XLIII.
Reading edition
De Talibas.—De vervolging.—Een verwoest land.—De Victoria daalt.—De laatste mondbehoeften.—De sprongen van den Victoria.—Verdediging met geweerschoten.—De wind wakkert aan.—De rivier Senegal.—De watervallen van Gouina.—De heete lucht.—Overtocht der rivier.
“Als wij gisteren de voorzorg niet hadden genomen om den ballon lichter te maken zouden wij nu zonder genade verloren zijn geweest,” zeide Ferguson.—“Dat heet ik de zaken op zijn tijd doen,” zeide Joe, “men redt zich, en niets is natuurlijker.”—“Wij zijn niet buiten gevaar,” antwoordde Ferguson.—“Wat vreest gij dan?” vroeg Dick.—“De Victoria kan zonder uw verlof niet dalen, en als hij al daalde?”—“Als hij daalde!” zei Dick.

Verdediging met geweervuur. Blz. 234.
Den zoom van het bosch waren zij overgetrokken en de reizigers konden een dertigtal ruiters ontdekken, gekleed met een langen pantalon en golvende bornous; zij waren gewapend, de eenen met lansen, de anderen met lange musketten; zij volgden in een lichten galop op hunne vlugge paarden de richting van den Victoria, die met eene matige snelheid voortging. Op het gezicht der reizigers stootten zij woeste kreten uit, terwijl zij hunne wapens slingerden; de woede en de bedreigingen teekenden zich op hun bruin gezicht, dat nog woester werd door een kleinen maar puntigen baard; zij doortrokken zonder moeite die lage vlakten en die zachte hellingen, die tot aan den Senegal afdalen.—“Zij zijn het wel,” zeide de doctor, “de wreede Talibas! de woeste marabouts van Al-Hadji! Ik zou liever in het midden van een woud, omringd door een troep wilde dieren willen wezen, dan in handen dezer bandieten te vallen.”—“Zij zien er niet zeer inschikkelijk uit,” zeide Kennedy, “en het zijn stevige knapen.”—“Gelukkig vliegen die beesten niet,” antwoordde Joe, “dat is altoos iets.”—“Ziet,” zeide Ferguson, “deze verwoeste dorpen en verbrande hutten, dat is hun werk, en daar waar zich groote bouwvelden uitstrekten, hebben zij de verwoesting gebracht.”—“Zij kunnen ons niet bereiken,” hernam Kennedy, “en als wij den stroom tusschen hen en ons kunnen brengen, zijn wij in veiligheid.”—“Zeer juist. Dick, maar wij moeten niet vallen,” antwoordde de doctor, de oogen op den barometer slaande.—“In alle gevallen, Joe,” hernam Kennedy, “zullen wij geen kwaad doen onze wapenen gereed te maken.”—“Dat kan niet schaden, mijnheer Dick, wij zullen er ons wel bij bevinden ze niet te hebben weggeworpen.”—“Mijne karabijn!” riep de jager uit, “ik hoop mij er nooit van te scheiden.”—En Kennedy laadde ze met de grootste zorg, er bleef hem ammunitie genoeg over.—“Op welke hoogte zijn wij?” vroeg hij aan Ferguson.—“Op ongeveer 750 voet, maar wij hebben geene macht meer om gunstige luchtstroomen te zoeken door te reizen of te dalen, wij hangen geheel van den ballon af.”—“Dat is verdrietig,” zeide Kennedy, “de wind is niet sterk, en als wij door een orkaan gelijk aan dien der vorige dagen waren overvallen, zouden die afschuwelijke bandieten reeds lang uit het gezicht zijn.”—“Deze schelmen volgen ons zonder zich te generen,” zeide Joe, “in kleinen galop.”—“Als wij op een kleinen afstand waren,” zeide de jager, “dan zou ik er schik in hebben hen achter elkander van het paard te doen tuimelen.”—“Ja zeker!” antwoordde Ferguson, “maar zij zouden ook ons onder schot hebben, en onze Victoria zou een te goed mikpunt zijn voor hunne kogels; als zij hem verscheurden, dan laat ik aan uw oordeel over welke onze toestand zou zijn.”—De vervolging der Talibas ging den geheelen morgen voort. Tegen elf uur waren de reizigers nauwelijks 15 mijlen naar het westen gevorderd. De doctor bespiedde de minste wolken aan den horizon; hij vreesde altijd eene verandering in den dampkring. Als hij naar den Niger werd teruggevoerd, wat zou er dan van hem worden? Hij bemerkte dat de ballon merkbaar daalde; sedert zijn vertrek had hij reeds meer dan 300 voet verloren en de Senegal moest nog een twaalftal mijlen verwijderd zijn; met hunne tegenwoordige snelheid, moesten zij nog op drie uren reis rekenen.
Op dit oogenblik werd hunne oplettendheid opgewekt door nieuwe kreten; de Talibas zetten hunne paarden meer aan. De doctor raadpleegde den barometer en begreep de oorzaak van dit gehuil.—“Wij dalen,” zeide Kennedy.—“Ja,” antwoordde Ferguson.—“Duivels!” dacht Joe.—Na een kwartier was het schuitje geene 150 voet meer van den grond, maar de wind stak meer op.—De Talibas spoorden hunne paarden aan en weldra barstten er geweerschoten los.—“Te ver, ezels,” riep Joe uit, “het komt mij goed voor die schurken op een afstand te houden.”—En op een der voorste ruiters mikkende, gaf hij vuur, de Taliba stortte ter aarde, zijne metgezellen bleven staan en de Victoria won weder op hen.—“Zij zijn voorzichtig,” zeide Kennedy.—“Omdat zij zich zeker wanen ons te bereiken,” antwoordde de doctor, “en zij zullen slagen, als wij nog meer dalen! Wij moeten volstrekt stijgen.”—“Wat zullen wij wegwerpen?” vroeg Joe.—“Alle pemmican die ons overblijft, dat bedraagt nog dertig pond.”—“Al klaar,” zeide Joe, de bevelen zijns meesters gehoorzamende. Het schuitje, dat bijna den grond raakte, steeg in de hoogte, te midden der kreten van de Talibas; maar een half uur later daalde de Victoria weder snel; het gas ontsnapte door de poriën van het omkleedsel. Weldra ging het schuitje rakelings langs den grond; de negers van Al-Hadji stortten er op los, maar, zoo als in dergelijke gevallen gebeurt, nauwelijks had het den grond aangeraakt of de Victoria steeg plotseling om eene mijl verder weder te dalen.—“Zullen wij hen dan niet ontkomen?” vroeg Kennedy woedend.—“Werp onzen brandewijn weg, Joe,” zeide de doctor, “onze instrumenten, alles wat eenige zwaarte heeft, en ons laatste anker, omdat het noodig is.” Joe rukte de barometers en thermometers los, maar dat beteekende weinig, en de ballon, die een oogenblik steeg, daalde weldra weder. De Talibas snelden hem na en waren slechts tweehonderd schreden van hem af.—“Werp de twee geweren weg,” beval de doctor. En vier achtereenvolgende schoten troffen vier Talibas, die vielen te midden van de razende kreten der bende.
De Victoria steeg weder. Hij maakte groote sprongen even als een groote elastieke bal. Het was een vreemd schouwspel deze ongelukkigen te zien, die met reusachtige schreden poogden te vluchten en die, aan Anteus gelijk, eene nieuwe kracht schenen te bekomen, zoodra zij de aarde aanraakten. Maar aan dezen toestand moest een einde komen, het was bijna middag; de Victoria verloor zijn gas, zijn omkleedsel begon te fladderen, de plooien van het taf sloegen over elkander heen.—“De hemel verlaat ons,” zeide Kennedy, “wij zullen moeten vallen.”—Joe antwoordde niet, hij zag zijn meester aan. “Neen,” zeide deze, “wij kunnen nog meer dan 150 pond wegwerpen.”—“Wat dan?” vroeg Kennedy, die geloofde dat de doctor gek werd.—“Het schuitje,” antwoordde deze. “Laten wij ons aan het net vasthouden, de mazen kunnen ons wel houden totdat wij aan den stroom komen. Spoedig! Spoedig!”—En de stoutmoedige mannen aarzelden niet om een dergelijk middel tot behoud te beproeven; zij gingen aan de mazen van het net hangen, zoo als de doctor dit had aangewezen, en Joe, zich met eene hand vasthoudende, sneed de touwen van het schuitje door, het viel op het oogenblik dat de luchtballon weder ging dalen. “Hoezee! hoezee!” riep hij uit, terwijl de ballon tot op 300 voet steeg.—De Talibas hitsten hunne paarden aan; zij liepen ventre à terre, maar de Victoria, een sterkeren wind ontmoetende, snelde hen vooruit naar een heuvel in het westen. Dit was eene gunstige omstandigheid voor de reizigers, want zij konden hem overtrekken, terwijl de bende van Al-Hadji genoodzaakt was hem om te trekken. De drie vrienden hielden zich vast aan het net. Zij hadden het onder zich kunnen vast maken, het vormde als het ware een drijvenden zak. Plotseling riep de doctor, na den heuvel te zijn overgetrokken, uit: “De rivier! de rivier! de Senegal, mijne vrienden!”
Twee mijlen voor hen was de rivier; de tegenover gelegen oever, laag en vruchtbaar, bood hun eene zekere schuilplaats aan. “Nog een kwartier,” zeide Ferguson, “en wij zijn gered.” Maar het moest niet zoo zijn; de ledige ballon viel langzamerhand op den grond, die bijna geheel beroofd was van plantengroei; het waren lange hellingen en rotsachtige vlakten; nauwelijks zag men eenige struiken, een zwaar en door de zonnestralen verdroogd gras. De Victoria raakte dikwijls den grond en verhief zich weder; zijne sprongen werden korter en lager; bij den laatsten bleef het bovenste gedeelte van het net aan de hooge takken van een baobab vast zitten.—“Het is gedaan,” zeide de jager.—“En op honderd schreden van de rivier.”—De drie ongelukkigen zetten voet op de aarde en de doctor sleepte zijne twee reisgezellen mede naar den Senegal. Op die plaats deed de rivier een sterk geloei hooren; aan de oevers gekomen herkende Ferguson den waterval van Gouina. Er was geene schuit op den oever, geen levend wezen. Op eene breedte van 2000 voet stortte de Senegal zich van eene hoogte van 150 voet, met een schelklinkend geraas; hij stroomde van het oosten naar het westen, en de rotsen, die zijn loop tegenhielden, strekten zich van het noorden naar het zuiden uit. In het midden van den waterval verhieven zich rotsen van eene vreemde gedaante, even als groote dieren uit de tijden vóór den zondvloed, die versteend zijn te midden der wateren. De onmogelijkheid om dien kolk over te steken was duidelijk. Kennedy kon een gebaar van wanhoop niet weerhouden. Maar de doctor riep met krachtige stem uit: “Alles is nog niet gedaan!”—“Ik wist het wel,” zeide Joe, met dat vertrouwen op zijn meester dat hem nooit verliet.

De overtocht van den waterval. Blz. 238.
Het gezicht van dat droge gras had den doctor op een gewaagd denkbeeld gebracht; het was het eenige voor hun behoud. Hij bracht zijne metgezellen spoedig naar het omkleedsel van den luchtballon terug.—“Wij zijn dien bandieten ten minste een uur vooruit,” zeide hij, “laat ons geen tijd verliezen mijne vrienden, raapt eene hoeveelheid van dit droge gras op, ik heb ten minste honderd pond noodig.”—“Waarvoor?” vroeg Kennedy.—“Ik heb geen gas meer, welnu! ik zal de rivier oversteken met heete lucht.”—“Mijn brave Samuel!” riep Kennedy uit, “gij zijt waarlijk een groot man.”—Joe en Kennedy sloegen handen aan het werk en hadden weldra eene groote menigte gras bij den baobab opeengestapeld. Gedurende dien tijd had de doctor de opening van den luchtballon verwijd, door hem van onderen in te snijden; hij droeg vooraf zorg al het aanwezige gas door de klep te doen ontsnappen, vervolgens stapelde hij eene hoeveelheid gras op onder het omkleedsel en stak het in brand. Er is weinig tijd noodig om een ballon met warme lucht te vullen, eene hitte van 180 graden is voldoende om de zwaarte der lucht voor de helft te verminderen; de Victoria begon dan ook merkbaar weder eene ronde gedaante aan te nemen; er ontbrak geen gras, het vuur werd onderhouden door de zorgen des doctors en de luchtballon werd zichtbaar grooter. Het was toen kwartier voor eenen. Op dit oogenblik verscheen de bende der Talibas in het noorden, men hoorde kreten en den galop hunner pijlsnel rijdende paarden.—“In twintig minuten zullen zij hier zijn,” zeide Kennedy. “Gras! gras! Joe, in tien minuten zullen wij in de lucht zijn.”—“Daar, mijnheer.”—De Victoria was voor twee derde gevuld.—“Mijne vrienden, laten wij ons aan het net vasthechten, zooals wij reeds hebben gedaan.”—“Het is in orde,” antwoordde de jager.
Na tien minuten gaven eenige schokken aan den ballon de neiging te kennen om te rijzen. De Talibas naderden, zij waren nauwlijks 500 schreden van hen af.—“Houdt u goed vast,” zeide Ferguson.—“Vrees niet, meester.”—En met den voet stootte de doctor eene nieuwe hoeveelheid gras bij den reeds brandenden hoop. De ballon, geheel uitgezet door de hoogere temperatuur, ging in de hoogte.—“Op weg,” riep Joe.
Eene losbranding van musketten antwoordde hem, een kogel raakte zelfs zijn schouder, maar Kennedy, zijne karabijn lossende, wierp weder een vijand ter aarde. Kreten van woede vergezelden het ontsnappen van den luchtballon, die bijna 800 voet steeg. Een sterke wind voerde hem weg; hij beschreef verontrustende schommelingen, terwijl de onverschrokken doctor en zijne gezellen den waterval onder hen beschouwden. Tien minuten daarna daalden zij langzamerhand dicht bij den anderen oever der rivier. Daar stonden verbaasd, verwonderd en verschrikt een tiental mannen, die de Fransche uniform droegen. Men oordeele over hunne verbazing toen zij den ballon aan den rechteroever der rivier zagen opstijgen, zij geloofden bijna aan een hemelsch verschijnsel. Maar hunne bevelhebbers, een luitenant van de marine en een cadet, kenden uit de dagbladen van Europa de stoutmoedige poging van doctor Ferguson en zij begrepen het geval terstond.
De ballon, langzamerhand kleiner wordende, daalde weder met de onverschrokken reizigers, die zich aan zijn net vasthielden, maar het was twijfelachtig of hij wel het land zou bereiken, daarom wierpen de Franschen zich in de rivier en ontvingen de drie Engelschen in hunne armen, op het oogenblik dat de Victoria op eenige voeten afstands van den linker oever der rivier nederviel.—“Doctor Ferguson!” riep de luitenant uit.—“Hij zelf,” antwoordde de doctor bedaard, “en zijne vrienden.”

De Franschen droegen de reizigers naar de andere zijde der rivier, terwijl de ballon, half ledig, door een snellen stroom medegesleept, als een ontzaglijke waterbel met de wateren van den Senegal in de watervallen van Gouina verzwolgen werd.—“Arme Victoria!” zeide Joe.
De doctor kon een traan niet weerhouden; hij opende zijne armen en zijne twee vrienden wierpen er zich diep ontroerd in.