← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXXIV.

Reading edition

De orkaan.—Gedwongen vertrek.—Verlies van een anker.—Treurige overdenkingen.—Genomen besluit.—De hoos.—De verzwolgen karavaan.—Tegenwind en gunstige wind.—Terugkeer naar het Zuiden.—Kennedy op zijn post.

Ten drie uur des morgens werd de wind hevig, hij keerde met eene zoo groote kracht terug, dat de ballon zonder gevaar niet beneden kon blijven; hij lag bijna horizontaal en het riet dreigde zijn omkleedsel te verscheuren.—“Wij moeten vertrekken, Dick,” zeide de doctor, “wij kunnen in dezen toestand niet blijven.”—“Maar Joe? Samuel.”—“Ik verlaat hem niet! Zeker niet! en al zou de orkaan ons 100 mijlen naar het noorden voeren, ik zal terugkomen. Maar hier stellen wij aller veiligheid in de waagschaal.”—“Vertrekken zonder hem!” riep de Schot uit op den toon van diepe smart.—“Gelooft gij dan,” antwoordde Ferguson, “dat mijn hart niet bloedt als het uwe? Gehoorzaam ik niet aan eene gebiedende noodzakelijkheid?”—“Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de jager.—“Laat ons vertrekken.”

Maar het vertrek had groote moeielijkheden; het anker, stevig vastgehecht, weerstond alle pogingen, en de ballon, naar den tegenovergestelden kant trekkende, deed het nog vaster zitten; Kennedy kon het niet losrukken en in zijn tegenwoordigen toestand werd zijn manoeuvre zeer hachelijk, want hij liep gevaar dat de Victoria stijgen zou voordat hij er weder in kon klimmen. De doctor dit gevaar willende vermijden, deed den Schot in het schuitje gaan en besloot het ankertouw door te snijden. De Victoria steeg 300 voet en nam terstond de richting naar het noorden. Ferguson kon slechts aan dien storm gehoorzamen, hij kruiste de armen over de borst en verdiepte zich in zijne treurige overdenkingen. Na eenige oogenblikken van een diep stilzwijgen wendde hij zich tot Kennedy, die even stil was.—“Wij hebben misschien God verzocht,” zeide hij, “het was geen menschenwerk eene dergelijke reis te ondernemen!” En een zucht van smart ontsnapte hem.—“Nauwelijks eenige dagen geleden,” antwoordde de jager, “wenschen wij elkander geluk aan vele gevaren ontkomen te zijn. Wij gaven elkander de hand!”—“Arme Joe! goede brave jongen! Een oogenblik door zijne schatten verblind, offerde hij ze gaarne allen op! Daar is hij nu ver van ons! En de wind voert ons mede met onweerstaanbare snelheid!”—“Laat ons zien, Samuel, als wij aannemen dat hij eene schuilplaats heeft gevonden bij de stammen aan het meer, zal hij dan niet kunnen doen even als de reizigers, die hen vóór ons hebben bezocht, zoo als Denham en Barth? Die hebben hun vaderland wedergezien.”—“Mijn arme Dick, Joe kent geen woord van de taal, hij is alleen en zonder hulpmiddelen. De reizigers waarvan gij spreekt, naderden de opperhoofden slechts door hun groote geschenken te zenden, te midden van een geleide, gewapend en voorbereid op deze tochten. En nog konden zij de kwellingen en ellende van de ergste soort niet ontgaan!”—“Wat wilt gij dan dat er van onzen ongelukkigen reisgezel zal worden? Het is eene verschrikkelijke gedachte.”—“Maar wij zullen terugkeeren, Samuel.”—“Zeker, Dick, al moesten wij de Victoria verlaten, al moesten wij te voet weder naar het meer Tchad gaan en ons in betrekking stellen met den Sultan van Bornou! De Arabieren kunnen geene slechte herinnering hebben aan de eerste Europeanen.”—“Ik zal u volgen, Samuel,” antwoordde de jager, “gij kunt op mij rekenen, wij zullen liever er van afzien deze reis ten einde te brengen! Joe heeft zich voor ons opgeofferd, wij zullen ons voor hem opofferen.”—Dit besluit gaf weder eenigen moed aan die twee mannen, zij gevoelden zich gesterkt door hetzelfde denkbeeld. Ferguson stelde alles in het werk om een tegenovergestelden luchtstroom te vinden, die hem nader bij het meer Tchad kon brengen, maar dit was toen onmogelijk en de daling zelfs werd onuitvoerbaar op een kalen grond en bij een zoo hevigen orkaan.

De ballon ging dus door het land der Tibbous, hij stak de Beladel Djérid over, eene woestijn, die de grens uitmaakt van Soudan, en kwam in eene zandwoestijn doorploegd met lange sporen van karavanen; de laatste linie van plantengroei smolt weldra samen met den zuidelijken horizon, niet ver van de voornaamste oase van dit gedeelte van Afrika, wier vijftig putten door prachtige boomen zijn overschaduwd, maar het was onmogelijk stil te houden. Een arabisch legerkamp, bestaande uit tenten van gestreepte stoffen, eenige kameelen die hun kop op het zand hadden uitgestrekt, verlevendigde deze eenzaamheid; maar de Victoria ging er overheen als een luchtverheveling en doorliep dus een afstand van zestig mijlen in drie uren, zonder dat het Ferguson gelukte zijn vaart te stuiten.—“Wij kunnen geen halt houden,” zeide hij, “wij kunnen niet dalen? hier is geene enkele boom, geene enkele verhevenheid van den grond! Zullen wij dan de Sahara oversteken? Zeker, de hemel is tegen ons.”—Hij sprak aldus met eene wanhopige woede, toen hij in het noorden het zand der woestijnen zag opstijgen in een dik stof; het dwarrelde onder den invloed van tegengestelde luchtstroomen. Te midden van een dwarlwind verdween eene geheele karavaan onder eene lawine van zand, de kameelen kermden erbarmelijk; kreten van wanhoop kwamen uit dien verstikkenden stofwolk. Soms stak een bont kleed met zijne levendige kleuren scherp af tegen dien chaos van zand, en het geloei van den storm beheerschte dit tooneel van verwoesting. Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen; daar waar vroeger eene effene vlakte was, verhief zich een heuvel van stuifzand, onmetelijk graf eener verzwolgen karavaan.

Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen.
Weldra hoopte het zand zich in dichte massa’s opeen.

De doctor en Kennedy waren bij dit verschrikkelijk schouwspel tegenwoordig. Zij konden hun ballon niet meer sturen, daar hij in tegenovergestelde luchtstroomen ronddraaide en niet meer gehoorzaamde aan de verschillende uitzettingen van het gas. Door deze bewegingen der lucht dwarrelde hij met duizelende snelheid, en het schuitje slingerde geweldig; de instrumenten, die onder de tent waren opgehangen, stieten tegen elkander met gevaar van te breken; de buizen der slang kromden zich, de waterbakken gingen met groot geraas van hunne plaats; de reizigers konden elkander op een afstand van twee voet niet verstaan en zij beproefden, door zich krampachtig aan de touwen vast te houden, aan de woede van den orkaan weerstand te bieden. Kennedy met verwilderde haren staroogde zonder te spreken, de doctor had zijne koelbloedigheid herkregen te midden van het gevaar en niet de minste ontroering was op zijne trekken te lezen, zelfs niet toen de Victoria, na eene laatste draaiing, plotseling stil bleef; de noordewind had de overhand gehouden en voerde hen terug langs den tegenovergestelden weg van dien van des morgens met eene voor het minst even groote snelheid.—“Waarheen gaan wij?” vroeg Kennedy.—“Laat dat aan de Voorzienigheid over, mijn waarde Dick, ik heb ongelijk gehad aan haar te twijfelen; zij weet beter dan wij wat goed voor ons is en wij keeren terug naar de plaatsen, die wij niet hoopten weder te zien.” Op den grond, die eerst zoo vlak en effen was, vertoonden zich na den storm kleine bergjes; de wind woei hevig en de Victoria vloog door de ruimte. De richting, die de reizigers volgden, verschilde een weinig van die, in welke zij des morgens waren gegaan, en tegen negen uur zagen zij, in plaats van het meer Tchad, de woestijn zich voor hen uitstrekken. Kennedy deed dit opmerken.—“Het komt er weinig op aan,” antwoordde de doctor, “het voornaamste is in het zuiden terug te komen, wij zullen de steden van Bornou, Wouddie of Kouka ontmoeten en ik zal niet aarzelen daar stil te houden.”—“Als gij tevreden zijt, ik ben het ten volle,” antwoordde de jager, “maar geve de hemel dat wij niet de woestijn moeten doortrekken, zoo als die ongelukkige Arabieren. Wat wij gezien hebben was verschrikkelijk.”—“En gebeurt dikwijls, Dick; het doortrekken van de woestijn is met andere gevaren gepaard dan het oversteken van den oceaan; de woestijn heeft alle gevaren der zee, zelfs het verzwelgen, en daarenboven onuitstaanbare ontberingen en vermoeienissen.”—“Het komt mij voor,” zeide Kennedy, “dat de wind gaat liggen, het stof van het zand is minder dicht opeengepakt, zijne golvingen verminderen en de horizon klaart op.”—“Des te beter, wij moeten hem oplettend met den verrekijker onderzoeken, en niets moet ons oog ontsnappen.”—“Daar belast ik mij mede, Samuel, en de verste boom zal niet door mij worden gezien, zonder dat gij er van verwittigd wordt.” En Kennedy ging, met den verrekijker in de hand, voor in het schuitje staan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings