← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXX.

Reading edition

Mosfeia.—De Scheik.—Denham, Clapperton, Oudney.—Vogel.—De hoofdstad van Loggoum.—Toole.—Windstilte boven Kernak.—De landvoogd en zijn hof.—De aanval.—De brandduiven.

De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.
De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.

De gouverneur van Loggoum. Blz. 171.

Mosfeia was reeds lang aan den horizon verdwenen, Mandara vertoonde aan de blikken der reizigers zijne verbazende vruchtbaarheid met zijne acacia-bosschen en de kruidachtige planten der katoen- en indigo-velden; de Shari, die 80 mijlen verder zich in het meer Tchad stort, stroomde onstuimig verder. De doctor wees op de kaarten zijn loop aan zijne reisgezellen.—“Gij ziet,” zeide hij, “dat de onderzoekingen van dien geleerde uiterst nauwkeurig zijn; wij gaan recht af op het district Loggoum en misschien zelfs op de hoofdstad Kernak; daar stierf de ongelukkige Toole, nauwelijks 22 jaar oud; hij was een jonge Engelschman, vaandrig van het 80ste regiment, die zich sedert eenige weken bij majoor Denham in Afrika had gevoegd, waar hij weldra den dood vond. Men kan deze onmetelijke streek met recht het kerkhof der Europeanen noemen.”

Eenige kano’s, vijftig voet lang, zakten de Shari af; de Victoria, 1000 voet van de aarde, trok weinig de aandacht der inlanders tot zich, maar de wind, die tot heden nog al hevig was, begon te gaan liggen.—“Zullen wij weder windstilte krijgen?” zeide de doctor.—“Goed, meester, wij zullen niet altijd gebrek aan water hebben, noch de woestijn behoeven te vreezen.”—“Neen, maar nog geduchter volken.”—“Zie,” zeide Joe, “iets dat op eene stad gelijkt.”—“Dat is Kernak. De laatste zucht van den wind voert ons daarheen en wij kunnen, als wij willen, een nauwkeurigen platten grond daarvan teekenen.”—“Zullen wij niet nader komen?” vroeg Kennedy.—“Niets is gemakkelijker, Dick, wij zijn recht boven de stad; laat mij de kraan van de gaspijp een weinig toedraaien en wij zullen weldra dalen.”

De Victoria bleef een halfuur daarna onbeweeglijk op tweehonderd voet van den grond.—“Nu zijn wij dichter bij Kernak,” zeide de doctor, “dan een man op het kruis der St. Paulskerk te Londen van den grond is. Dus kunnen wij op ons gemak zien.”—“Wat is toch dit geluid van houten hamers, dat men aan alle kanten hoort?” Joe keek oplettend rond en zag dat het geraas werd gemaakt door de talrijke wevers, die in de open lucht hun linnen klopten, dat uitgespreid was op groote boomstronken. De hoofdstad van Loggoum kon dus in haar geheel worden waargenomen, gelijk een ontrolde plattegrond; het was een ware stad met op eene rechte lijn staande huizen en vrij breede straten; op het midden van een groot plein werd slavenmarkt gehouden, er was een groote toevloed van klanten; want de mandaraansche vrouwen, die zeer kleine handen en voeten hebben, zijn zeer gezocht en worden voordeelig verkocht.

Het gezicht van den ballon had de reeds zoo dikwijls vermelde gevolgen; eerst kreten en daarop eene stomme verbazing; de zaken werden geschorst, het geraas hield op. De reizigers bleven onbeweeglijk en verloren geene enkele bijzonderheid van deze volkrijke stad uit het oog, zij daalden zelfs tot op zestig voet van den grond. Toen kwam de gouverneur van Loggoum uit zijne woning, zijn groenen standaard ontrollende, vergezeld door zijne muzikanten, die op schelle buffelhoorns bliezen en de menigte verzamelde zich om hem. Doctor Ferguson wilde zich doen verstaan, het gelukte hem niet. Deze bevolking, met een hoog voorhoofd, gevlochte haren en een arendsneus, scheen fier en verstandig, maar de tegenwoordigheid van de Victoria bracht haar zonderling in de war; men zag ruiters naar alle richtingen snellen; weldra werd het duidelijk dat de troepen van den vorst zich verzamelden om een zoo buitengewonen vijand te bestrijden. Joe ontplooide zakdoeken van alle kleuren, het baatte niets. Echter gebood de Scheik, door zijn hof omringd, stilte en sprak eene redeneering uit, waarvan de doctor niets begreep; het was arabisch vermengd met barghimisch; maar aan de algemeene gebarentaal herkende hij eene bepaalde uitnoodiging om heen te gaan; hij zou niets liever hebben gewenscht, maar bij gebrek aan wind was dit onmogelijk. Zijne onbeweeglijkheid verbitterde den Scheik en zijne hovelingen begonnen te huilen om het monster te verplichten zijn weg te vervolgen.

Deze hovelingen waren zonderlinge personages, met vijf of zes kakelbonte hemden om het lijf; zij hadden vreeslijk dikke buiken, van welke eenigen valsch schenen. De doctor verbaasde zijne reisgezellen door hun mede te deelen dat dit de wijze was om den sultan het hof te maken. De omvang van het onderlijf was de maatstaf voor de eerzucht der mannen. Deze dikke menschen maakten gebaren, schreeuwden, vooral een van hen, die eerste minister moest zijn, als ten minste zijn omvang hier beneden zijn belooning ontving. De menigte der negers voegde hunne kreten bij die van het hof, terwijl zij de gebaren even als apen nabootsten, hetgeen eene enkele en oogenblikkelijke beweging van tienduizend armen veroorzaakte. Bij deze middelen tot het aanjagen van vrees, die onvoldoende werden geacht, voegde men andere, die geduchter waren. Soldaten, gewapend met bogen en pijlen, schaarden zich in slagorde; maar reeds zwol de Victoria en steeg bedaard buiten hun bereik. De Scheik, toen een musket grijpende, mikte op den ballon. Maar Kennedy hield hem in het oog en met een kogel uit zijne karabijn verpletterde hij het wapen in de hand van den Scheik. Op deze onverwachte slag volgde eene algemeene vlucht, iedereen keerde, zoo snel hij kon, naar zijne hut terug, en gedurende het overige gedeelte van den dag bleef de stad geheel eenzaam. De nacht kwam en met hem volkomen windstilte. Men moest besluiten onbeweeglijk te blijven op driehonderd voet van den grond, geen enkel vuur schitterde in het duister, er heerschte eene doodelijke stilte. De doctor verdubbelde zijne waakzaamheid; die stilte kon wel een valstrik verbergen. En hij had niet mis geraden. Tegen middernacht scheen de geheele stad in vuur; honderden vuurstreepen kruisten zich even als vuurpijlen, die eene aaneenschakeling van vlammen vormden.—“Dat is zonderling,” zeide de doctor.—“Maar God vergeve mij!” antwoordde Kennedy, “men zou zeggen dat de brand ons nadert.”—Inderdaad verhief zich deze vuurmassa, bij het geluid van verschrikkelijke kreten en losbrandingen van musketten, naar de Victoria. Joe maakte zich gereed ballast uit te werpen, Ferguson begreep weldra het verschijnsel. Duizenden duiven, wier staarten voorzien waren van brandbare stoffen, waren tegen de Victoria opgelaten; verschrikt stegen zij op terwijl zij in de lucht kringen vuur beschreven. Kennedy begon al zijn schietgeweer te lossen, maar wat vermocht hij tegen zulk eene tallooze menigte? Reeds omringden de duiven het schuitje en den ballon, welke, dit licht terugkaatsende, in eene vuurzee scheen te zweven. De doctor aarzelde niet en een stuk kwarts uitwerpende, hield hij zich buiten het bereik der aanvallen van die gevaarlijke vogels; twee uren lang zag men hen in den nacht heen en weder vliegen, langzamerhand verminderde hun aantal en de vuren gingen uit.—“Nu kunnen wij gerust slapen,” zeide de doctor.—“Niet slecht uitgedacht voor wilden,” zeide Joe.—“Ja, zij bezigen gemeenlijk deze duiven om de strooien daken der dorpen in brand te steken, maar deze keer vloog het dorp hooger.”—“Een ballon heeft bepaald geene vijanden te vreezen.”—“Wel zeker,” antwoordde de doctor.—“Welke dan?”—“De onvoorzichtigen in zijn schuitje; waakt dus overal en altijd, mijne vrienden.”

De Victoria, omgeven door vogels.
De Victoria, omgeven door vogels.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings