← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XX.

Reading edition

De hemelsche flesch.—De vijgepalmboomen.—De “mammouthboomen.”—De oorlogsboom.—Het gevleugelde span.—Gevecht van twee volksstammen.—Slachting.—Goddelijke tusschenkomst.

De wind werd hevig en onregelmatig, de Victoria, nu eens weder naar het noorden, dan weder naar het zuiden geslingerd, kon geen standvastigen luchtstroom ontmoeten. “Wij gaan zeer snel, zonder veel te vorderen,” zeide Kennedy, terwijl hij de herhaalde schommelingen van den kompasnaald waarnam.—“De Victoria gaat met eene snelheid van ten minste dertig mijlen per uur,” zeide Samuel Ferguson; “zie omlaag, en gij zult het veld snel onder onze voeten zien verdwijnen. Zie, dit bosch schijnt ons te gemoet te snellen.”—“Het bosch is reeds eene open plek geworden,” antwoordde de jager.—“En de open plek een dorp,” zeide Joe, eenige oogenblikken later. “Daar zie ik zeer verbaasde negergezichten.”—“Dit is zeer natuurlijk; de Fransche boeren, toen zij voor de eerste maal een luchtballon zagen, hebben daarop geschoten, daar zij hem voor een luchtmonster hielden; de negers van Soedan mogen dan althans wel groote oogen zetten.”—Terwijl de Victoria op honderd voet van den grond een dorp voorbijtrok, zeide Joe: “met uw verlof, meester, ik zal hun een ledige flesch toewerpen, als zij behouden aankomt, zullen zij haar aanbidden, als zij breekt, zullen zij van de stukken talismans maken.”—Dit zeggende, wierp hij eene flesch naar beneden, die in duizend stukken brak, terwijl de inlanders luide kreten slakende, zich naar hunne ronde hutten begaven.—Een weinig verder riep Kennedy uit: “Zie eens dien zonderlingen boom! hij is boven en beneden van eene verschillende soort.”—“Mooi!” zeide Joe, “hier is een land waar de eene boom op den anderen groeit.”—“Het is eenvoudig een stam van een vijgeboom,” antwoordde de doctor, “waarop een weinig groeizame aarde gekomen is; de wind heeft op een goeden dag een zaadje van een palmboom daarop gewaaid en de palmboom is opgekomen, als in het veld.”—“Eene fraaie manier,” zeide Joe; “die ik in Engeland zal invoeren; dat zal goed staan in de parken van Londen, zonder te rekenen dat het een middel zou wezen om het aantal vruchtboomen te vermeerderen; men zou tuinen in de hoogte hebben, hetgeen alle kleine grondeigenaars zeer zou aanstaan.”

“Zie eens dien zonderlingen boom!”
“Zie eens dien zonderlingen boom!”

Op dit oogenblik moest de Victoria stijgen om een bosch van boomen over te trekken, die meer dan 300 voet hoog waren, eene soort van eeuwenheugende banaanboomen.—“Dat zijn prachtige boomen,” riep Kennedy uit, “ik ken niets zoo schoon als het gezicht van deze eerwaardige bosschen. Zie eens, Samuel.”—“De hoogte van deze bananen is waarlijk verwonderlijk, mijn waarde Dick, en echter zou zij geene verwondering wekken in de bosschen van Amerika.”—“Hoe! zijn er nog hooger boomen?”—“Zonder twijfel, onder hen, die wij de ‘mammouthsboomen’ noemen. In Californië heeft men een cederboom gevonden van 450 voet hoogte, hetgeen hooger is dan de toren van het Parlementshuis en zelfs dan de groote piramide van Egypte. Van onder had hij 120 voet in omtrek en uit de concentrische lagen van zijn hout maakte men op dat hij meer dan 4000 jaar oud was.”—“Maar, mijnheer! dat is dus niet te verwonderen. Als men 4000 jaar leeft, wat is dan natuurlijker dan eene zoo schoone lichaamsgestalte te hebben?”

De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.
De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.

De oorlogsboom der Kannibalen. Blz. 114.

Terwijl de doctor dit verhaalde en Joe had geantwoord, had het bosch weder plaats gemaakt voor eene groote verzameling hutten, in een kring rondom een plein geplaatst. In het midden groeide een enkele boom, en toen Joe hem zag, riep hij uit: “Welnu, als deze 4000 jaar lang dergelijke bloemen voortbrengt, vind ik het niet zeer mooi van hem.” En hij toonde een reusachtigen wilden vijgeboom, welks, stam geheel verdween onder eene massa menschenbeenderen; de bloemen, waarvan Joe sprak, waren pas afgesneden hoofden, opgehangen aan dolken, die in de schors staken.—“De oorlogsboom der Kannibalen,” zeide de doctor; “de Indianen nemen den schedel de Afrikanen het geheele hoofd.”—“Dat is eene zaak van mode,” zeide Joe.

Maar reeds verdween het dorp met de bloedige hoofden aan den horizon, toen een ander, verder gelegen, een niet minder terugstootend schouwspel aanbood: half verslonden lijken, geraamten, die in stof vielen, menschelijke ledematen, hier en daar verstrooid, waren overgelaten aan de hyena’s en jakhalzen.—“Dit zijn zeker de lichamen der misdadigers, zoo als in Abyssinië het gebruik is; men geeft ze ten prooi aan de wilde dieren, die hen op hun gemak verslinden, na hen met één beet gedood te hebben.”—“Het is niet veel wreeder dan de galg,” zeide de Schot, “het is smeriger, dat is alles.”—“In de zuidelijke streken van Afrika,” hernam de doctor, “vergenoegt men zich den misdadiger in zijne eigene hut op te sluiten met zijne beesten en misschien ook zijn huisgezin, men steekt die in brand en alles verbrandt te zamen. Dat noem ik wreedheid, maar ik beken met Kennedy, dat, als de galg minder wreed is, zij ten minste even barbaarsch is.”—Joe wees, dankzij het uitmuntende gezicht, waarvan hij zich zoo goed bediende, eenige troepen vluchtende vogels, die aan den horizon zweefden.—“Dat zijn arenden,” riep Kennedy uit, na hen met zijn verrekijker herkend te hebben, “prachtige vogels wier vlucht even snel is als de onze.”—“De hemel beware ons voor hunne aanvallen!” zeide de doctor, “zij zijn voor ons meer te vreezen dan de wilde dieren of de woeste stammen.”—“Bah!” antwoordde de jager, “Wij zouden hen door geweerschoten verwijderen.”—“Ik wil liever, mijn waarde Dick, tot dit middel mijne toevlucht niet nemen; de taf van onzent ballon zou geen weerstand bieden; gelukkig geloof ik dat deze geduchte vogels door onzen luchtballon meer verschrikt dan aangelokt worden.”—“Daar valt mij iets in,” zeide Joe, “want heden krijg ik denkbeelden bij dozijnen: als wij eens een span levende arenden konden krijgen, dan zouden wij hen voor ons schuitje spannen en zij zouden ons door de lucht voorttrekken.”—“Het middel is wel eens in allen ernst voorgesteld,” antwoordde de doctor, “maar ik geloof dat het slecht uitvoerbaar is, omdat deze dieren koppig van aard zijn.”—“Men zou hen dresseeren,” hernam Joe; “in plaats van met gebitten zou men hen leiden met ooglappen, die hun het gezicht beletten; als zij eenoogig waren, zouden zij rechts of links gaan, blind daarentegen zouden zij stilstaan.”—“Veroorloof mij, beste Joe, de voorkeur te geven aan een gunstigen wind boven uw span van arenden, dat kost minder voedsel en is veiliger.”—“ik veroorloof het u, mijnheer, maar ik blijf bij mijn denkbeeld.”

Het was middag; de Victoria ging sedert eenigen tijd langzamer. Plotseling treffen kreten en gefluit de ooren der reizigers; zij bogen zich voorover en zagen in eene opene vlakte een schouwspel dat hen deed ontroeren. Twee volkstammen vochten verwoed en deden wolken van pijlen door de lucht vliegen. De strijders, begeerig om elkander te dooden, bemerkten de aankomst der Victoria niet; zij waren omtrent 300 in getal; de meesten rood van het bloed der gekwetsten, waarin zij plasten, vormden een afzichtelijk schouwspel. Toen de luchtballon verscheen hielden zij een oogenblik op; het gehuil verdubbelde, eenige pijlen werden naar het schuitje afgezonden en een daarvan kwam zoo dicht, dat Joe haar met de hand kon grijpen.—“Laat ons buiten hun bereik stijgen!” riep de doctor uit! “Geen onvoorzichtigheid mogen wij begaan.”

De slachting ging van beide kanten voort met bijl- en sagaaislagen; zoodra een vijand op den grond lag haastte zich zijne tegenpartij hem het hoofd af te snijden; de vrouwen, die deelnamen aan het gevecht, raapten de bloedige hoofden op en stapelden die op aan elk einde van het slagveld; dikwijls vochten zij om die afzichtelijke zegeteekenen te veroveren.—“Welk een afgrijslijk tooneel!” zeide Kennedy met verontwaardiging.—“Het zijn leelijke kerels!” zeide Joe, “maar als zij eene uniform hadden, zouden zij gelijk zijn aan alle strijders der wereld.”—“Ik heb veel lust om in het gevecht tusschen beiden te komen,” zeide de jager, zijne karabijn aanleggende.—“Neen! neen!” antwoordde de doctor, “laten wij ons bemoeien met wat ons aangaat. Weet gij wie gelijk of ongelijk heeft, dat gij de rol van Voorzienigheid wilt spelen? Laat ons zoo spoedig mogelijk dit afschuwelijk schouwspel ontvlieden! Als de groote veldheeren aldus het tooneel hunner daden konden overzien, zouden zij misschien den lust naar bloed en veroveringen verliezen.”

Het opperhoofd van eene dezer woeste partijen onderscheidde zich door een athletischen lichaamsbouw en eene herkulische kracht; met de eene hand wierp hij zijne lans in de dichte gelederen zijner vijanden en met de andere maakte hij eene groote slachting met zijne bijl. Op een oogenblik wierp hij zijne door bloed rood geverfde sagaai weg, stortte zich op een gewonde, sneed diens arm met een enkelen slag af, nam hem met eene hand en, hem aan den mond brengende, begon hij er gretig in te bijten.—“Welk een afschuwelijk beest!” zeide Kennedy, “ik kan mij niet langer weerhouden.” En de bevelhebber door een kogel in het voorhoofd getroffen, viel achterover. Bij zijn val maakte een panische schrik zich van zijne krijgers meester; deze bovennatuurlijke dood verschrikte hen, terwijl hij den ijver hunner vijanden aanzette, en in eene seconde was het slagveld door de helft der strijders verlaten.—“Laat ons hooger op een luchtstroom zoeken, die ons medevoert,” zeide de doctor, “dit schouwspel walgt mij.”

Maar hij verwijderde zich niet zoo spoedig of hij kon de overwinnende stam zien, die zich op de dooden en gekwetsten wierp, zich onderling dat warme vleesch betwistte en het gretig verslond.—“Dat is akelig!” zeide Joe.

De Victoria steeg, het gehuil van die razende bende vervolgde hem eenige oogenblikken, maar eindelijk naar het zuiden gevoerd, verwijderde hij zich van dit tooneel van bloeddorst en kannibaalsche wreedheid. Het terrein vertoonde toen afwisselende oneffenheden met talrijke wateren die naar het oosten liepen; zij stortten zich zonder twijfel in die uitwateringen van het meer Nû of de Gazellenrivier, waarvan Guillaume Lejean zulke merkwaardige bijzonderheden heeft opgeteekend. Toen de nacht kwam, wierp de Victoria het anker uit op 27° lengte en 4° 20′ noorderbreedte, na een tocht van 150 mijlen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings