← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXIII.

Reading edition

Toorn van Joe.—De dood eens rechtvaardigen.—De wacht bij het lijk.—Dorheid.—De begrafenis.—De stukken kwarts.—Zinsbedrog van Joe.—Een kostbare ballast.—Hoogte-opneming der goudbergen.—Begin der wanhoop van Joe.

Een prachtige nacht verspreidde zich over de aarde, de priester sliep kalm in.—“Hij zal er niet van opkomen,” zeide Joe. “Arme jongeling! nauwelijks dertig jaar!”—“Hij zal in onze armen ontslapen! Zijne reeds zoo zwakke ademhaling verzwakt nog meer, en ik kan niets doen om hem te redden,” zeide de doctor wanhopig.—“Die ellendelingen!” riep Joe uit, die van tijd tot tijd plotseling toornig werd. “En als men bedenkt, dat deze waardige priester nog woorden heeft gevonden om hen te beklagen, om hen te verontschuldigen en te vergeven!”—“De hemel geeft hem een goeden nacht, Joe, zijn laatsten nacht misschien! Hij zal voortaan weinig lijden, en zijn dood zal slechts een vreedzame slaap zijn.”

De stervende sprak eenige afgebroken woorden uit; de doctor naderde, de ademhaling van den zieke werd belemmerd, hij hijgde naar lucht. De gordijnen werden geheel geopend en hij ademde met wellust de koeltjes van den helderen nacht in; de sterren wierpen haar flikkerend licht op hem, en de maan omgaf hem met hare blanke stralen.—“Mijne vrienden,” zeide hij met zwakke stem, “ik sterf! Dat God u naar eene goede haven geleide! dat Hij u voor mij deze schuld van dankbaarheid betale!”—“Hoop nog,” antwoordde Kennedy, “het is slechts eene voorbijgaande verzwakking. Gij zult niet sterven! Kan men in zoo’n schoonen zomernacht sterven?”—“De dood is daar,” hernam de zendeling, “ik weet het! Laat mij hem in het gelaat zien! De dood, het begin der eeuwigheid, is slechts het einde der aardsche zorgen. Leg mij op de knieën, mijne broeders, ik bid het u!”

Kennedy hief hem op; het was droevig te zien hoe zijne krachtelooze ledematen ineenkrompen.—“Mijn God! mijn God!” riep de stervende apostel uit, “heb medelijden met mij!”

Zijn gelaat schitterde. Ver van deze aarde, welker vreugde hij nooit had gekend, te midden van dezen nacht, die zijn zachtste licht op hem wierp, op den weg ten hemel, naar welken hij zich verhief als in eene wonderbaarlijke hemelvaart, scheen hij reeds in een nieuw bestaan te herleven. Zijn laatste gebaar was eene laatste zegening voor zijne vrienden van één dag. Hij viel achterover in de armen van Kennedy, wiens gelaat baadde in tranen. “Dood!” zeide de doctor, zich over hem buigende, “hij is dood!” En de drie vrienden knielden, om in stilte te bidden.—“Morgen ochtend,” zeide Ferguson na eenige oogenblikken, “zullen wij hem begraven in de aarde van Afrika, die met zijn bloed besproeid is.”

Gedurende het overige gedeelte van den nacht werd het lijk beurtelings door de drie reizigers bewaakt en geen woord stoorde deze plechtige stilte.

Des anderen daags woei de wind uit het zuiden en de Victoria ging vrij langzaam over eene uitgestrekte bergvlakte; met onvruchtbare kloven en uitgebluschte kraters; geen enkele druppel water was op deze verdroogde toppen te vinden; opeengehoopte rotsen, gespleten steenmassaas, witachtige mergelgroeven, alles toonde eene groote onvruchtbaarheid aan. Tegen den middag besloot de doctor, om het lijk te begraven, in een bergkloof neder te dalen, te midden van door een plutonische uitbarsting ontstane rotsen der eerste vorming; de omringende bergen moesten hem beschutten en veroorlooven zijn schuitje tot aan den grond te doen komen, want er was geen boom om het aan vast te leggen. Maar, zoo als hij aan Kennedy had uitgelegd, hij kon ten gevolge van zijn verlies van ballast bij de ontvoering van den priester, slechts dalen door eene geëvenredigde hoeveelheid gas te laten ontsnappen; daarom opende hij de buitenste klep van den ballon. Het gas stroomde weg en de Victoria daalde bedaard in de kloof. Zoodra het schuitje de aarde aanraakte sloot de doctor de klep, Joe sprong op den grond, zich met de eene hand aan den uitersten rand vasthoudende en met de andere raapte hij een zeker aantal steenen op, die weldra zijn eigen gewicht vervingen; toen kon hij zijne twee handen gebruiken en had weldra in het schuitje meer dan 500 pond steenen opgestapeld, die aan den doctor en Kennedy veroorloofden op hunne beurt uit te stappen. De Victoria was in evenwicht en hare stijgkracht was onmachtig om haar te doen rijzen. Overigens was er geene groote hoeveelheid van deze steenen noodig, want de rotsblokken door Joe opgeraapt waren buitengewoon zwaar, hetgeen een oogenblik de oplettendheid van Ferguson gaande maakte. De grond was bezaaid met kwarts en tot poeder verweerde rotsen.—“Dit is eene zonderlinge ontdekking,” zeide de doctor in zich zelven.—Gedurende dien tijd gingen Kennedy en Joe op eenige schreden afstands eene plaats voor den grafkuil zoeken. Het was ondraaglijk heet in deze bergkloof, waarin zij als in eene soort van fornuis besloten waren. De middagzon schoot hare brandende stralen op hen neder. Men moest eerst van den grond de brokken rots, die hem bedekten, wegruimen; vervolgens werd er eene kuil gegraven, diep genoeg dat de wilde dieren het lijk niet konden opgraven. Het lichaam van den martelaar werd eerbiedig daarin nedergelegd en met aarde overdekt. Groote stukken rots werden daarboven geplaatst als een grafteeken. De doctor bleef echter onbeweeglijk en verdiept in zijne overdenkingen. Hij hoorde het roepen zijner reisgezellen niet, hij kwam niet bij hen terug om eene beschutting tegen de hitte te zoeken.—“Waaraan denkt gij toch, Samuel?” vroeg Kennedy.—“Aan een vreemd contrast der natuur en een merkwaardig gevolg van het toeval. Weet gij in welke aarde deze man van zelfverloochening, deze vrijwillig arme naar de wereld begraven is?”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Deze priester, die gelofte van armoede had gedaan, rust nu in eene goudmijn.”—“Eene goudmijn?” riepen Kennedy en Joe uit.—“Ja,” antwoordde de doctor bedaard. “Deze steenen, die gij vertrapt alsof zij zonder eenige waarde zijn, zijn zeer zuiver erts.”—“Onmogelijk!” zeide Joe.—“Gij zoudt niet lang behoeven te zoeken in deze spleten van leisteen, zonder belangrijke klompen ruw goud te vinden.”—Joe wierp zich als een gek op de verspreide stukken. Kennedy had grooten lust hem na te volgen.—“Wees bedaard, beste Joe,” zeide zijn meester.—“Mijnheer, gij kunt er goed over praten.”—“Hoe, een wijsgeer van uwen stempel.”—“Hé! mijnheer, hier komt geene wijsbegeerte te pas.”—“Zie, denk eens na. Waartoe zou ons al die rijkdom dienen? Wij kunnen hem niet medenemen.”—“Niet? nu nog mooier!”—“Het is wat zwaar voor ons schuitje! Ik aarzelde zelfs u deze ontdekking mede te deelen, uit vrees van uwe spijt gaande te maken.”—“Hoe!” zeide Joe, “deze schatten achterlaten! Onze fortuin!”—“Wees voorzichtig, mijn vriend! Gij zoudt de goudkoorts krijgen! Heeft die doode, dien gij begraven hebt, U niet de ijdelheid der aardsche dingen geleerd?”—“Dat is alles waar,” antwoordde Joe, “maar goud! mijnheer Kennedy, zult gij mij niet helpen om wat van deze millioenen op te rapen?”—“Wat zouden wij daarmee doen, mijn arme Joe?” zeide de jager, die niet kon nalaten te glimlachen.—“Wij zijn hier niet gekomen om ons fortuin te zoeken en wij moeten haar niet medebrengen.”—“De millioenen zijn wat zwaar,” hernam de doctor, “en men steekt ze niet gemakkelijk in den zak.”—“Maar toch,” zeide Joe, “zou men in plaats van zand geen erts voor ballast kunnen medenemen?”—“Welnu! ik stem er in toe,” zeide Ferguson, “maar gij moet niet boos zijn als wij eenige duizenden ponden ballast over boord werpen.”—“Duizenden ponden!” zeide Joe, “is dat mogelijk, dat dit alles goud is!”—“Ja, mijn vriend, het is een vergaarbak, waarin de natuur sedert eeuwen hare schatten heeft opgezameld, daar is genoeg om geheele landen te verrijken! Een Australië en een Californië vereenigd in het hart der woestijn!”—“En dat alles zal nutteloos blijven?”—“Misschien! In alle gevallen zie hier wat ik doen zal om u te troosten.”—“Dat zal moeielijk zijn,” antwoordde Joe bedroefd.—“Hoor. Ik zal de juiste plaats van deze mijn opnemen, en bij uwe terugkomst in Engeland zult gij het aan uwe medeburgers mededeelen als gij gelooft, dat zooveel goud hun geluk zal uitmaken.”—“Komaan, meester, ik zie dat gij gelijk hebt, ik onderwerp mij, dewijl er geen middel is om anders te handelen. Laat ons het schuitje met dit kostbare erts vullen; wat er na het einde der reis overblijft zal altoos zooveel gewonnen zijn.” Joe ging aan het werk, hij deed het met ijver en had weldra omtrent 1000 pond stukken kwarts opgestapeld, waarin het goud besloten is, als in een harden gangsteen. De doctor zag het glimlachend aan; gedurende dien arbeid nam hij zijne hoogte en vond voor de plaats van het graf des zendelings 22° 23′ lengte en 4° 55′ noorderbreedte. Vervolgens een laatsten blik werpende op die ophooging van den grond, waaronder het lichaam van den ongelukkigen Franschman rustte, keerde hij naar het schuitje terug. Hij zou gaarne een eenvoudig en ruw kruis op dit verlaten graf te midden der woestijnen van Afrika hebben willen plaatsen, maar geen enkele boom groeide in den omtrek.—“God zal het herkennen,” zeide hij tot Kennedy.

Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.
Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.

Begrafenis van den zendeling. Blz. 132.

Eene ernstige bekommering sloop ook in den geest van Ferguson; hij zou veel van dit goud hebben gegeven om een weinig water te vinden, ten einde te vervangen, wat hij had moeten wegwerpen bij het medevoeren van den neger. Maar dit was onmogelijk in deze dorre streken; het verontrustte hem, hij moest onophoudelijk zijne gasvlam onderhouden en hij bevond te kort te komen om den dorst te lesschen, hij besloot dus geen gelegenheid te laten voorbijgaan om zijn voorraad te vernieuwen. In het schuitje teruggekomen vond hij het bijna gevuld met de steenen van den hebzuchtigen Joe en klom er in zonder iets te zeggen. Kennedy nam zijne gewone plaats en Joe volgde hen, niet zonder een gretigen blik te slaan op de schatten van de bergkloof. De doctor ontstak zijne gasvlam, de slang werd warm, een stroom van gas ontstond binnen weinige minuten, het gas zette zich uit, maar de ballon ging niet van zijne plaats. Joe zag hem ongerust aan en zeide niets.—“Joe,” zeide de doctor.—Joe antwoordde niet.—“Joe, hoort gij mij?”—Joe gaf een teeken, dat hij hoorde, maar wilde niet begrijpen.—“Gij zult mij het genoegen doen,” hernam Ferguson, “eene zekere hoeveelheid van dit erts over boord te werpen.”—“Maar, mijnheer, gij hebt mij toegestaan....”—“Ik heb u toegestaan den ballast te vervangen, ziedaar alles.”—“Echter....”—“Wilt gij dan eeuwig in deze woestenij blijven?”—Joe sloeg een wanhopigen blik op Kennedy, maar de jager nam de houding aan van iemand, die er niets aan kon doen.—“Welnu Joe?”—“Uw gas werkt dan niet?” hernam de halstarrige.—“Mijne gasvlam is aangestoken, gij ziet het wel! maar de ballon zal niet opstijgen als gij hem niet een weinig verlicht hebt.”—Joe krabde zich achter de ooren, nam een stuk kwarts, het kleinste van allen, woog en herwoog het, wierp het omhoog en smeet het toen weg. De Victoria bewoog zich niet. “Hoe!” zeide hij, “wij stijgen nog niet?”—“Nog niet,” antwoordde de doctor, “ga voort.”—Kennedy lachte. Joe wierp nog een tiental ponden weg, de ballon bleef steeds onbeweeglijk. Joe verbleekte.—“Mijn arme jongen,” zeide Ferguson, “Dick, gij en ik wegen, als ik mij niet bedrieg, 400 pond, gij moet u dus van een gewicht ontslaan ten minste gelijk aan het onze, dewijl het onze plaats verving.”—“Vierhonderd pond wegwerpen!” riep Joe op klaaglijken toon uit.—“En nog iets meer om ons te doen stijgen. Komaan, moed!”—De waardige jongen, diepe zuchten lozende, begon den ballon te ontlasten. Van tijd tot tijd hield hij op. “Stijgen wij?” zeide hij.—“Wij stijgen nog niet,” was het onveranderlijke antwoord.—“Hij beweegt zich,” zeide hij eindelijk.—“Ga voort,” zeide Ferguson.—“Hij stijgt, ik ben er zeker van.”—“Ga maar voort,” antwoordde Kennedy.—En Joe wanhopig een laatste stuk nemende wierp het buiten het schuitje. De Victoria steeg omtrent honderd voet en met behulp van het gas steeg hij weldra boven de omringende toppen.—“Nu blijft u nog een aardig fortuintje over, Joe,” zeide de doctor, “als wij dezen voorraad tot het einde der reis kunnen behouden, zijt gij voor uw leven bezorgd.”

Joe antwoordde niet en ging op zijn bed van erts liggen.

“Zie, mijn waarde Dick, wat toch de macht van dit metaal vermag op den besten jongen ter wereld. Welke hartstochten, welke hebzucht, hoeveel misdaden zou de kennis van zulk eene mijn na zich slepen. Het is bedroevend.” Des avonds was de Victoria negentig mijlen westwaarts voortgegaan, hij bevond zich toen 1400 mijlen in eene rechte lijn van Zanzibar.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings