← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XVI.

Reading edition

Voorteeken van onweer.—Het land der Maan.—De toekomst van Afrika.—Het werktuig van het laatste uur.—Gezicht van het land bij ondergaande zon.—Bloemen en planten.—Het onweder.—De vuurgordel.—De sterrenhemel.

“Dat heet ik nu voor zonen der Maan door te gaan zonder hare toestemming” zeide Joe; “zij heeft ons daar bijna een leelijken trek gespeeld! Zoudt gij misschien, meester, haar goeden naam bezwalkt hebben door uw geneesmiddel?”—“Wie was die Sultan van Kazeh?” vroeg de jager.—“Een oude, halfdoode dronkaard,” antwoordde de doctor, “wiens verlies zich niet zeer levendig zal doen gevoelen. Maar de zedeles hieruit is, dat eerbewijzen vergankelijk zijn en dat men er niet te veel aan moet hechten.”—“Des te erger,” zeide Joe, “het beviel mij wel! Aangebeden te worden! Naar willekeur voor god te spelen! Maar wat wilt gij? de maan heeft zich vertoond en wel geheel rood, hetgeen bewijst dat zij boos was!”—Gedurende deze gesprekken en andere, waarin Joe de koningin der nacht uit een geheel nieuw oogpunt beschouwde, bedekte de hemel zich in het noorden met dikke wolken; een vrij hevige wind, beginnende op 300 voet afstand van den grond, richtte den ballon naar het noord-noord-oosten; boven hem was het azuren gewelf helder, maar men voelde dat het drukkend was.

De nijlpaarden. Blz. 88.
De nijlpaarden. Blz. 88.

De nijlpaarden. Blz. 88.

De zon, hare laatste stralen door de massa’s opeengehoopte wolken nederschietende, versierde de minste verhevenheden van den grond met eene gouden kruin, reusachtige boomen, heesterachtige planten, mosplanten langs den grond, alles had zijn deel van dezen stroom van licht, en het eenigszins golvende terrein verhief zich hier en daar tot kleine kegelvormige heuvels; er waren geen bergen aan den horizon, onmetelijke palissaden van struikgewas, ondoordringbare heggen, doornstruiken scheidden de opene plekken van elkander, waar talrijke dorpen verspreid lagen; de reusachtige wolfsmelk omsloot hen met natuurlijke verschansingen, terwijl zij zich vermengden met de koraalvormige takken der heesters.

Weldra begon de Malagazari, de voornaamste tak van het meer Tanganayika, te kronkelen onder de groene boschjes; hij verleende eene schuilplaats aan die groote menigte wateren, ontvloeid aan bergstroomen, die gezwollen zijn ten tijde van den aanwas van het water, of aan poelen in de kleiachtige laag van den grond gegraven. Voor hen, die het van uit de hoogte beschouwden, was het een net van watervallen over het geheele westelijke gedeelte des lands gespreid. Beesten met groote bulten graasden in de vette weiden en waren bijna geheel door het lange gras verborgen; de wouden, die heerlijke geuren uitwasemden, vertoonden zich aan het oog als groote ruikers; maar in die ruikers vluchtten leeuwen, luipaarden, hyena’s en tijgers om aan de hitte van den dag te ontkomen. Somtijds deed een olifant de kruin van het kreupelhout golven en men hoorde het gekraak der takken die voor de kracht van zijne slagtanden bezweken.

“Welk een land voor de jacht!” riep Kennedy verrukt uit; “een kogel in het wild geschoten in dit woud zou een stuk wildbraad zijner waardig ontmoeten! Zou men het niet eens kunnen beproeven?”—“Neen, mijn waarde Dick! de nacht is op handen, een nacht dreigende met een onweder. De onweders zijn verschrikkelijk in deze streken, waar de heete grond gelijk is aan eene ontzettende electrische batterij.”—“Gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide Joe, “de hitte is verstikkend geworden, de wind is geheel gaan liggen, men gevoelt dat er iets op til is.”—“De dampkring is overladen met electriciteit,” antwoordde de doctor, “elk levend wezen is gevoelig voor deze gesteldheid der lucht, die de worsteling der elementen voorafgaat, en ik beken dat ik nooit zoozeer daarvan doordrongen was als nu.”—“Welaan!” vroeg de jager, “zou dit geen reden zijn om te dalen?”—“Juist integendeel, Dick! ik zou liever willen stijgen. Ik vrees slechts verder van mijn weg medegesleept te worden, terwijl deze luchtstroomen elkander kruisen.”—“Wilt gij dan de richting verlaten, die wij van de kust af volgen?”—“Als het mij mogelijk is,” antwoordde Ferguson, “zou ik liever zeven of acht graden noordelijker opgaan; ik zal trachten aan de vermoedelijke breedte der bronnen van den Nijl te komen, misschien zullen wij eenige sporen ontdekken van de expeditie van kapitein Speke of van de karavaan van M. de Heuglin. Als mijne aanteekeningen juist zijn, bevinden wij ons op 32° 40′ lengte, en ik wil rechtstreeks naar de andere zijde van den evenaar gaan.”—“Zie eens,” zeide Kennedy, zijn metgezel in de reden vallende, “zie eens deze nijlpaarden, die uit de poelen slurpen, en die krokodillen, die de lucht zwaar inademen!”—“Zij stikken,” zeide Joe. “O welk eene aangename manier van reizen, hoe tart en veracht men al dit kwaadaardige ongedierte! Mijnheer Samuel! Mijnheer Kennedy! Ziet toch eens die troepen dieren, die in gesloten gelederen loopen! Zij zijn wel twee honderd in getal, het zijn wolven.”—“Neen, Joe! het zijn wilde honden; het is een verschrikkelijk ras, dat niet bang is om leeuwen aan te vallen. Het is de ontzettendste ontmoeting die een reiziger hebben kan. Hij wordt terstond verscheurd.”—“Goed, Joe zal er wel voor passen hun een muilband om te doen,” antwoordde de beminnelijke jongen; “maar als het in hun aard ligt kan men het hun niet kwalijk nemen.”

Langzamerhand werd het stiller onder den invloed van het onweder; het scheen dat de verdikte lucht ongeschikt werd om het geluid voort te planten; de dampkring scheen als gewatteerd en verloor, even als eene zaal met tapijtwerk behangen allen weerklank. De roeier (een hoogvliegende vogel), de gekroonde kraanvogel, de roode en blauwe meerkollen, de spotvogel, de vliegeneter verdwenen in de groote boomen. De geheele natuur bood de voorteekenen aan van een aanstaand onweder.

De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.
De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.

De Victoria gedurende het onweder. Blz. 90.

Ten negen uur des avonds bleef de Victoria onbeweeglijk boven Mséné, eene groote menigte vereenigde dorpen, die nauwelijks in de schaduw zichtbaar waren; soms wees de terugkaatsing van een zonnestraal in het stille water regelmatig verdeelde grachten aan, en door eene laatste verlichting kon men de gedaante der palmen, tamarinden, wilde vijgeboomen en reusachtige wolfsmelkboomen waarnemen.—“Ik stik,” zeide de Schot, de ijl geworden lucht met volle teugen inademende, “wij bewegen niet meer! Zullen wij dalen?”—“En het onweder?” zeide de doctor vrij ongerust.—“Als gij vreest door den wind medegesleept te worden, schijnt het mij toe, dat gij geene andere partij te kiezen hebt.”—“Het onweder zal misschien niet vóór den nacht losbarsten,” zeide Joe, “de wolken zijn zeer hoog.”—“Dat is zelfs eene reden, die mij doet aarzelen er boven te stijgen; men zou tot eene groote hoogte moeten rijzen, de aarde uit het gezicht verliezen en den geheelen nacht niet weten of wij voortgaan en naar welken kant wij voortgaan.”—“Neem een besluit, waarde Samuel! er is haast bij.”—“Het is verdrietig dat de wind is gaan liggen,” hernam Joe, “hij zou ons ver van het onweder gevoerd hebben.”—“Dat is te bejammeren, mijne vrienden! De wolken zijn voor ons gevaarlijk; zij bevatten tegenovergestelde stroomen, die ons in hun draaikolk kunnen slepen en bliksemvuren, die in staat zijn ons in den brand te steken. Aan den anderen kant kan de kracht van den rukwind ons ter aarde werpen als wij het anker in den top van een boom werpen.”—“Wat dan te doen?”—“Wij moeten den ballon in eene streek houden, in het midden tusschen de gevaren der aarde en die des hemels. Wij hebben water genoeg voor de gaspijp en onze twee honderd pond ballast zijn nog onaangeroerd. Des noods zou ik mij daarvan bedienen.”—“Wij zullen met u waken,” zeide de jager.—“Neen, mijne vrienden! brengt den mondvoorraad in veiligheid en gaat slapen, ik zal u wekken als het noodig is.”—“Maar meester, zoudt gij niet wel doen zelf rust te nemen, dewijl ons nog niets bedreigt?”—“Neen, ik dank u, mijn jongen! ik wil liever waken. Wij zitten onbeweeglijk, en als de omstandigheden niet veranderen, zullen wij ons morgen precies op dezelfde plaats bevinden.”—“Goeden avond, mijnheer!”—“Goeden nacht, als het mogelijk is.”—Kennedy en Joe, strekten zich onder hunne dekens uit en de doctor alleen bleef waken.

Echter daalde de massa wolken langzamerhand en het werd pikdonker. Het zwarte gewelf omringde den aardbol als om hem te verpletteren. Eensklaps kliefde een sterke bliksemstraal de duisternis; nauwelijks was de scheur door haar ontstaan, gesloten, of een hevige donderslag deed hemel en aarde schudden.—“Op!” riep Ferguson. De twee slapers op dit vreeslijk geraas wakker geworden, stelden zich te zijner beschikking.—“Dalen wij?” zeide Kennedy.—“Neen, de ballon zou dit niet kunnen weerstaan. Laat ons stijgen—voordat de wolken zich in water oplossen en de wind opsteekt.” En hij richtte de vlam van de gaspijp in de spiralen der slang.

De onweders onder de keerkringen ontwikkelen zich met eene snelheid, die aan hunne hevigheid evenredig is. Een tweede bliksemstraal kliefde de wolk en werd door twintig anderen gevolgd. De hemel was als bezaaid met electrieke vonken, die tusschen de groote regendroppels heendwarlden.—“Wij hebben ons verlaat,” zeide de doctor, “wij moeten met onzen ballon, die met ontvlambare lucht gevuld is, eene streek van vuur doortrekken!”—“Maar op de aarde?” hernam Kennedy.—“Het gevaar om door den bliksem getroffen te worden, zou bijna hetzelfde zijn, en wij zouden spoedig aan de takken der boomen blijven hangen.”—” Wij stijgen, mijnheer Samuel!”—“Spoediger! Nog spoediger!”

In dit gedeelte van Afrika is het, gedurende de onweders onder den evenaar, niet zeldzaam dertig à vijf-en-dertig bliksemstralen in de minuut te tellen. De hemel staat letterlijk in vuur en de donderslagen houden niet op. De wind stak met eene verschrikkelijke hevigheid op in dezen ontvlamden dampkring; hij zweepte de heete wolken; het geleek op het blazen van een blaasbalg, die den brand deed aanwakkeren.

Doctor Ferguson hield zijne gasvlam op de volle hitte; de ballon zette zich uit en steeg; Kennedy in het midden van het schuitje op de knieën liggende, hield de zeilen der tent tegen. De ballon draaide om duizelig te worden, en de reizigers ondervonden onrustbarende schommelingen. Er kwamen groote deuken in het bekleedsel van den luchtballon; de wind vloog er met hevigheid in, en het taf kraakte onder zijn druk. Eene soort van hagel, voorafgegaan door een vreeslijk geraas, doorkliefde den dampkring en kletterde op den ballon. Deze steeg evenwel; de bliksemstralen verlichtten zijn omtrek, hij dreef midden in het vuur.—“Wij zijn in Gods hand,” zeide Ferguson; “Hij alleen kan ons redden. Laat ons op ieder geval voorbereid zijn, zelfs op brand, onze val kan niet snel zijn.”

De stem des doctors kwam nauwelijks tot het oor zijner metgezellen, maar zij konden zijn kalm gelaat zien te midden der bliksemflitsen; hij beschouwde de verschijnselen van phosphorieke verlichting, voortgebracht door het Sint Elmus vuur, dat boven den luchtballon zweefde. Deze draaide en dwarrelde, maar steeg steeds; na een kwartier was hij boven de onweerswolken; de electrieke stroomen ontwikkelden zich onder hem, even alsof een groote cirkel vuurwerk aan het schuitje hing. Dit was een der schoonste schouwspelen, die de natuur den mensch kan geven. Beneden het onweder, boven den sterrenhemel, kalm en bedaard, met de maan, die hare vreedzame stralen op de jagende wolken wierp. Doctor Ferguson raadpleegde den barometer, hij wees 12000 voet hoogte aan. Het was elf uur ’s avonds.—“Den hemel zij dank, alle gevaar is voorbij,” zeide hij, “het is nu voldoende, dat wij ons op deze hoogte houden.”—“Het was verschrikkelijk,” antwoordde Kennedy.—“Goed,” hernam Joe, “dit gaf een weinig variatie aan de reis, en het spijt mij volstrekt niet een onweder van uit de hoogte te hebben gezien, het is een fraai schouwspel.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings