← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XV.

Reading edition

Kazeh.—De woelige markt.—Verschijning van den Victoria.—De Wanganga.—De zonen der Maan.—Wandeling des doctors.—Bevolking.—De koninklijke tembé.—De vrouwen des Sultans.—Eene koninklijke dronkenschap.—Joe wordt aangebeden.—Hoe men in de Maan danst.—Omkeering.—Twee manen aan het uitspansel.—Vergankelijkheid der goddelijke grootheid.

Kazeh, een belangrijk punt van Midden-Afrika, is geene stad; eigenlijk gezegd is er geene stad in het binnenland. Kazeh is slechts eene verzameling van zes groote uitgravingen. Daarin vindt men hutten, hokken voor slaven, met kleine zorgvuldig bebouwde tuinen; uien, aardappelen, witte morellen, pompoenen en paddestoelen van een heerlijken smaak groeien er welig.

Unyamwezy is het land der Maan bij uitnemendheid, het vruchtbare en prachtige park van Afrika; in het midden ligt het district Unyanembé, eene heerlijke landstreek, waar eenige familiën van Omanen, die van eene zuivere Arabische afkomst zijn, een werkeloos leven leiden. Ze hebben langen tijd handel gedreven in het binnenland van Afrika en in Arabië, in gom, ivoor, sits en slaven; hunne karavanen doorkruisten deze streken onder den evenaar gelegen; zij gaan nog op de kust de voorwerpen van weelde en vermaak voor deze rijke kooplieden halen, die te midden van vrouwen en dienaars, in deze bekoorlijke luchtstreek een rustig arkadisch leven leiden zonder de minste ongerustheid. Zij liggen, lachen, rooken en slapen altijd.

Eensklaps hield deze beweging en dit geraas op. De ballon was in de lucht verschenen; hij zweefde sierlijk en daalde langzamerhand, zonder van den loodrechten stand af te wijken. Mannen, vrouwen, kinderen, slaven, kooplieden, Arabieren en Negers, alles verdween en verborg zich in de “tembés” en de hutten.

“Mijn waarde Samuel,” zeide Kennedy, “als wij meer zulken invloed uitoefenen, zullen wij moeite hebben handelsbetrekkingen met die lieden aan te knoopen.”—“Men moest echter,” zeide Joe, “eene zeer eenvoudige handelwijze volgen. Dit zou zijn, stil neder te dalen en de kostbaarste koopwaren mede te voeren, zonder ons om de kooplieden te bekommeren. Men zou rijk worden.”—hernam de doctor, “deze inlanders zijn reeds op het eerste oogenblik bang geweest, maar zij zullen uit bijgeloof of nieuwsgierigheid weldra terugkomen.”—“Gelooft gij dat, meester?”—“Wij zullen het weldra zien, maar het zal voorzichtig zijn, hen niet te dicht te naderen; de Victoria is geen geharnaste ballon, hij is dus niet bestand tegen een kogel of een pijl.”—“Zult gij dan met deze Afrikanen in onderhandeling treden?”—“Als dat kan, waarom niet?” antwoordde de doctor; “er moeten te Kazeh minder woeste Arabische kooplieden zijn. Ik herinner mij dat de heeren Burton en Speke zich over de gastvrijheid der inwoners van de stad niet te beklagen hadden. Wij kunnen dus de zaak beproeven.”

Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.
Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.

Paleis van een afrikaansch sultan. Blz. 79.

De Victoria langzaam de aarde genaderd zijnde, hechtte zich met een der ankers aan een boomtop, dicht bij de markt. De geheele bevolking kwam op dit oogenblik weder uit zijne gaten te voorschijn, de hoofden staken er met omzichtigheid uit. Verscheidene “Waganga,” herkenbaar aan hunne teekens van kegelvormige schelpen, naderden stoutmoedig; zij waren de toovenaars der plaats. Zij droegen om hun midden kleine zwarte pakjes met vet overtrokken en verschillende voorwerpen van tooverkunst, die overigens van eene doctorale onzindelijkheid waren.

Langzamerhand hoopte de menigte zich aan hunne zijden op, de vrouwen en kinderen omringden hen, de trommels wedijverden met geraas, de handen werden ten hemel opgeheven.—“Dit is hunne manier van bidden,” zeide de doctor, “als ik mij niet bedrieg zullen wij geroepen worden om eene groote rol te spelen.”—“Welnu, mijnheer! speel die.”—“Gij zelf, mijn brave Joe! zult een god worden.”—“Dat verontrust mij niet, mijnheer! en de wierook mishaagt mij niet.”

Op dit oogenblik maakte een der toovenaars, een “Myanga,” een gebaar, en al het geschreeuw bedaarde op eens. Hij sprak eenige woorden tot de reizigers, maar in een onbekende taal.—Daar doctor Ferguson hem niet had verstaan, sprak hij los weg eenige Arabische woorden en men antwoordde hem terstond in die taal. De redenaar hield eene lange en bloemrijke aanspraak; de doctor bemerkte weldra dat de Victoria kort en goed voor de Maan in persoon werd gehouden en dat die beminnelijke godin zich verwaardigd had met hare drie zonen de stad te naderen, eene eer, die nooit zou worden vergeten in dit door de Zon beminde land. De doctor antwoordde met eene groote waardigheid dat de Maan alle jaren hare departementen bezoekt, omdat zij de behoefte gevoelt zich nader bij hare aanbidders te toonen; hij bad hen dus zich niet te geneeren en van hare goddelijke tegenwoordigheid misbruik te maken om hunne behoeften en wenschen te kennen te geven. De toovenaar antwoordde op zijne beurt, dat de sultan de “Mwani,” die sedert verscheidene jaren ziek was, de hulp des hemels inriep en de zonen der Maan uitnoodigde om bij hem te komen. De doctor deelde de uitnoodiging aan zijne metgezellen mede.—“En gij zult u naar dien negervorst begeven?” zeide de jager.—“Zonder twijfel. Deze lieden schijnen mij goed geluimd, de lucht is kalm, er is geen de minste wind! wij hebben voor den Victoria niets te vreezen.”—“Maar wat zult gij doen?”—“Wees gerust, mijn waarde Dick, met een klein geneesmiddel zal ik mij er uitredden.”—Toen zich tot de menigte wendende zeide hij: “De Maan, medelijden hebbende met den vorst zoo geliefd bij de inwoners van Unyamwezy, heeft ons de zorg voor zijne genezing opgedragen; dat hij zich gereed make ons te ontvangen!”

Het geschreeuw, het gezang verdubbelde, en de groote menigte zwarte hoofden zette zich in beweging.—“Nu, mijne vrienden!” zeide doctor Ferguson, “men moet alles voorzien; wij kunnen in een zeker oogenblik genoodzaakt zijn spoedig weder te vertrekken. Dick zal dus in het schuitje blijven en door middel van de gaspijp zal hij eene voldoende stijgkracht behouden. Het anker is stevig vastgemaakt, dienaangaande is er niets te vreezen. Ik zal op de aarde nederdalen. Joe zal mij vergezellen, maar hij zal aan den voet der ladder blijven.”—“Hoe! zult gij alleen naar dien Moor toegaan?”—“Hoe, mijnheer Samuel! gij wilt niet, dat ik u tot aan het einde volg?”—“Neen, ik zal alleen gaan, deze brave lieden verbeelden zich dat hunne groote godin de Maan hen is komen bezoeken, ik word door het bijgeloof beschermd; hebt dus geene vrees en blijft ieder op den post, dien ik u aanwijs.”—“Als gij het verkiest,” antwoordde de jager.—“Pas op de uitzetting van het gas.”—“Ja.”

De kreten der inlanders verdubbelden, zij verzochten ernstig de hemelsche tusschenkomst.—“Ziedaar! ziedaar!” zeide Joe. “Ik vind dat zij een eenigszins bevelenden toon tegen hunne goede Maan en hare goddelijke zonen voeren.”—De doctor, voorzien van zijne reis-medicijnkist, daalde op de aarde neder, voorafgegaan van Joe, die er deftig uitzag zoo als hem betaamde. Hij ging aan den voet der ladder zitten, de beenen gekruist op Arabische wijze, en een gedeelte der menigte omringde hem eerbiedig. Gedurende dien tijd naderde doctor Ferguson, door het geluid der instrumenten geleid en vergezeld door godsdienstige wapendansen, langzaam den koninklijken “tembé,” die vrij ver buiten de stad lag; het was ongeveer drie uur en de zon schitterde, zij kon wel niets minder doen voor deze gelegenheid. De doctor liep vol waardigheid; de “waganga” omringden hem en hielden de menigte terug. Hij werd weldra ingehaald door den natuurlijken zoon des sultans, een vrij welgemaakt jongeling, die volgens de gewoonte des lands, de eenige erfgenaam der vaderlijke goederen was, met uitsluiting van de wettige kinderen; hij boog de knieën voor den Zoon der Maan, die hem met een genadig gebaar ophief.

Drie kwartier daarna kwam deze in geestdrift gebrachte optocht langs schaduwrijke wegen, te midden van al de weelderigheid van een tropischen plantengroei, aan het paleis van den sultan, een soort van vierkant gebouw, Ititénya genaamd en aan de helling eens heuvels gelegen. Eene soort van waranda, gevormd door een rieten dak, stak naar buiten uit, ondersteund door houten, ruw gebeeldhouwde palen. Lange lijsten van roode klei versierden de muren, waarop gedaanten van menschen en slangen waren afgebeeld, waarvan de laatsten natuurlijk beter dan de eersten geslaagd. Het dak van deze woning rustte niet onmiddellijk op de muren en de lucht kon er vrij doorstroomen, voor het overige waren er geene vensters en nauwelijks eene deur.

Doctor Ferguson werd met groote eerbewijzingen ontvangen door de wachten en gunstelingen, menschen van een schoon ras der Wanyamwezis, een zuivere type der volkeren van Midden-Afrika, sterk en welgemaakt. Hunne haren vielen in een groot aantal kleine vlechten op hunne schouders neder; door middel van zwarte of blauwe insnijdingen streepten zij hunne wangen van de slapen tot aan den mond. Hunne ooren, afschuwelijk uitgerekt, droegen schijven van hout en kopaalgom, zij waren gekleed in linnen van schitterende kleuren; de soldaten waren gewapend met de sagaai, den boog en de met weerhaken voorziene pijl, vergiftigd met het sap van de wolfsmelk, het mes, den “sime,” een lange getande sabel en met kleine strijdbijlen.

De doctor ging het paleis binnen. Daar verdubbelde bij zijne aankomst het geraas, in spijt van des Sultan’s ziekte. Hij bemerkte aan den bovendrempel der deur staarten van hazen, en manen van zebra’s, die bij wijze van talisman waren opgehangen. Hij werd door de vrouwen van Zijne Majesteit ontvangen, bij de welluidende tonen van den “upatu,” eene soort van cimbaal van den bodem eener koperen pot gemaakt en bij het geraas van den “kilindo,” een trommel van vijf voet hoog, uit een boomstam uitgehold en waarop men met vuistslagen speelde.

De meesten dezer vrouwen schenen zeer schoon en rookten lachende tabak en thang uit groote zwarte pijpen; zij schenen welgemaakt onder haar bevallig omgeslagen lang kleed en droegen de “kilt” van vezelen van den kalebasboom gemaakt om haar midden vastgemaakt.

Zes van haar waren niet de minst vroolijke van dezen troep, hoewel zij afzonderlijk geplaatst en tot eene wreede marteling bestemd waren. Zij moesten bij den dood des Sultans levend met hem worden begraven, om hem gedurende de eeuwige eenzaamheid gezelschap te houden.

Doctor Ferguson, na alles met een oogwenk te hebben overzien, naderde het bed van den vorst. Daar zag hij een man van ongeveer 40 jaar oud, geheel verdierlijkt door allerlei uitspattingen en waaraan niets te doen was. De ziekte, die reeds jaren duurde, was slechts eene altijd durende dronkenschap. Deze koninklijke dronkaard had langzamerhand het bewustzijn verloren en al het ammonium der wereld zou hem niet weder op de been hebben gebracht.

De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.
De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.

De wegvoering van den toovenaar. Blz. 83.

De gunstelingen en vreemden bogen de knieën gedurende dit plechtig bezoek. Door middel van eenige druppels van een sterk opwekkend middel, bracht de doctor voor een oogenblik eenig leven in dit verdierlijkte lichaam; de Sultan maakte eene beweging en dit verschijnsel werd waargenomen met eene verdubbeling van kreten ter eere van den geneesheer, omdat er in dat lichaam sedert uren geen teeken van leven te bespeuren was geweest. Deze, die er genoeg van had, verwijderde door eene snelle beweging zijne te ijverige aanbidders en ging het paleis uit; hij richtte zich naar den ballon. Het was zes uur des avonds.

Joe wachtte in zijne afwezigheid bedaard aan den voet der ladder; de menigte bewees hem de grootste eer. Als ware zoon der Maan, liet hij hen begaan. Hij zag er voor eene godheid vrij goed uit; hij was niet trotsch, zelfs gemeenzaam met de jonge Afrikaansche vrouwen, die niet moede werden hem te beschouwen. Hij sprak vriendelijk met haar.—“Aanbidt, dames, aanbidt me,” zeide hij, “ik ben een goede kerel, hoewel zoon eener godin!”

Men bood hem de zoengeschenken aan, die gewoonlijk worden nedergelegd in de “mzimu” of fetishutten; zij bestonden uit gerstenaren en “pombé,” Joe geloofde verplicht te zijn dit soort van krachtig bier te proeven, maar zijn verhemelte, hoewel gewoon aan jenever en wiskey, kon dien straffen drank niet verdragen. Hij grijnslachte zóó afschuwelijk, dat de aanwezigen het voor een beminnelijk glimlachen hielden. Vervolgens voerden de jonge meisjes, hare stemmen in eene slepende melodie vereenigende, een statigen dans rondom hem uit.—“O! gij danst,” zeide hij, “welnu! ik zal bij u niet achter blijven en u een dans van mijn land toonen.”

Hij begon een betooverende horlepijp, zich wringende, uitrekkende, op de knieën en handen dansende, buitensporige verdraaiingen uitvoerende in ongeloofelijke standen en onmogelijke gebaren, en hij gaf aldus aan dat volk een vreemd denkbeeld van de wijze waarop de goden op de maan dansen.

Al die Afrikanen, nabootsers als de apen, hadden weldra zijne sprongen en schuddende bewegingen nagevolgd; hun ontging geen enkel gebaar, zij vergaten geene enkele houding; het was toen eene verwarring, een gewoel, eene ontroering, waarvan men moeielijk een denkbeeld kan geven. Op het fraaiste van het feest zag Joe den doctor. Deze kwam in alle haast terug, te midden eener huilende en opgewonden menigte. De toovenaars en opperhoofden schenen zeer verbitterd. Men omringde den doctor en dreigde hem.

Vreemde omkeer! Wat was er voorgevallen? Was de Sultan ongelukkig bezweken onder de handen van zijn hemelschen geneesheer? Kennedy zag van zijn post het gevaar, zonder de oorzaak er van te begrijpen. De ballon, sterk gezwollen door de uitzetting van het gas, spande het touw, dat hem terughield, ongeduldig om op te stijgen. De doctor kwam aan den voet van de ladder. Eene bijgeloovige vrees weerhield nog de menigte om zijn persoon geweld aan te doen; hij klom de sporten spoedig op en Joe volgde hem vlug.—“Er is geen oogenblik te verliezen,” zeide zijn meester. “Tracht het anker niet te lichten! Wij zullen het touw doorsnijden, volg mij.”—“Maar wat is er dan?” vroeg Joe, terwijl hij het schuitje beklom.—“Wat is er gebeurd?” vroeg Kennedy, met zijne karabijn in de hand.—“Zie,” antwoordde de doctor, naar den horizon wijzende.—“Welnu?” vroeg de jager.—“Welnu, daar is de maan.”—

De maan kwam inderdaad op, rood en prachtig, een vurige bal op een azuren grond. Zij was het wel! Zij en de Victoria! Of er waren twee manen, of de vreemdelingen waren slechts bedriegers, indringers en valsche goden! Dus waren de natuurlijke overleggingen der menigte. Vandaar die omkeer. Joe kon niet nalaten in lachen uit te barsten. De bevolking van Kazeh, begrijpende dat hare prooi haar ontsnapte, hief een lang gehuil aan; bogen en musketten werden op den ballon gericht. Maar een der toovenaars gaf een teeken. De wapens werden nedergelegd; hij klom in den boom met het doel om het ankertouw te grijpen en den toestel op den grond te halen. Joe snelde toe met eene bijl in de hand.—“Moet ik afkappen?” zeide hij.—“Wacht” antwoordde de doctor.—“Maar die neger?”.... “Wij zullen misschien ons anker kunnen behouden en ik hecht daaraan. Het zal altijd tijds genoeg zijn om het te kappen.”

De toovenaar in den boom geklommen zijnde, deed zoo goed zijn best, dat hij door de takken te breken, het anker losmaakte, dat nu, sterk aangehaald door den luchtballon, den toovenaar tusschen zijne beenen ving en hem in de hoogte hief. De verbazing der menigte was groot toen zij een harer Wagangas in de hoogte zag stijgen.—“Hoezee!” riep Joe, terwijl de Victoria, dank zij zijne stijgkracht, met eene groote snelheid rees.—“Hij houdt zich goed,” zeide Kennedy, “eene kleine reis zal hem geen kwaad doen.”—“Zullen wij dien neger eensklaps loslaten?” vroeg Joe.—“Foei!” hernam de doctor, “wij zullen hem zacht op de aarde nederzetten, en ik denk, dat een dergelijk voorval het geloof aan zijne macht van toovenaar bij zijn landgenooten aanmerkelijk zal doen toenemen.”—“Zij zijn in staat een god van hem te maken,” riep Joe uit.

De Victoria was op eene hoogte van ongeveer 1000 voet gekomen. De neger hield zich met eene buitengemeene kracht aan het touw vast; hij zweeg, zijne oogen bleven vast op één punt staren. Zijne vrees werd met verwondering gemengd. Een lichte westewind stuurde den ballon naar de andere zijde der stad. Een half uur later matigde de doctor, het land verlaten ziende, de vlam van zijne gaspijp en naderde de aarde. Op twintig voet afstands van den grond koos de neger spoedig zijne partij; hij nam een sprong, kwam op zijne beenen te land en vluchtte naar Kazeh terwijl de Victoria weder opsteeg.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings