatte werd weggeslingerd. De val werd minder snel, maar de ongelukkigen daalden steeds. “Werpt nog meer weg,” riep de doctor voor de laatste maal.—“Er is niets meer,” zeide Kennedy.—“Zeker!” antwoordde Joe, en hij verdween over den rand van het schuitje.——“Joe! Joe!” zeide de doctor verstijfd van schrik. Maar Joe kon hem niet meer hooren. De verlichte Victoria begon weder te stijgen tot op duizend voet hoogte, en de wind in het verscheurde omkleedsel vallende, voerde hem naar de noordkust van het meer.—“Verloren!” zeide de jager met een kreet van wanhoop.—“Verloren om ons te redden!” antwoordde Ferguson.—En deze zoo stoutmoedige mannen kregen tranen in de oogen; zij bogen zich voorover om eenig spoor van den ongelukkigen Joe te ontdekken, maar zij waren reeds te ver. “Wat zullen wij doen?” vroeg Kennedy.—“Dalen zoodra het mogelijk is, Dick, en dan wachten.” Na een tocht van zestig mijlen daalde de Victoria op eene onbewoonde kust neder, ten noorden van het meer; de ankers hechtten zich vast in een niet zeer hoogen boom en de jagers maakten hen stevig vast. De nacht kwam, maar Ferguson noch Kennedy konden den slaap vatten.

De val van Joe. Bladz. 180.