← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXVII.

Reading edition

Vreeslijke hitte.—Zinsbedrog.—De laatste druppels water.—Nachten van wanhoop.—Poging tot zelfmoord.—De simoem.—De oase.—Leeuw en Leeuwin.

De eerste zorg van den doctor des anderen daags was, den barometer te raadplegen. Deze was nauwelijks merkbaar gedaald.—“Niets?” zeide hij tot zich zelven.—Hij ging uit het schuitje en onderzocht het verder; het was nog dezelfde hitte, dezelfde helderheid.—“Moeten wij dan wanhopen?” riep hij uit.—Joe in zijne gedachten verzonken en zijn plan van onderzoek overdenkende, zeide niets. Kennedy stond op, zeer ziek en ter prooi aan eene verontrustende overspanning; hij leed vreeslijk van den dorst. Zijne tong en lippen konden nauwlijks geluid voortbrengen. Er waren nog eenige druppels water, ieder dacht er aan en gevoelde zich daartoe aangetrokken, maar niemand durfde eene schrede doen. Deze drie reisgezellen en vrienden zagen elkander aan met woeste blikken en met een gevoel van beestachtigen lust, dat vooral bij Kennedy zich vertoonde; zijne sterke bewerktuiging bezweek spoediger voor die onverdraaglijke ontberingen. Den geheelen dag was hij ter prooi aan waanzin; hij ging en kwam, schorre kreten slakende, zich in de vuisten bijtende, gereed zich de aderen te openen om het bloed er uit te drinken.—“Ach!” riep hij uit, “land van dorst! gij moogt wel land van wanhoop genoemd worden!” Daarna verviel hij in eene groote zwakte, men hoorde slechts het gepiep zijner ademhaling tusschen zijne dorstige lippen. Tegen den avond werd Joe op zijne beurt door eene soort razernij aangetast; deze uitgestrekte zandzee kwam hem voor als een onmetelijke vijver met heldere en doorschijnende wateren, en meer dan eens wierp hij zich op dien brandenden grond om te drinken en stond op met den mond vol stof.—“Vervloekt,” zeide hij toornig, “het is zout water!”—Toen werd hij, terwijl Ferguson en Kennedy onbeweeglijk lagen uitgestrekt, door de onvermijdelijke gedachte overvallen om die enkele druppels water, die nog waren bewaard, op te drinken. Deze gedachte was sterker dan hij zelf, hij naderde het schuitje, zich op de knieën voortslepende, hij verslond de flesch waarin dit vocht was met zijn blik, greep haar en bracht haar aan zijne lippen. Op dit oogenblik werden de woorden: Drinken! drinken! op hartverscheurenden toon uitgesproken. Het was Kennedy, die zich naar hem toe sleepte, hij smeekte om medelijden, hij bad knielende en weende. Joe, in tranen uitbarstende, gaf hem de flesch en de ongelukkige dronk haar tot den laatsten druppel ledig.—“Dank u;” zeide hij. Maar Joe hoorde het niet, hij was even als de anderen op het zand nedergevallen.

Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.
Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.

Het gebrul van een leeuw. Blz. 155.

Wat gebeurde er in dien akeligen nacht? niemand weet het. Maar Dinsdag morgen zagen de ongelukkigen hunne ledematen langzamerhand uitdrogen onder deze stortbaden van vuur. Toen Joe wilde opstaan was het hem onmogelijk, hij kon zijn plan niet ten uitvoer brengen. Hij sloeg zijne oogen rondom zich. In het schuitje beschouwde de doctor, de armen over de borst gekruist, een denkbeeldig punt in de ruimte met de strakheid van een waanzinnige. Kennedy was afgrijselijk om aan te zien, hij slingerde het hoofd rechts en links even als een wild dier in zijne kooi. Plotseling vestigden zijn blikken zich op zijne karabijn, wier kolt boven den rand van het schuitje uitstak.—“O!” riep hij uit, zich door eene bovenmenschelijke poging opheffende. Hij greep het wapen, hij richtte den loop naar zijn mond.—“Mijnheer! mijnheer!” zeide Joe, zich op hem werpende.—“Laat mij,” zeide de Schot reutelend.—Beiden worstelden verbitterd.—“Ga heen, of ik dood u!” zeide Kennedy.—Maar Joe klampte zich krachtig aan hem vast; aldus kampten zij eene minuut lang zonder dat de doctor hen kon zien; in de worsteling ging de karabijn plotseling af. Bij die losbranding stond de doctor recht op als een spook en zag rond. Maar eensklaps wordt zijn blik helder, zijne hand strekt zich naar den horizon uit en met eene stem, die niets menschelijks meer had, roept hij uit: “Daar! daar! daar ginds!” Er was zooveel kracht in zijn gebaar, dat Joe en Kennedy elkander loslieten en uitzagen. De vlakte bewoog zich even als eene woedende zee gedurende een storm; golven zand rolden op elkander te midden van een dik stof, eene ontzettende kolom kwam van het zuidoosten met eene groote snelheid draaiende, de zon verdween achter eene dichte wolk, wier lange schaduw zich tot aan den Victoria uitstrekte; de zandkorrels gleden voort met het gemak van waterdruppels en dit wassende getij naderde langzamerhand. Een blik van hoop schitterde in de oogen van Ferguson.—“De Simoem!” riep hij uit.—“De Simoem!” herhaalde Joe, zonder recht te begrijpen.—“Des te beter,” zeide Kennedy met wanhopige woede, “dan zullen wij sterven.”—“Des te beter,” hernam de doctor, “wij zullen leven.”—Hij wierp spoedig het zand weg dat het schuitje bevrachtte. Zijne reisgezellen begrepen hem eindelijk, voegden zich bij hem en gingen aan zijne zijde zitten.—“En nu, Joe,” zeide de doctor,“werp nu vijftig pond van uwe erts weg.” Joe aarzelde niet, hij ondervond echter wel eenige teleurstelling. De ballon steeg. “Het was tijd,” riep de doctor uit. De simoem kwam inderdaad met bliksemsnelheid, een weinig later, en de Victoria zou verpletterd zijn geworden. De ontzettende hoos bereikte hem bijna, hij werd met een regen van zand bedekt.—“Nog meer ballast weg!” zeide de doctor tot Joe.—“Ziedaar,” antwoordde deze een groot stuk kwarts wegwerpende.

De Victoria steeg snel boven de hoos, maar werd met eene onberekenbare snelheid boven deze schuimende zee gevoerd. Samuel, Dick en Joe spraken niet, zij zagen en hoopten verfrischt door dezen dwarlwind. Ten drie uur hield die kwelling op; het zand nedervallende, vormde eene ontelbare menigte bergjes, de hemel werd helder als voorheen. De Victoria, weder onbeweeglijk geworden, zweefde dicht bij eene oase, een eiland te midden der zandzee bedekt met groene boomen.—“Het water is daar!” zeide de doctor.

Terstond de bovenste klep openende, liet hij eenig gas ontsnappen en daalde zachtjes neder op tweehonderd schreden van de oase. In vier uren hadden de reizigers 240 mijlen afgelegd. Het schuitje werd terstond in evenwicht gebracht en Kennedy door Joe gevolgd, sprong op de aarde.—“Uwe geweren!” riep de doctor uit, “weest voorzichtig.” Dick greep zijn karabijn en Joe een der geweren. Zij naderden spoedig de boomen en drongen in dit frissche groen door, dat hun overvloedige bronnen beloofde; zij sloegen geen acht op versche sporen die hier en daar in den vochtigen grond zichtbaar waren. Plotseling klonk een gebrul op twintig schreden afstands van hen.—“Het gebrul van een leeuw?” zeide Joe.—“Des te beter,” antwoordde de jager verbitterd, “wij zullen vechten.”—“Voorzichtig, mijnheer Dick! van het leven van één onzer hangt aller leven af.”—Maar Kennedy hoorde hem niet, hij ging verder met flonkerende oogen, zijne karabijn geladen en verschrikkelijk in zijne stoutmoedigheid. Onder een palmboom stond een leeuw met zwarte manen in aanvallende houding. Nauwlijks had hij den jager bemerkt, of hij sprong vooruit, maar hij was nog niet op den grond gekomen of reeds werd hij door een kogel in het hart getroffen; hij viel dood neder.—“Hoezee!” schreeuwde Joe. Kennedy snelde op den put toe, begaf zich op de glibberige trappen en strekte zich bij een frissche bron uit, waarvan hij gretig het vocht opslurpte; Joe volgde hem na en men hoorde slechts het geklap der tong van menschen die hun dorst lesschen.—“Laat ons oppassen, mijnheer Dick,” zeide Joe adem halende, “en niet te veel drinken.” Maar Dick ging voort met drinken, zonder te antwoorden. Hij dompelde hoofd en handen in dit weldadige water. “En mijnheer Ferguson?” zeide Joe.—Dit enkele woord bracht Kennedy tot zich zelven; hij vulde eene flesch, die hij had medegebracht, en steeg de trappen van den put op, maar bleef als versteend staan. Een ontzaglijk lichaam sloot de opening. Joe, die Dick volgde, moest met hem teruggaan. “Wij zijn opgesloten.”—“Dat is onmogelijk! Wat beteekent dit?”—Dick eindigde niet, een vreeslijk gebrul deed hem begrijpen met welken nieuwen vijand hij te doen had.—“Een andere leeuw!” riep Joe uit.—“Neen, eene leeuwin! Ah! vervloekt beest! wacht,” zeide de jager, haastig zijne karabijn ladende. Een oogenblik daarna gaf hij vuur, maar het dier was verdwenen.—“Voorwaarts!” zeide hij.—“Neen, mijnheer Dick, neen, gij hebt haar niet gedood, in dat geval zou haar lichaam hierheen gerold zijn, zij is daar, gereed om op den eersten van ons, die verschijnen zal, los te springen, en die is verloren.”—“Wat te doen? Wij moeten hier toch uit, Samuel wacht ons.”—“Laat ons het dier lokken, neem mijn geweer en geef mij uwe karabijn.”—“Wat is uw voornemen?”—“Gij zult ’t zien.”—Joe, zijn linnen vest uittrekkende, maakte het vast aan het bovenste deel van het wapen en bood het als lokaas boven de opening aan. Het woedende dier wierp zich daarop, Kennedy wachtte het in het voorbij gaan op en verpletterde zijn schouder met een kogel. De brullende leeuwin rolde op de trap. Joe omverwerpende. Deze meende reeds de vreeslijke pooten van het dier in zijn lichaam te voelen slaan, toen een tweede schot losbrandde en doctor Ferguson aan de opening verscheen met zijn nog rookend geweer in de hand. Joe stond haastig op, sprong over het lichaam van het dier en gaf zijn meester de met water gevulde flesch over. Haar aan zijne lippen te brengen en half te ledigen was voor Ferguson het werk van een oogenblik, en de drie reizigers dankten uit den grond huns harten de Voorzienigheid, die hen zoo wonderbaarlijk had gered.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings