← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXVI.

Reading edition

Honderd-dertien graden.—Overdenkingen van den doctor.—Wanhopig zoeken.—De gaspijp gaat uit.—Honderd-twee-en-twintig graden.—De beschouwing der woestijn.—Eene wandeling in den nacht.—Eenzaamheid.—Bezuinigings-ontwerpen van Joe.—Hij wil nog een dag wachten.

De weg door den Victoria doorloopen bedroeg geen tien mijlen en om zich op dezelfde hoogte te houden hadden zij 162 kubieke voet gas verbruikt. Zaterdag morgen gaf de doctor het teeken tot het vertrek. “De gaspijp kan nog slechts zes uren werken, als wij in zes uren geen put of bron hebben gevonden, dan weet God alleen wat er van ons zal worden.”—“Er is dezen morgen weinig wind, meester,” zeide Joe, “maar hij zal misschien opsteken,” voegde hij er bij, de kwalijk verborgen treurigheid van Ferguson ziende.

IJdele hoop! de lucht was volkomen helder, er heerschte eene van die kalmten, die in de zeeën onder de keerkringen de schepen hardnekkig doen stil liggen. De hitte werd ondraaglijk en de thermometer onder de tent, teekende honderd-dertien graden Fahrenheit. Joe en Kennedy, naast elkander uitgestrekt, zochten, zoo al niet in den slaap, dan ten minste in de dommeling hun toestand te vergeten; hunne werkeloosheid schonk hun een pijnlijken ledigen tijd. De kwellingen van den dorst begonnen zich wreed te doen gevoelen; de brandewijn, wel verre van in die dringende behoefte te voorzien, deed die nog toenemen en verdiende wel den naam van “tijgermelk,” dien de inboorlingen van Afrika hem geven. Er bleef nauwelijks twee pint lauw vocht over; ieder verslond met zijne blikken deze weinige kostbare druppels en niemand durfde er zijne lippen mede bevochtigen. Twee pint water te midden eener woestijn! Toen vroeg doctor Ferguson, verdiept in zijne overdenkingen, zich af of hij verstandig had gehandeld. “Zou het niet beter geweest zijn dit water te bewaren, dat hij te vergeefs had ontleed om zich in den dampkring staande te houden? Hij had een weinig wegs afgelegd, maar was hij daarom meer gevorderd? Al bevond hij zich zestig mijlen achterwaarts onder deze breedte, wat kwam dat er op aan, dewijl het water hem hier ontbrak? De wind, als hij eindelijk opstak, zou ginds even als hier blazen, hier zelfs minder snel, als hij uit het oosten kwam! Maar de hoop dreef hem voorwaarts! En echter waren deze twee gallons water, die te vergeefs verspild waren, voldoende voor negen dagen oponthoud in deze woestijn. Welke verandering kon er in die negen dagen plaats hebben! Misschien ook had hij, dit water behoudende, moeten stijgen door ballast uit te werpen, met het vooruitzicht gas te verliezen om weder te dalen. Maar het gas van den ballon was zijn bloed, zijn leven!” Deze overdenkingen doorkruisten zijn hoofd, dat hij in de handen hield en uren lang hief hij het niet op.—“Wij moeten eene laatste poging doen,” zeide hij tot zich zelven, omtrent 10 uur ’s morgens, “wij moeten voor de laatste maal een stroom in den dampkring pogen te ontdekken, die ons medevoert, wij moeten onze laatste hulpbronnen wagen.” En terwijl zijne reisgezellen sluimerden bracht hij het waterstofgas van den luchtballon op eene hooge temperatuur; deze zette zich uit en steeg rechtstandig. De doctor zocht vergeefs een koeltje van 100 tot op 5000 voet hoogte, zijn punt van uitgang bleef steeds onder hem, eene volstrekte windstilte scheen tot de laatste grenzen der inadembare lucht te heerschen. Eindelijk was het water voor het gas bestemd op, de gasvlam ging uit, uit gebrek aan gas, de Bunsensche batterij hield op te werken en de Victoria zich inkrimpende, daalde zachtjes op het zand neder op dezelfde plaats vanwaar het schuitje was opgestegen. Het was middag, men was op 19° 35′ lengte en 6° 57′ breedte, ongeveer 500 mijlen van het meer Tchad, op meer dan 400 mijlen van de westelijke kusten van Afrika. Op de aarde komende ontwaakten Dick en Joe uit hunne diepe verdooving. “Wij staan stil,” zeide de Schot.—“Het moet,” zeide Samuel op ernstigen toon.—Zijne reisgezellen begrepen hem. De grond was toen gelijk met de oppervlakte der zee, en de ballon bleef in volmaakt evenwicht en volstrekt onbeweeglijk. Het gewicht der reizigers werd vervangen door een gelijk gewicht zand en zij zetten voet op de aarde; ieder verdiepte zich in zijne gedachten en uren lang spraken zij niet. Joe bereidde het avondmaal, bestaande uit beschuiten en pemmican, waaraan men nauwelijks raakte, een mondvol heet water voltooide dit treurige maal. Gedurende den nacht waakte niemand, maar niemand sliep, de hitte was verstikkend. Des anderen daags bleef er slechts eene halve pint water over; de doctor besloot daarvan slechts in den uitersten nood gebruik te maken.—“Ik stik,” riep Joe weldra uit, “de hitte verdubbelt. Dat verwondert mij niet,” zeide hij na den thermometer te hebben geraadpleegd, “honderd-veertig graden!”—“Het zand brandt alsof het uit een oven kwam,” antwoordde de jager. “En geene enkele wolk aan den hemel die als in vuur staat. Het is om gek te worden.”—“Laat ons niet wanhopen,” antwoordde de doctor, “op deze groote hitte volgt meest altijd onder deze breedte een onweder; het komt met de snelheid des bliksems en ondanks de drukkende helderheid des hemels kan er in minder dan een uur eene groote verandering plaats hebben”—“Maar,” zeide Kennedy, “dan zou er toch eenig teeken zijn.”—“Welnu,” zeide de doctor, “het komt mij voor dat de barometer eene lichte neiging heeft om te dalen.”—“De hemel verhoore u, Samuel, want hier zijn wij aan den grond genageld als een vogel wiens vleugels verbrijzeld zijn.”—“Met dit onderscheid evenwel, mijn waarde Dick, dat onze vleugels ongeschonden zijn en ik hoop er mij nog wel van te bedienen.”—“Ha! wind! wind!” riep Joe uit. “Nu kunnen wij ons naar eene beek, een put begeven en ons zal niets ontbreken, onze levensmiddelen zijn voldoende en met water zouden wij eene maand wachten zonder te lijden. Maar de dorst is iets akeligs.” De dorst niet alleen, maar ook de onophoudelijke beschouwing van de woestijn vermoeide den geest; er was geene oneffenheid in den grond, geen bergje van zand, geen keisteen om den blik er op te vestigen. Deze effenheid walgde en veroorzaakte dat onaangename gevoel dat men ziekte der woestijn noemt. De strakheid van dezen brandenden blauwen hemel en van dit onmetelijke gele zand verschrikte hem. In dezen brandenden dampkring scheen de hitte te trillen als boven een brandenden haard; de geest werd wanhopig door deze kalmte te aanschouwen en zag geene enkele reden, waarom een zoodanige staat van zaken zou ophouden, want deze onmetelijkheid is eene soort van eeuwigheid. Ook begonnen de ongelukkigen onder deze verschroeiende temperatuur de verschijnselen van zinsbedrog waar te nemen; hunne oogen werden wijder, hun blik verward. Toen de nacht gekomen was besloot de doctor deze verontrustende geneigdheid te bestrijden door een snellen loop; hij wilde deze zandvlakte eenige uren lang doorloopen, niet om te zoeken, maar om te loopen. “Komt,” zeide hij tot zijn gezellen, “gelooft mij, dat zal u goed doen.”—“Onmogelijk,” zeide Kennedy, “ik zou geen stap kunnen doen.”—“Ik wil nog liever slapen,” zeide Joe.—“De slaap en de rust zullen u noodlottig zijn, mijne vrienden, verzet u tegen deze verdooving, komt.”

De nacht in de woestijn. Blz. 152.
De nacht in de woestijn. Blz. 152.

De nacht in de woestijn. Blz. 152.

De doctor kon van hen niets verkrijgen en hij vertrok alleen in den helderen nacht. Zijne eerste schreden waren moeielijk, als van iemand die verzwakt en het loopen ontwend is, maar hij merkte weldra dat die oefening hem heilzaam zou zijn en hij ging verscheidene mijlen westwaarts en zijn geest werd weder kalm, toen hij plotseling duizelig werd, hij meende aan den rand van een afgrond te zijn, hij voelde zijn knieën knikken, deze uitgestrekte woestijn verschrikte hem, hij was het wiskundige punt, het middelpunt van een oneindig grooten cirkel, dat is: niets! De Victoria verdween geheel in de schaduw. De doctor werd door eene onoverwinnelijke vrees bevangen, hij, de bedaarde en stoutmoedige reiziger! Hij wilde op zijne schreden terugkeeren, maar te vergeefs, hij riep! er was zelfs geene echo om hem te antwoorden en zijne stem ging in de ruimte verloren even als een steen in een bodemloozen kolk.... Hij ging afgemat op het zand liggen, alleen—te midden der groote stilte van de woestijn.

Te middernacht kwam hij tot zich zelven in de armen van zijn getrouwen Joe; deze, ongerust over de lange afwezigheid van zijn meester, had zijne voetstappen gevolgd, die in het zand zichtbaar waren, en had hem bezwijmd gevonden.—“Wat scheelt er aan, meester?” vroeg hij.—“Het zal niets te beduiden hebben, mijn brave Joe, een oogenblik van zwakte, dat is alles.”—“Het zal inderdaad niets zijn, mijnheer, maar sta op, steun op mij en laat ons teruggaan naar de Victoria.”

De doctor op Joe steunende, sloeg den weg in, dien hij zoo even gevolgd had.—“Het was onvoorzichtig, mijnheer, men waagt zich zoo niet. Gij zoudt beroofd hebben kunnen worden,” voegde hij er lachende bij.—“Laat ons ernstig spreken.”—“Spreek, ik hoor u.”—“Wij moeten volstrekt een besluit nemen. Onze toestand kan geene dagen meer duren en als er geen wind komt, zijn wij verloren.”—De doctor antwoordde niet.—“Welnu! een van ons moet zich opofferen voor allen, en het is natuurlijk, dat ik het zijn zal.”—“Wat wilt gij zeggen? Wat is uw voornemen?”—“Zeer eenvoudig: levensmiddelen medenemen en altijd vooruit loopen totdat ik ergens aankom, dat kan niet missen. Als in dien tijd de hemel u een gunstigen wind toezendt, zult gij niet wachten, gij zult vertrekken. Van mijne zijde, als ik aan een dorp kom, zal ik mij wel uit den brand helpen met eenige woorden Arabisch, die gij mij zult opschrijven en ik zal u hulp brengen of het leven verliezen! Wat zegt gij daarvan?”—“Het is dolzinnig, maar uw braaf hart waardig, Joe, het is onmogelijk, gij zult ons niet verlaten.”—“Wij moeten toch iets beproeven, mijnheer, dat kan niet schaden, dewijl, ik herhaal het u, gij op mij niet hoeft te wachten, en ik kan ook slagen.”—“Neen, Joe, wij scheiden niet, dat zou eene smart te meer zijn; het was geschreven dat het zoo zijn moest en zeer waarschijnlijk dat het later anders zal zijn. Laat ons dus gelaten wachten.”—“Het zij zoo, mijnheer, maar een ding zeg ik u, ik geef u nog één dag, langer wacht ik niet, heden is het Zondag, of liever Maandag, want het is één uur in den morgen; als wij Dinsdag niet vertrekken, zal ik het avontuur beproeven, ik heb dit onherroepelijk besloten.” De doctor antwoordde niet; weldra kwam hij bij het schuitje terug en nam daarin plaats naast Kennedy. Deze was zeer stil en sliep niet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings