← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXXI.

Reading edition

Vertrek in den nacht.—Alle drie.—Het instinct van Kennedy.—Voorzorgen.—De loop van den Shari.—Het meer Tchad.—Het water van het meer.—Het rivierpaard.—Een verloren kogel.

Ongeveer drie uur in den morgen zag Joe, die de wacht had, eindelijk de stad onder zich verdwijnen. De Victoria ging weder vooruit. Kennedy en de doctor ontwaakten. Deze raadpleegde zijn kompas en zag met voldoening dat de wind hen naar het noord-noord-oosten voerde.—“Wij zijn gelukkig,” zeide hij, “alles gaat goed, wij zullen nog heden het meer Tchad zien.”—“Is dat eene groote uitgestrektheid water?” vroeg Kennedy.—“Van belang, mijn waarde Dick; op zijne grootste lengte en breedte kan dit meer 120 mijlen halen.”—“Dat zal in onze reis eenige afwisseling geven, als wij over een water gaan.”—“Maar het komt mij voor dat wij geen klagen hebben; zij is zeer afwisselend in gebeurtenissen en vooral zijn wij in den best mogelijken toestand.”—“Zonder twijfel, Samuel, behalve de ontberingen der woestijn, hebben wij geen ernstig gevaar geloopen.”—“Het is zeker dat onze brave Victoria zich altijd goed heeft gedragen. Wij hebben heden den 12den Mei, wij zijn den 18den April vertrokken en hebben dus 25 dagen gereisd. Nog tien dagen dan zullen wij aangekomen zijn.”—“Waar?”—“Daar weet ik niets van, maar wat komt het er op aan!”—“Gij hebt gelijk, Samuel, laat ons aan de Voorzienigheid de zorg overlaten om ons te richten en ons gezond te doen blijven, zoo als tot nu toe! Wij zien er niet naar uit, dat wij de ongezondste landen der wereld hebben doorreisd.”—“Wij waren in staat te stijgen en wij hebben het gedaan.”—“Leven de luchtreizen!” riep Joe uit; “wij zijn na vijf-en-twintig dagen welvarend en goed uitgerust, te veel misschien, want mijne beenen beginnen stijf te worden; ik zou wel eenige mijlen ver willen loopen.”—“Gij zult dit genoegen smaken in de straten van Londen; maar om te besluiten, wij zijn met ons drieën vertrokken, evenals Denham, Clapperton en Overweg, gelijk Barth, Richardson en Vogel, en gelukkiger dan onze voorgangers zijn wij nog allen bijeen. Maar het is van belang niet te scheiden. Als echter een van ons op den grond was en de Victoria moest stijgen om een plotseling, ongewoon gevaar te ontgaan, wie weet of wij hem wel ooit zouden wederzien? Daarom, ik zeg het rondborstig aan Kennedy, ik heb niet gaarne dat hij zich verwijdert om te jagen.”—“Gij zult mij toch wel toestaan, vriend Samuel, dezen lust nog eens bot te vieren; het kon geen kwaad onzen voorraad te vernieuwen; overigens hebt gij vóór ons vertrek mij deze reeks van jachtpartijen zoo heerlijk afgeschilderd, en tot heden heb ik er weinig aan gedaan.”—“Maar, mijn waarde Dick, uw geheugen schiet te kort, of uwe zedigheid doet u uwe heldendaden vergeten; ik meen, dat gij, zonder van het kleine wild te spreken, reeds eene antilope, een olifant en twee leeuwen op het geweten hebt.”—“Mooi! Wat beteekent dat voor een afrikaanschen jager, die alle dieren der schepping voorbij den loop van zijn geweer ziet gaan? Kijk, zie dezen troep giraffen eens.”—“Giraffen,” zeide Joe, “zij zijn zoo groot als mijn vuist.”—“Omdat wij 1000 voet boven hen zijn, maar van nabij zult gij zien, dat zij driemaal hooger zijn dan gij.”—“En wat zegt gij van dezen troep gazellen?” hernam Kennedy, “en van deze struisvogels, die met de snelheid van den wind vluchten.”—“Struisvogels!” zeide Joe, “het zijn kippen.”—“Laat ons zien, Samuel, kunnen wij niet naderbij komen?”—“Zeer zeker, Dick, maar niet op de aarde gaan. Waartoe zou het ook dienen die dieren te dooden, die ons van hoegenaamd geen nut zijn? Als het nog te doen was om een leeuw, eene tijgerkat of eene hyena te dooden, zou ik dat begrijpen, het zou altijd een gevaarlijk dier minder zijn; maar eene antilope, eene gazelle schieten, zonder ander voordeel dan de ijdele voldoening van uwe begeerten als jager, dat is waarlijk der moeite niet waard. Wij zullen op 100 voet van den grond stil blijven, en als gij een of ander wild dier ziet, zult gij ons een genoegen doen het een kogel in het hart te jagen.”

De Victoria daalde langzamerhand, evenwel op eene veilige hoogte blijvende. In eene wilde en zeer bevolkte streek, moest men op onverwachte gevaren bedacht zijn. De reizigers volgden toen den loop van den Shari; de bekoorlijke oevers van die rivier verdwenen onder het lommer der boomen; klimplanten slingerden er van alle kanten om en brachten verschillende schakeeringen van kleuren voort. De krokodillen speelden in de zon of dompelden onder water met de snelheid eener hagedis; spelende kwamen zij aan de talrijke eilanden, die den loop der rivier tegenhielden. Aldus trokken zij, te midden eener rijke en weelderige natuur, door het district Maffatay. Tegen negen uur des morgens bereikten de reizigers eindelijk den zuidelijken oever van het meer Tchad. Daar was dan die Kaspische Zee van Afrika, wier bestaan zoolang tot de fabelen was gerekend, die binnenzee welke slechts werd bereikt door Denham en Barth. De doctor beproefde den tegenwoordigen vorm daarvan te bepalen, die zeer verschillend was van dien van 1847. Inderdaad, het is onmogelijk eene kaart van dit meer te maken; het wordt omringd door bijna onoverschrijdbare moerassen, waarin Barth dacht om te komen; van jaar tot jaar veranderen deze moerassen bedekt met riet en vijftien voet hooge papyrussen, in het meer zelf; dikwijls ook worden de steden aan zijne oevers ten halve overstroomd, zooals het Ngornou in 1856 gebeurde; en nu zwemmen de rivierpaarden op de plaatsen waar de woningen van Bornou stonden. De zon schoot hare verblindende stralen op dit kalme water, en in het noorden smolten de twee elementen aan den horizon ineen. De doctor wilde de natuur van het water onderzoeken, dat hij lang gemeend had zout te wezen; er stak geen gevaar in de oppervlakte van het meer te naderen en het schuitje ging er langs als een vogel, op vijf voet afstands. Joe dompelde er eene flesch in en haalde haar halfvol op; men beproefde het water en bevond het ondrinkbaar, en met een zekeren smaak van loogzout aangedaan.

De Victoria boven een paar nijlpaarden.
De Victoria boven een paar nijlpaarden.

Terwijl de doctor het resultaat van zijn onderzoek opschreef, hoorde hij een schot aan zijne zijde. Kennedy had geen weerstand kunnen bieden aan de begeerte een reusachtig rivierpaard een kogel toe te zenden, het verdween op het geluid van de losbranding en de kegelvormige kogel van den jager scheen hem niets te deren.—“Het zou beter geweest zijn hem te harpoeneeren,” zeide Joe.—“En hoe?”—“Met een van onze ankers. Dat zou een passende hoek geweest zijn voor zulk een dier.”—“Maar,” zeide Kennedy, “Joe heeft daar waarlijk een denkbeeld”... “Dat ik u verzoek niet ten uitvoer te brengen,” antwoordde den doctor. “Het dier zou ons spoedig daarheen gesleept hebben, waar wij niet noodig hebben.”—“Vooral nu wij zekerheid hebben omtrent het water van het meer Tchad. Kan men dit dier eten, mijnheer Ferguson?”—“Het is niets anders dan een zoogdier, dat tot het ras der dikhuidigen behoort; zijn vleesch is uitmuntend, zegt men en maakt een tak uit van een aanzienlijken handel onder de stammen aan de oevers van het meer.”—“Dan spijt het mij dat het schot van mijnheer Dick niet beter heeft getroffen.”—“Dit dier is slechts kwetsbaar aan den buik en tusschen de dijen; de kogel van Dick heeft hem zelfs niet eens geschampt. Maar als het terrein mij gunstig schijnt, zullen wij aan het noordelijke uiteinde van het meer stilhouden, daar zal Kennedy als in eene menagerie zijn en zich op zijn gemak schadeloos kunnen stellen.”—“Welnu!” zeide Joe, “laat mijnheer Dick een weinig jacht maken op het rivierpaard! Ik zou wel eens het vleesch van dit tweeslachtig dier willen proeven; het is waarlijk niet natuurlijk tot in het hart van Afrika door te dringen, om slechts van kleine snippen en patrijzen te leven even als in Engeland.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings