← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

XXI.

Reading edition

Vreemde geruchten.—Een nachtelijke aanval.—Kennedy en Joe in den boom.—Twee schoten.—Help! help!—Antwoord in het Fransch.—De morgen.—De zendeling.—Het plan van redding.

De nacht was zeer duister. De doctor had het land niet kunnen herkennen, hij lag vast aan een hoogen boom, dien hij in den donker nauwelijks kon zien. Volgens zijne gewoonte nam hij de wacht van negen uur en te middernacht verving Dick hem. “Waak goed, Dick, waak zorgvuldig.”—“Is er iets nieuws?”—“Neen, maar ik heb beneden ons vreemde geluiden gehoord, ik weet niet waarheen de wind ons heeft gevoerd; overmaat van onvoorzichtigheid kan niet schaden.”—“Gij zult het gehuil van eenige dieren wel hebben gehoord.”—“Neen! het kwam mij voor iets geheel anders te wezen, kortom, wek ons bij het minste alarm.”—“Wees gerust.”

Twee schoten. Blz. 119.
Twee schoten. Blz. 119.

Twee schoten. Blz. 119.

Na voor het laatst oplettend te hebben geluisterd, legde de doctor zich, toen hij niets hoorde, onder zijn deken en sliep weldra in. De hemel was met dikke wolken bedekt, maar geen windje bewoog de lucht; de Victoria, aan een enkel anker vastgehouden, ondervond geene schommeling. Kennedy op het schuitje geleund, om op de gaspijp te passen, beschouwde deze sombere stilte; hij zag naar den horizon, en, zoo als het met onrustige of voorzichtige menschen het geval is, zijn blik meende soms onzekere flikkeringen te zien. Op een oogenblik geloofde hij zelfs op tweehonderd schreden iets waar te nemen, maar het was slechts eene flikkering, en hij zag niets meer. Kennedy stelde zich gerust en verviel weder in zijne besluitelooze beschouwing, toen een scherp gefluit de lucht doorkliefde. Was dit het geluid van een dier, van een nachtvogel? kwam het van menschenlippen? Daar Kennedy al het hachelijke van hun toestand kende, was hij op het punt zijne reisgezellen te wekken, maar hij zeide tot zich zelven, dat in allen gevalle menschen of beesten buiten zijn bereik waren; hij zag dus zijne wapens na en, met zijn nachtkijker keek hij verder in de ruimte. Hij meende weldra beneden zich onzekere gedaanten te zien, die naar den boom slopen; bij een straal der maan, die als een bliksemschicht van tusschen twee wolken te voorschijn kwam, herkende hij duidelijk een troep gedaanten, die zich in de duisternis bewogen. Het avontuur der hondekoppen kwam hem weder voor den geest, hij legde de hand op den schouder des doctors. Deze werd terstond wakker.—“Stil,” zeide Kennedy, “laat ons zacht spreken.”—“Is er iets?”—“Ja, laat ons Joe wakker maken.”—Zoodra deze was opgestaan, verhaalde de jager wat hij had gezien.—“Nog al deze vervloekte apen?” zeide Joe.—“Het is mogelijk, maar wij moeten onze voorzorgen nemen.”—“Joe en ik,” zeide Kennedy, “zullen langs de ladder naar den boom af klimmen.”—“En in dien tijd,” zeide de doctor, “zal ik mijne maatregelen nemen om spoedig te kunnen opstijgen.”—“Dat is afgesproken.”—“Laat ons afdalen,” zeide Joe.—“Bedient u slechts in de uiterste noodzakelijkheid van uwe wapenen,” zeide de doctor, “het is niet noodig onze tegenwoordigheid in deze streken te verraden.”

Dick en Joe antwoordden door een teeken. Zij lieten zich zonder gerucht te maken naar den boom afglijden en plaatsten zich op eenige sterke takken, waaraan het anker vast zat. Sedert eenige minuten luisterden zij stil en onbeweeglijk in de bladeren; bij eene zekere kraking van de schors, die zich deed hooren, greep Joe de hand van den Schot.—“Hoort gij niet?”—“Ja, het nadert.”—“Als het een slang was? Dat gefluit, dat gij hebt gehoord....”—“Neen, het was iets menschelijks.”—“Ik houd het liever met de wilden, die kruipende dieren staan mij tegen.”—“Het geluid wordt sterker,” hernam Kennedy eenige oogenblikken daarna. “Ja, men klautert naar boven.”—“Houd de wacht aan dien kant, ik belast mij met den anderen.”—“Goed.”

Beiden bevonden zich afgezonderd op den top van een hoofdtak eens boababs; de duisternis, nog vermeerderd door de dichte bladeren, was volkomen; echter zeide Joe, zich naar het oor van Kennedy neigende en hem het onderste deel van den boom aanwijzende: “Negers.”

Eenige woorden op zachten toon gewisseld, werden zelfs door de twee reizigers gehoord. Joe legde bedaard zijn geweer aan.—“Wacht,” zeide Kennedy.

Kennedy en Joe gingen verbaasd zoo spoedig mogelijk naar het schuitje terug.—“Hebt gij het gehoord?” zeide de doctor.—“Zonder twijfel! dien doordringenden kreet: Help! help! Een Franschman in handen dezer barbaren!”—“Een reiziger.”—“Een zendeling misschien!”—“De ongelukkige,” riep de reiziger uit, “men vermoordt, men martelt hem.”

De doctor nam het woord, terwijl hij te vergeefs zijne ontroering trachtte te verbergen, en zeide: “Er valt niet aan te twijfelen, een ongelukkige Franschman is in handen dezer wilden gevallen. Wij zullen niet vertrekken, zonder alles te hebben gedaan om hem te redden; aan onze geweerschoten heeft hij eene ongehoopte hulp, eene tusschenkomst der Voorzienigheid herkend. Wij zullen die hoop niet teleurstellen. Zijt gij van mijn gevoelen?”—“Zeker, Samuel, wij zijn gereed u te gehoorzamen.”—“Laat ons dan handelen en als de morgen aanbreekt, zullen wij trachten hem te ontvoeren.”—“Maar hoe zullen wij die ellendige negers verjagen?” vroeg Kennedy.—“Het is duidelijk voor mij,” zeide de doctor, “aan de wijze waarop zij gevloden zijn, dat zij de vuurwapens niet kennen; wij moeten dus ons voordeel doen met hun schrik, maar den dag afwachten om te handelen, en wij zullen overeenkomstig de gelegenheid der plaats een reddingsplan beramen.”—“Die ongelukkige kan niet ver af zijn,” zeide Joe, “want....”—“Help! help!” herhaalde de stem, op zwakke toon.—“Die barbaren!” riep Joe uit. “Als zij hem nu eens nog dezen nacht dooden.”—“Hoort gij, Samuel,” hernam Kennedy, de hand van den doctor vattende, “als zij hem, dezen nacht dooden?”—“Dat is niet waarschijnlijk; deze volksstammen, mijne vrienden, doen hunne gevangenen op klaarlichten dag sterven, zij hebben het zonlicht noodig!”—“Als ik dan van den nacht gebruik maakte,” zeide de Schot, “om naar dien ongelukkige te gaan?”—“Ik vergezel u, mijnheer Dick.”—“Stil, mijne vrienden. Dit voornemen doet uw hart en uwen moed eer aan, maar gij zoudt ons allen blootstellen en hem dien wij willen redden nog meer benadeelen.”—“Waarom?” vroeg Kennedy. “Deze wilden zijn verschrikt, verstrooid! Zij zullen niet terugkeeren.”—“Dick, ik bid u, gehoorzaam mij, ik handel voor het algemeen welzijn; als gij u bij toeval liet verrassen zou alles verloren zijn.”—“Maar die ongelukkige, die wacht! Niemand antwoordt hem, niemand komt hem ter hulp. Hij zal gelooven dat hij zich vergist heeft, dat hij niets heeft gehoord.”—“Men kan hem geruststellen,” zeide doctor Ferguson. En in ’t midden der duisternis opstaande maakte hij van zijne hand een roeper en riep met krachtige stem in de taal van den vreemdeling: “Wie gij ook zijt, heb vertrouwen! Drie vrienden waken over u!” Een vreeslijk gehuil antwoordde hem, dat ongetwijfeld het antwoord van den gevangene verdoofde.—“Men doodt hem! men gaat hem dooden!” riep Kennedy uit; “onze tusschenkomst heeft slechts gediend om het uur zijner doodstraf te verhaasten! Wij moeten handelen.”—“Maar hoe, Dick? wat zult gij in deze duisternis doen?”—“O! als het dag was!” riep Joe uit.—“Welnu, als het dag was?” vroeg de doctor op zonderlingen toon.—“Niets eenvoudiger, Samuel,” antwoordde de jager, “ik zou op de aarde afdalen en deze ellendelingen met geweerschoten verstrooien.”—“En gij, Joe?” vroeg Ferguson.—“Ik, meester, ik zou voorzichtiger handelen en den gevangene doen weten, in eene overeengekomen richting te vluchten.”—“Hoe zoudt gij hem dit bericht doen toekomen?”—“Door middel van dezen pijl, dien ik in de vlucht heb opgevangen en waaraan ik een briefje zou vasthechten, dewijl die negers onze taal niet verstaan.”—“Uwe plannen zijn onuitvoerlijk, mijne vrienden, de grootste moeielijkheid voor dien ongelukkige zou zijn, zich te redden, toegestemd dat hij de waakzaamheid zijner beulen kon misleiden. Wat u betreft, mijn waarde Dick, met uwe stoutmoedigheid en gebruik makende van den schrik door onze vuurwapenen veroorzaakt, zou uw plan misschien gelukken, maar als het mislukte, zoudt gij verloren zijn en wij zouden twee personen in plaats van een moeten redden. Neen, wij moeten alle gunstige kansen aan onze zijde brengen en anders handelen.”—“Maar dadelijk,” zeide de jager.—“Misschien,” antwoordde Samuel, op dit woord drukkende.—“Mijn meester, zijt gij dan in staat deze duisternis te verdrijven?”—“Wie weet het, Joe.”—

“O! als gij dat doet, dan roep ik u uit tot den eersten geleerde der wereld!”

Het electrieke licht. Blz. 123.
Het electrieke licht. Blz. 123.

Het electrieke licht. Blz. 123.

De doctor zweeg eenige oogenblikken, hij dacht na. Zijne twee reisgezellen beschouwden hem met ontroering, zij waren door dezen buitengewonen toestand opgewonden. Weldra hernam Ferguson het woord: “Zie hier mijn plan,” zeide hij. “Er blijft ons 200 pond ballast, dewijl de zakken, die wij hebben medegenomen, nog onaangeroerd zijn. Ik neem aan dat die gevangene, een man die klaarblijkelijk door lijden is uitgeput, evenveel weegt als een van ons, er zal ons dus nog ongeveer zestig pond overblijven om weg te werpen, ten einde spoediger te stijgen.”—“Hoe denkt gij dan te handelen?” vroeg Kennedy.—“Zie hier, Dick, gij zult mij toestemmen dat als het mij gelukt den vreemdeling te bereiken en ik eene hoeveelheid ballast wegwerp, die gelijk is aan zijn gewicht, dat ik niets heb veranderd aan het evenwicht van den ballon, maar dan moet ik, als ik eene snelle opstijging wil bewerkstelligen om aan deze negers te ontsnappen, krachtiger middelen aanwenden. Als ik nu deze overmaat van ballast op het gegeven oogenblik wegwerp, ben ik er zeker van dat wij zeer snel stijgen.”—“Dat is duidelijk.”—“ja, maar er is eene zwarigheid, namelijk dat ik, door later te dalen, eene hoeveelheid gas zal moeten verliezen evenredig met de overmaat van ballast, die ik heb weggeworpen. Dit gas is eene kostbare zaak, maar men kan het verlies niet betreuren als het behoud van een mensch op het spel staat.”—“Gij hebt gelijk, Samuel, wij moeten alles opofferen om hem te redden.”—“Laat ons dan handelen en legt deze zakken zóó op den rand van het schuitje dat zij terstond kunnen worden weggeworpen.”—“Maar die duisternis?”—“Zij verbergt onze voorbereidselen en zal eerst verdwijnen als die zijn geëindigd. Draagt zorg alle wapenen onder ons bereik te houden, misschien zullen wij moeten schieten; wij hebben voor de karabijn één schot, voor de twee geweren vier schoten, twaalf voor de twee revolvers dat is in alles zeventien, die in het vierde gedeelte eener minuut kunnen gelost worden. Maar misschien zullen wij daartoe onze toevlucht niet behoeven te nemen. Zijt gij gereed?”—“Ja,” antwoordde Joe.

De zakken waren gerangschikt, de wapenen gereed.—“Goed,” zeide de doctor. “Houdt een oog over alles. Joe zal den ballast naar beneden werpen en Dick den gevangene ontvoeren, maar niets gebeure zonder mijn bevel. Joe, ga eerst het anker losmaken en klim spoedig weder in het schuitje.”—Joe liet zich langs het touw afglijden en kwam na eenige oogenblikken terug. De Victoria nu vrij geworden zweefde bijna onbeweeglijk in de lucht. Gedurende dien tijd verzekerde de doctor zich van eene genoegzame hoeveelheid gas in de mengkist om des noods de gaspijp te vullen zonder dat het noodig was zijne toevlucht te nemen tot de werking der Bunsensche batterij; hij nam de twee geheel geïsoleerde electroden (geleidraden), die dienden tot de ontleding van het water, weg; vervolgens in zijn reiszak zoekende, haalde hij er twee koolspitsen uit, die hij aan het uiteinde van iederen draad bevestigde. Zijne twee vrienden keken hem aan zonder het te begrijpen, maar zwegen; toen de doctor zijn arbeid verricht had, ging hij midden in het schuitje overeind staan, nam eene koolspits in iedere hand en bracht de punten bij elkander. Plotseling zag men een verblindend licht tusschen de twee koolspitsen; een electriek licht verdreef de duisternis van den nacht.—“O, meester!” zeide Joe.—“Geen woord,” zeide de doctor.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings