XIX.
Reading edition
De Nijl.—De bevende berg.—Herinnering aan het land.—De verhalen der Arabieren.—De Nyam-Nyam.—Verstandige overleggingen van Joe.—De opstijging van luchtballons.—Mevrouw Blanchard.
“Welke richting nemen wij?” vroeg Kennedy, toen hij zijn vriend het kompas zag raadplegen.—“Noord-noordwest.”—“Duivels! dat is het noorden niet!”—“Neen, Dick, en ik geloof dat wij moeite zullen hebben om Gondokoro te bereiken; het spijt mij, maar wij hebben de onderzoekingen van het oosten verbonden met die van het noorden, wij hebben geen klagen.”
De Victoria verwijderde zich langzamerhand van den Nijl.—“Laat ons den laatsten blik slaan,” zeide de doctor, “op die onoverschrijdbare breedte, welke de onverschrokkenste reizigers niet hebben kunnen overkomen. Ziedaar die onhandelbare stammen, beschreven door Petherick, d’Arnaud, Miani en dien jongen reiziger, Lejean, aan wien wij de beste werken over den Opper-Nijl verschuldigd zijn.”—“Dus zijn onze ontdekkingen in overeenstemming met de voorspellingen der wetenschap?” vroeg Kennedy.—“Geheel en al. De bronnen der Witte rivier, van den Bahr-el-Abiad, zijn verborgen in een meer, dat even groot is als eene zee, daar is zijn oorsprong, de dichtkunst zal er zonder twijfel bij verliezen; men vooronderstelde zoo gaarne dat die koning der stroomen een hemelschen oorsprong had; de ouden noemden hem Oceaan, en men geloofde bijna, dat hij onmiddellijk uit de zon stroomde; van tijd tot tijd moet men aannemen wat de wetenschap ons leert, er zullen misschien niet altijd geleerden, maar altijd dichters zijn.”—“Men ziet nog watervallen,” zeide Joe.—“Het zijn de watervallen van Makedo, op drie graden breedte. Niets is nauwkeuriger! O, hadden wij eenige uren den loop van den Nijl kunnen volgen!”—“En daar ginds, voor ons uit,” zeide de jager, “zie ik een berg.”—“Dat is de berg Logwek, de Bevende Berg der Arabieren; deze geheele streek is bezocht door Debono, die haar doortrok onder den naam van Latif Effendi. De stammen in de nabuurschap van den Nijl zijn elkander vijandig en voeren een verdelgingsoorlog. Gij kunt gemakkelijk begrijpen welke groote gevaren hij heeft moeten doorstaan.”
De wind dreef den ballon naar het noordwesten. Om den berg Logwek te mijden moest men een meer afwijkenden luchtstroom zoeken.—“Mijne vrienden!” zeide de doctor, “hier begint onze Afrikaansche doortocht; tot hiertoe hebben wij slechts de sporen onzer voorgangers gevolgd. Nu gaan wij ons in geheel onbekende streken begeven, de moed zal ons niet ontbreken.”—“Nooit!” riepen Dick en Joe eenstemmig uit.—“Op weg dan en dat de Hemel ons bijsta.”

Des anderen daags kwamen vroolijker denkbeelden in hen op; het was fraai weder en de wind woei uit den goeden hoek; een ontbijt, dat door Joe zeer werd opgevroolijkt, bracht hen geheel in een goed humeur. De streek, die zij op dit oogenblik doortrokken, is uitgestrekt; zij grenst aan het Maangebergte en aan de bergen van Darfour; zij is ongeveer zoo groot als Europa. “Wij reizen zonder twijfel,” zeide de doctor, “door hetgeen men onderstelt het koningrijk Usoga te zijn; eenige aardrijkskundigen hebben beweerd, dat er in het midden van Afrika een uitgestrekt dal bestond, een onmetelijk middelmeer. Wij zullen zien of dit eenigen schijn van waarheid heeft.”—“Maar hoe heeft men deze onderstelling kunnen maken?” vroeg Kennedy.—“Door de verhalen der Arabieren. Die menschen zijn goede verhalers, te veel vertellers misschien. Eenige reizigers, te Kazeh of aan de grootere Meren, hebben slaven gezien, die van de middelstreken kwamen; zij hebben hen ondervraagd over hun land, zij hebben die verschillende berichten vereenigd en daaruit stelsels afgeleid. Onder dit alles is er altoos iets waars, en, gij ziet het, men bedroog zich niet ten opzichte van den oorsprong van den Nijl.”—“Niets was juister,” antwoordde Kennedy.—“Door middel van die berichten heeft men gepoogd kaarten te maken, ik zal ook onzen weg nemen volgens eene daarvan en haar des noods verbeteren.”—“Wordt deze geheele streek bewoond?” vroeg Joe.—“Zeker, en slecht.”—“Ik vermoedde het.”—“Deze verstrooide stammen zijn onder den algemeenen naam Nyam-Nyam bekend, en deze naam is niets anders dan eene klanknabootsing: hij bootst het geluid van het kauwen na.”—“Volkomen,” zeide Joe; “nyam! nyam!”—“Mijn beste Joe, als gij de onmiddellijke oorzaak van deze klanknabootsing waart, zoudt gij die niet zoo goed vinden.”—“Wat wilt gij zeggen?”—“Dat men deze volksstammen als menscheneters beschouwt.”—“Is dit zeker?”—“Zeer zeker; men had ook beweerd dat deze inlanders een staart droegen even als viervoetige dieren, maar men heeft weldra gezien, dat deze staart behoorde tot de beestevellen, waarmede zij bedekt zijn.”—“Des te erger! een staart is zeer goed om de muskieten te verjagen.”—“Dat is mogelijk, Joe, maar men moet dit tot de fabelen terug wijzen, even als de hondekoppen, die de reiziger Brun-Rollet aan zekere volksstammen toekende.”—“Hondekoppen? Dat is zeer gemakkelijk om te blaffen en menscheneter te wezen.”—“Wat ongelukkig bewaarheid is, is de woestheid dier volken, die zeer gretig zijn op menschenvleesch.”—“Ik wensch dat zij niet veel smaak in mijn persoon mogen hebben.”—“Meent gij dat?” zeide de jager.—“Het is zoo, mijnheer Dick. Als ik ooit in een oogenblik van hongersnood moet worden opgegeten, dan wil ik dat het zij ten behoeve van u en mijn meester! Maar deze zwarten met mijn eigen vleesch te voeden, foei! ik zou van schaamte sterven.”—“Welnu, mijn brave Joe,” zeide Kennedy, “dat is afgesproken, wij rekenen op u bij gelegenheid.”—“Tot uw dienst, mijne heeren.”—“Joe spreekt zoo,” zeide de doctor, “omdat wij voor hem zullen zorg dragen en hem goed vetmesten.”—“Misschien,” antwoordde Joe, “de mensch is zoo’n zelfzuchtig dier.”
In den namiddag werd de hemel bedekt met een heeten mist, die uit den grond opkwam en nauwelijks veroorloofde de voorwerpen op de aarde te onderscheiden; daarom gaf de doctor, vreezende tegen een of anderen top te stooten, tegen vijf uur het teeken om stil te houden. De nacht verliep zonder dat er iets voorviel, maar men moest in deze diepe duisternis van waakzaamheid verdubbelen. De passaatwind woei hevig in den morgenstond van den volgenden dag; de wind drong in de binnenste holten van den ballon, hij slingerde hevig de uiteinden waar de uitzettingspijpen uitkwamen; men moest deze met touwen vastmaken, hetgeen Joe zeer behendig deed. Tevens bewerkte het dat de opening van den luchtballon vast gesloten bleef.—“Dit is voor ons dubbel belangrijk,” zeide doctor Ferguson, “wij vermijden vooreerst het verlies van een kostbaar gas, vervolgens laten wij om ons heen geene ontvlambare stof, die ten laatste in brand zou vliegen.”—“Dat zou een leelijk geval zijn,” zeide Joe.—“Neen! Het gas zou langzaam branden en wij zouden met geringe snelheid dalen; een gelijk ongeluk is overkomen aan eene Fransche luchtreizigster, mevrouw Blanchard; zij stak haar ballon in brand door vuurwerk af te steken, maar zij zou niet gevallen en gedood zijn, als haar schuitje niet gestooten had tegen een schoorsteen, vanwaar zij op de aarde werd geworpen.”—“Laat ons hopen dat niets dergelijks ons gebeuren zal,” zeide de jager; “tot hiertoe schijnt onze tocht niet gevaarlijk en ik zie geen reden die ons verhindert ons doel te bereiken.”—“Ik ook niet, mijn waarde Dick; overigens zijn de ongelukken meestal veroorzaakt door de onvoorzichtigheid der luchtreizigers, of door de slechte constructie van hun toestel. Evenwel rekent men op eenige duizenden opstijgingen geen twintig ongelukken, die den dood ten gevolge hebben gehad. Wij moeten dus in dergelijk geval geen voorzorg verwaarloozen.”—“Het is tijd om te ontbijten,” zeide Joe: “wij zullen ons tevreden stellen met verduurzaamd vleesch en koffie, totdat mijnheer Kennedy middel zal gevonden hebben om ons op een goed stuk wildbraad te onthalen.”