← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XIV.

Reading edition

Het bosch van gomboomen.—De blauwe antiloop.—Het verzamelingsteeken.—Een onverwachte aanval.—De Kanyenye.—Een nacht in de lucht.—De Manunguru.—Jihoue la Mkoa.—Voorraad water.—Aankomst te Kazeh.

Het dorre, uitgedroogde land, bestaande uit eene kleiachtige aarde, die door de hitte spleet, scheen verlaten; hier en daar zag men eenige sporen van karavanen, uitgebleekte beenderen van menschen en dieren, half afgeknaagd en in hetzelfde stof bij elkander liggende.

Na een half uur geloopen te hebben drongen Dick en Joe in een bosch van gomboomen, het oog op de loer en den vinger aan den trekker van het geweer. Men wist niet met wien men te doen zou kunnen hebben. Zonder een scherpschutter te zijn, hanteerde Joe vrij goed een vuurwapen.

“Het loopen doet goed, mijnheer Dick, maar op dezen grond niet zeer gemakkelijk,” zeide hij, terwijl hij tegen stukken kwarts stootte, die er in menigte lagen.

Kennedy gaf een teeken aan zijn metgezel om te zwijgen en stil te staan. Men moest het zonder honden zien te doen, en hoe vlug Joe ook was, hij kon toch den reuk van een brak of hazewind niet hebben.

Aan de bedding van een bergstroom, waar nog eenige paden waren, leschten een tiental antilopen haren dorst. Deze bevallige dieren, gevaar bemerkende, schenen onrustig; bij elken dronk hieven zij hun fraaien kop omhoog, terwijl zij met hunne neusgaten de lucht in den wind der reizigers opsnoven.

De Antilopenjacht. Blz. 69.
De Antilopenjacht. Blz. 69.

De Antilopenjacht. Blz. 69.

Kennedy liep eenige boschjes om, terwijl Joe onbeweeglijk bleef, hij kwam dicht bij genoeg en gaf vuur. De troep verdween in een oogwenk, maar een mannetjes-antiloop, aan den schouder getroffen, viel dood neder. Kennedy wierp zich op zijn buit.

Het was een prachtig dier van eene grijsachtig blauwe kleur, en onder den buik en tusschen de pooten sneeuwwit. “Welk een fraai schot!” riep de jager uit. “Het is eene zeer zeldzame antilopensoort, en ik hoop haar vel te bereiden om het te kunnen bewaren.”—“Meent gij dit, mijnheer Dick?”—“Zeker! zie eens dit heerlijke haar.”—“Maar doctor Ferguson zal zulk eene vermeerdering van gewicht niet toestaan.”—“Gij hebt gelijk, Joe! Het is toch jammer dat schoone dier zoo geheel achter te laten.”—“Geheel! neen, mijnheer Dick, wij zullen er de voedingsvoordeelen, die het bezit, van trekken en, als gij het veroorlooft, zal ik mij daarvan even goed kwijten als de syndicus van het geëerde slachtersgild te Londen.”—“Zoo als gij wilt, mijn vriend, maar gij weet dat ik, in mijne hoedanigheid als jager, even goed een stuk wildbraad kan villen als vellen.”—“Daarvan ben ik zeker, mijnheer Dick, geneer u niet om een fornuis op drie steenen te maken; gij zult dood hout in menigte hebben, en ik vraag u slechts eenige minuten om uwe kolen aan te leggen.”—“Dat zal niet lang duren,” hernam Kennedy.

Terstond ging hij over tot het samenstellen van zijn brandstapel, die eenige oogenblikken later ontvlamde.—Joe had van het lichaam der antiloop een dozijn koteletten en de malschte stukken van de lendenen genomen, die weldra in sappig gebraden vleesch veranderden.—“Dit zal onzen vriend Samuel genoegen doen,” zeide de jager.—“Weet gij waaraan ik denk, mijnheer Dick ?”—“Aan wat gij doet; zonder twijfel, aan uw biefstuk.”—“Geenszins. Ik denk er aan hoe gek wij zouden staan te kijken als wij den luchtballon niet terugvonden.”—“Welk een denkbeeld! Gij wilt dat de doctor ons verlaat.”—“Neen; maar als zijn anker eens was losgegaan?”—“Geen nood. Overigens zou Samuel niet in verlegenheid zijn met zijn ballon te dalen, hij heeft hem goed in zijne macht.”—“Maar als de wind hem medevoerde, als hij niet bij ons kon terugkomen?”—“Houd op met uwe onderstellingen, zij zijn niet aangenaam.”—“Alles wat in deze wereld gebeurt, mijnheer, is natuurlijk; alles kàn gebeuren, men moet dus alles voorzien...”

Op dit oogenblik hoorde men een geweerschot.—“Wat is dat?” zeide Joe.—“Mijne karabijn; ik herken haar schot.”—“Een teeken!”—“Een gevaar dat ons dreigt.”—“Hem misschien,” hernam Joe.—“Op weg dan!”

De jagers hadden spoedig opgenomen, wat hunne jacht had opgeleverd en zij hernamen hun weg, geleid wordende door takken, die Kennedy had afgebroken. De dichtheid van het bosch verhinderde hun den Victoria te zien, waarvan zij niet veraf konden zijn.

Een tweede schot knalde.—“Er is haast bij,” zeide Joe.—“Goed! nog eene andere losbranding.”—“Dit schijnt wel eene persoonlijke verdediging.”—“Laat ons haast maken.”

En zij liepen wat zij loopen konden. Aan den rand van het bosch gekomen, zagen zij eerst den Victoria op zijne plaats en den doctor in het schuitje.—“Wat is er?” vroeg Kennedy.—“Groote God!” riep Joe uit.—“Wat ziet gij?”—“Daar ginds een troep negers, die den ballon belegeren.”

Inderdaad zag men op twee mijlen vandaar een dertigtal wezens, gebaren makende, huilende, huppelende aan den voet van een egyptischen vijgeboom. Eenigen in den boom geklommen, naderden tot op de hoogste takken. Het gevaar scheen dreigend.—“Mijn meester is verloren.” riep Joe uit.—“Komaan, Joe, koelbloedig en een goed oog. Wij hebben het leven van vier dezer zwarten in onze handen. Voorwaarts!”

Zij hadden buitengewoon spoedig een mijl afstands afgelegd, toen een nieuw schot uit het schuitje werd gelost; het trof een grooten duivel, die zich langs het touw van het anker opheesch.

Een levenloos lichaam viel van tak tot tak en bleef op twintig voet van den grond hangen, terwijl zijne armen en beenen in de lucht slingerden.

“He!” zeide Joe stilstaande, “waar duivel houdt dit dier zich aan vast?”—“Het komt er weinig op aan,” antwoordde Kennedy, “laat ons loopen!”—“Ach mijnheer Kennedy,” riep Joe uit, in lachen uitbarstende, “bij zijn staart! Het is een aap! Het zijn maar apen!”—“Dat is nog beter dan menschen,” hernam Kennedy, terwijl hij zich onder den huilenden troep wierp.

Het was een troep apen met hondekoppen, die vrij geducht, woest en onbeschoft waren, afschuwelijk om te zien met hunne hondesnuiten. Eenige geweerschoten echter joegen deze grijnzende bende weldra op de vlucht, velen der hunnen achterlatende.

In een oogenblik greep Kennedy de ladder; Joe klom in de vijgeboomen en maakte het anker los; het schuitje daalde tot hem af en hij klom er zonder moeite in. Eenige minuten later steeg de Victoria op en richtte zich naar het oosten door een matigen wind voortgestuwd.—“Dat was eene bestorming!” zeide Joe.—“Wij geloofden dat gij door de inlanders werdt belegerd.”—“Het waren gelukkig slechts apen,” antwoordde de doctor.—“Van verre is het verschil niet zeer groot, mijn waarde Samuel!”—“Zelfs van dichtbij niet,” zeide Joe.—“Hoe het ook zij,” hernam Ferguson, “deze aanval van apen kon de ernstigste gevolgen hebben. Als het anker onder hunne herhaalde schokken had losgelaten, wie weet, waarheen mij de wind zou hebben medegesleept!”—“Wat zeide ik u, mijnheer Kennedy?”—“Gij hadt gelijk, Joe, maar desniettemin bereiddet gij toen biefstuk van antilopen, waarvan het gezicht alleen mij eetlust deed krijgen.”—“Dat geloof ik wel,” antwoordde de doctor, “het antilopenvleesch is uitmuntend.”—“Gij kunt er over oordeelen, mijnheer, de tafel is gedekt.”—“Op mijn woord,” zeide de jager, “dit wild heeft een smaak, die niet te verachten is.”—“Ik voor mij zou mijn leven lang van antilopen kunnen leven,” zeide Joe met een vollen mond, “vooral met een glas grog om de vertering te bevorderen.”—Joe maakte den drank gereed, die met genoegen werd gebruikt.—“Tot hiertoe gaat alles vrij goed,” zeide hij.—“Zeer goed,” zeide Kennedy.—“Laat ons zien, mijnheer Dick, hebt gij berouw ons vergezeld te hebben.”—“Ik zou wel eens hebben willen zien, wie mij dat zou belet hebben!” antwoordde de jager met vaste stem.

Het was vier uur na den middag; de Victoria kwam in een snelleren luchtstroom, de grond rees langzamerhand en weldra wees de barometer eene hoogte aan van 1500 voet boven de oppervlakte der zee. De doctor was toen verplicht zijn ballon door eene vrij sterke uitzetting van het gas op die hoogte te houden en de gaspijp werkte onophoudelijk.

Tegen zeven uur zweefde de Victoria boven de kom van Kanyenye, de doctor herkende terstond die uitgebreide ontginning van tien mijlen uitgestrektheid, met hare dorpen, die zich verliezen te midden der baobabs en kalebasboomen. Daar is de residentie van een der sultans van het land Ugogo, waar de beschaving misschien minder achterlijk is; men verkoopt er zeldzamer de leden zijner familie, maar beesten en menschen leven bijeen in ronde, zonder eenig plan gebouwde hutten, die op hooischelven gelijken.

Na Kanyenye werd de grond droog en rotsachtig, maar na een uur hernam de plantengroei, in eene vruchtbare, laag gelegen streek al hare weelderigheid, op eenigen afstand van Mdaburu. De wind ging met het einde van den dag liggen en de dampkring scheen in diepe rust. De doctor zocht op verschillende hoogten te vergeefs een luchtstroom, en deze kalmte ziende, besloot hij den nacht in de lucht door te brengen, en voor grootere zekerheid verhief hij zich tot op ongeveer 1000 voet. De Victoria bleef onbeweeglijk, de nacht, door een prachtigen sterrenhemel opgeluisterd, begon rustig.

Dick en Joe strekten zich op hunne vreedzame legerstede uit en sliepen vast gedurende de wacht van den doctor. Deze werd te middernacht door den Schot vervangen. “Als het minste toeval mocht gebeuren, moet gij mij roepen,” zeide hij, “en verlies vooral den barometer niet uit het oog, het is ons kompas.”

De nacht was koud; er was tot zelfs 27 graden Fahrenheit verschil in temperatuur met den dag. Bij het opkomen der duisternis hoorde men het nachtelijk concert der dieren, die door honger en dorst uit hunne holen worden gejaagd; de kikvorschen lieten hunne sopraanstem weergalmen, geaccompagneerd door het gekef der jakhalzen, terwijl de zware bas der leeuwen de akkoorden van dit levend orkest ondersteunde.

Jihoue la-Mkoa. Blz. 74.
Jihoue la-Mkoa. Blz. 74.

Jihoue la-Mkoa. Blz. 74.

Tegen zeven uur verscheen eene ronde rots, van bijna twee mijlen lang, even als een ontzaglijk schild. “Wij zijn op den goeden weg,” zeide doctor Ferguson. “Daar is Jihoue-la-Mkoa, waar wij eenige oogenblikken halt zullen houden. Ik zal den voorraad water, die benoodigd is voor mijne gaspijp, vernieuwen; laat ons trachten ons ergens aan vast te hechten.”—“Er zijn weinig boomen,” zeide de jager.—“Laat ons toch beproeven; Joe werp de ankers uit.”

De ballon, die langzamerhand zijne stijgkracht verloor, naderde de aarde, de ankers slingerden voort, een daarvan bleef vastzitten in eene rotsspleet en de Victoria bleef onbeweeglijk. Men moet niet denken dat de doctor op elke plaats waar hij stil hield zijne gaspijp volmaakt kon uitdooven. Het evenwicht van den ballon was berekend op het oppervlak der zee, maar het land rees altijd, en als men zich op eene hoogte van 600 à 700 voeten bevond, zou de ballon eene geneigdheid hebben om lager te dalen dan de grond zelf; daarom moest men hem door eene zekere uitzetting van gas omhoog houden. Slechts in het geval dat de doctor, als er in het geheel geen wind was, het schuitje op de aarde had doen rusten, zou de luchtballon, aanzienlijk verlicht, zonder de hulp van de gaspijp omhoog gehouden worden.

Hij bracht van zijn uitstapje eene soort van klaver mede, die door apen gretig werd verslonden. De doctor herkende de vrucht van den “mbenhu”, een boom, die zeer veel voorkomt in het westelijk gedeelte van Jihoue-la-Mkoa. Ferguson wachtte Joe met een zeker ongeduld, want een, al ware het nog zoo kort verblijf in dit ongastvrije land, boezemde hem altijd vrees in.

Het water werd zonder moeite ingeladen, want het schuitje daalde tot bijna op den grond; Joe kon het anker los maken en klom vlug bij zijn meester. Dadelijk stookte deze zijn vuur aan en de Victoria verhief zich weder in de lucht.

Men bevond zich op ongeveer 100 mijlen van Kazeh, een belangrijk etablissement in het binnenland van Afrika, waar de reizigers, dank zij een luchtstroom uit het zuid-zuidwesten, hopen konden dezen dag aan te komen; zij gingen met eene snelheid van 14 mijlen in het uur; het bestuur van den luchtballon werd toen zeer moeielijk; men kon niet te hoog stijgen zonder het gas te veel uit te zetten, want het land had reeds eene gemiddelde hoogte van 3000 voet. Zoo lang mogelijk wilde de doctor de uitzetting niet te sterk maken, hij volgde dus zeer behendig de kronkelingen van eene vrij steile helling en ging vlak langs de dorpen Thembo en Tura Wels. Dit laatste maakt een deel uit van Unyamwezy, eene prachtige landstreek, waar de boomen hunne grootste hoogte en dikte bereiken, onder anderen de cactussen, die reusachtig worden.

Tegen twee uur, bij prachtig weder, onder eene heete zon, die den minsten luchtstroom verdreef, zweefde de Victoria boven de stad Kazeh op 350 mijlen van de kust gelegen.

“Wij zijn ten 9 ure des morgens van Zanzibar vertrokken,” zeide de doctor, zijne aanteekeningen raadplegende, “en na twee dagen reis hebben wij door onze afwijkingen bijna 500 geographische mijlen afgelegd. De kapiteins Burton en Speke besteedden vier en een halve maand over denzelfden weg.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings