V.
Reading edition
Droomen van Kennedy.—Lidwoorden en voornaamwoorden in het meervoud.—Vleierijen van Dick.—Wandeling over de kaart van Afrika.—Wat er tusschen de twee punten van den passer blijft.—Hedendaagsche tochten.—Speke en Grant.—Krapf, de Decken, de Heuglin.
Doctor Ferguson verhaastte zeer de toebereidselen tot zijn vertrek; hij bestuurde zelf het vervaardigen van zijn luchtballon, volgens zekere wijzigingen, waarover hij het stilzwijgen bewaarde.
Reeds sedert lang had hij zich op het Arabisch en verschillende Mandingsche tongvallen toegelegd; dank zijn aanleg voor de kennis van vele talen maakte hij snelle vorderingen.
Onderwijl verliet zijn vriend de jager hem geen oogenblik; hij vreesde zonder twijfel dat de doctor zou opstijgen zonder iets te zeggen; hij hield daarover tot Samuel Ferguson verschillende redeneeringen, die den laatste niet overtuigden, en smeekte hem op hartroerenden toon van zijn voornemen af te zien, maar te vergeefs. Dick voelde dat hij in dit opzicht niets op hem vermocht.
De arme Schot was wezenlijk te beklagen; hij beschouwde het blauwe gewelf des hemels niet meer zonder eene sombere vrees; hij droomde alle nachten, dat hij van eene onmetelijke hoogte nederviel.
Wij moeten er bijvoegen dat hij, gedurende deze verschrikkelijke droomen eens of tweemaal uit zijn bed viel. Zijne eerste zorg was, aan Ferguson eene erge kneuzing aan het hoofd te laten zien. En echter zeide hij, het was slechts drie voet hoog, niet meer, en dan zulk een buil! Deze redeneering, vol zwaarmoedigheid, bewoog den doctor niet.—“Wij zullen niet vallen.”—“Maar, als wij vallen?”—“Wij zullen niet vallen.”—Dit was klaar, en Kennedy had niets te antwoorden.
Wat Dick bijzonder verbitterde, was dat de doctor hem toescheen zijn persoon geheel te verloochenen; hij beschouwde hem, Kennedy, onherroepelijk als den man, die zijn metgezel op de luchtreis zou worden. Dit was aan geen twijfel onderhevig. Samuel maakte een onverdraaglijk misbruik van het meervoudige voornaamwoord van den eersten persoon.
“Wij vorderen.... wij zullen gereed zijn den.... wij zullen vertrekken den ....”
”Onze ballon.... ons schuitje.... ons onderzoek.
”Onze toebereidselen.... onze ontdekkingen.... onze opstijging.”
Dick huiverde er van, hoewel besloten om niet te vertrekken; maar hij wilde zijn vriend niet te zeer tegenstreven. Laat ons zelfs bekennen, dat hij in stilte eenige uitgezochte kleederen en zijne beste jachtgeweren van Edinburg had laten komen.
Eens, nadat hij erkend had, dat men met een ongehoord geluk eene kans op duizend had om goed te slagen, veinsde hij aan de wenschen van den doctor toe te geven; maar, om de reis uit te stellen, zocht hij de meest verschillende uitvluchten. Hij sprak over het nut en de goede gelegenheid van den tocht.... Was die ontdekking van de bronnen van den Nijl wezenlijk noodzakelijk?.... Zou men werkelijk voor het heil der menschheid gearbeid hebben?.... Als, per slot van rekening, de volksstammen van Afrika beschaafd waren, zouden zij daarom gelukkiger zijn?.... Was men, overigens, zeker dat de beschaving niet eerder daar was dan in Europa?—“Misschien”—“En kon men nog niet wachten?.... Het doortrekken van Afrika zou zeker eens plaats hebben, maar op eene minder gewaagde manier.... Binnen eene maand, zes maanden, voor het einde van een jaar zou er zonder twijfel wel een of andere onderzoeker komen.”
Dit alles bracht juist het tegenovergestelde te weeg van wat hij zich daarmede had voorgesteld en de doctor sidderde van ongeduld.

Dick raadpleegt de kaart. Blz. 22.
“Wilt gij dan, ongelukkige Dick, wilt gij dan, valsche vriend, dat een ander van dezen roem voordeel trekt? Moet ik dan mijn verleden schande aandoen? moet ik voor hinderpalen terugdeizen, die inderdaad niets beteekenen? moet ik door eene lage aarzeling beloonen wat het engelsche gouvernement en het Koninklijk genootschap van Londen voor mij hebben gedaan?”
“Maar....” antwoordde Kennedy.
“Maar,” zeide de doctor, “weet gij niet, dat mijne reis moet medewerken tot den goeden uitslag der tegenwoordige ondernemingen? Wilt gij dan niet dat nieuwe onderzoekers Afrika binnentrekken?”
“Echter.... Hoor mij wel aan, Dick, en sla de oogen op deze kaart.”—Dick deed het gelaten.—“Trek den Nijl langs,” zeide Ferguson.—“Ik doe het,” antwoordde Kennedy gedwee.—“Kom te Gondokoro aan.”—“Ik ben er.” En Kennedy dacht er aan hoe gemakkelijk zulk eene reis.... op de kaart was.—“Neem een der punten van dezen passer,” hernam de doctor, “en plaats die op die stad, welke de stoutmoedigsten nauwelijks hebben durven voorbijtrekken.”—“Het is gedaan.”—“En zoek nu op de kust het eiland Zanzibar, op 6° zuiderbreedte.”—“ik ben er.”—“Volg nu deze parallel en kom te Kazeh.”—“Ik ben er.”—“Klim op 33° lengte op tot aan de opening van het meer Oukéréoué, de plaats waar de luitenant Speke stilhield.”—“Ik ben er! Een weinig verder zou ik in het meer gevallen zijn!”—“Welnu! weet gij wat men het recht heeft te onderstellen, na de berichten door de volksstammen aan den oever van dat meer gegeven?”—“Neen.”—“Dat dit meer, welks onderste uiteinde op 2° 30′ breedte ligt, zich twee en een halven graad benoorden den evenaar moet uitstrekken.”—“Waarlijk!”—“En van dit noordelijke uiteinde ontspringt een stroom water, die noodzakelijk zich met den Nijl moet vereenigen, zoo hij de Nijl zelf niet is.”—“Dat is merkwaardig.”—“Zet nu de tweede punt van uw passer op dit uiteinde van het meer Oukéréoué.”—“Het is gedaan, vriend Ferguson.”—“Hoeveel graden telt gij tusschen de twee punten?”—“Nauwelijks twee.”—“weet gij, hoeveel afstand dit is, Dick?”—“Neen.”—“Nauwelijks 120 mijlen, dat is, niets.”—“Bijna niets, Samuel.”—“Weet gij, wat op dit oogenblik gebeurt?”—“Neen.”
“Welnu! zie hier. Het Aardrijkskundig genootschap heeft het onderzoek van het meer, dat door Speke gezien is, als zeer belangrijk beschouwd. Met haar medeweten heeft de luitenant, nu kapitein Speke, zich kapitein Grant van het Indische leger tot metgezel gekozen; zij hebben zich aan het hoofd eener groote en goed ondersteunde expeditie gesteld; hun is opgedragen langs het meer te gaan en te Gondokoro terug te komen; zij hebben eene toelage van meer dan 5000 pond ontvangen, en de gouverneur van de Kaap heeft hottentotsche soldaten tot hunne beschikking gesteld; zij zijn in het laatst van October 1860 van Zanzibar vertrokken. Gedurende dien tijd heeft de Engelschman John Petherick, consul van Hare Majesteit te Karthoum, ongeveer 700 pond ontvangen; hij moet te Karthoum eene stoomboot uitrusten, haar van voldoende levensmiddelen voorzien en zich naar Gondokoro begeven; daar zal hij de karavaan van kapitein Speke afwachten en de noodige maatregelen nemen om hem van nieuwen leeftocht te voorzien.”
“Goed bedacht,” zeide Kennedy.
“Gij ziet wel, dat er geen tijd te verliezen is als wij aan dat onderzoek willen deelnemen. En dit is niet alles; terwijl men met zekeren tred de ontdekking van de bronnen van den Nijl te gemoet gaat, begeven andere reizigers zich moedig in de binnenlanden van Afrika.”
“Te voet,” zeide Kennedy.
“Welnu!” hernam de Schot, “dewijl dit alles zoo goed sluit, wat zullen wij dan daar gaan doen?”
Doctor Ferguson antwoordde niet en vergenoegde zich de schouders op te halen.