Note 1 — XVI.
Reading edition
De reizigers bevonden zich tegen 8 uur ’s avonds op 32° 40′ lengte en 4° 17′ breedte; de stroomen van den dampkring, onder den invloed van een naderend onweder, stuwden hen voort met eene snelheid van 30 à 35 mijlen in het uur. Onder hunne voeten gingen de golvende en vruchtbare vlakten van Mfuto snel voorbij. Het schouwspel daarvan was allerprachtigst en werd bewonderd.—“Wij zijn in het midden van het land der Maan,” zeide doctor Ferguson, “want het heeft den naam behouden, dien de oudheid het heeft gegeven, zonder twijfel, omdat de maan er ten allen tijde aangebeden was. Het is waarlijk een prachtig land.”—“Men kon moeielijk een schooneren plantengroei ontmoeten.”—“Als men dezen rondom Londen vond, zou het niet natuurlijk zijn,” zeide Joe, “maar het zou zeer aangenaam wezen! Waarom vindt men deze fraaie zaken alleen in onbeschaafde landen.”—“Weet men dan,” hernam de doctor, “of deze landstreek niet te eeniger tijd het middelpunt der beschaving zal wezen? De volken der toekomst zullen misschien daartoe geraken, als de landen van Europa te uitgeput zijn om hunne inwoners te voeden.”—“Gelooft gij dat?” zeide Kennedy.—“Zonder twijfel, mijn waarde Dick. Zie den loop der gebeurtenissen, beschouw de achtereenvolgende volksverhuizingen en gij zult tot hetzelfde besluit komen als ik. Azië is de eerste voedster van het menschdom, is het niet zoo? Gedurende 4000 jaren misschien werkt het, wordt bevrucht, brengt voort en vervolgens, toen de steenen blootkwamen, daar, waar de goudgele oogsten van Homerus ontkiemden, verlieten zijn bewoners haren uitgeputten en verwelkten schoot. Gij ziet hen dan naar Europa komen, Europa, jong en matig, dat hen sedert 2000 jaren voedt. Maar reeds wordt Europa’s vruchtbaarheid minder; hare voortbrengende vermogens nemen dagelijks af, die nieuwe ziekten, waarmede ieder jaar de voortbrengselen der aarde worden aangetast, die mislukte oogsten, die onvoldoende hulpmiddelen, dat alles is het zekere teeken van eene levenskracht die bederft, van eene aanstaande uitputting. Wij zien ook reeds de volken zich naar Amerika begeven, even als naar eene bron, die niet onuitputtelijk is, maar waaruit men nooit heeft geput. Dat nieuwe vasteland zal op zijne beurt oud worden, zijne door geene menschenhanden aangeraakte wouden zullen vallen onder de bijl der nijverheid; zijn grond zal verzwakken omdat hij te veel heeft voortgebracht, omdat men te veel van hem heeft geëischt. Daar, waar jaarlijks twee oogsten rijpen, zal er nauwelijks één goed gelukken, omdat die gronden uitgeput raken. Dan zal Afrika aan de nieuwe geslachten de sedert eeuwen in zijn schoot opgehoopte schatten aanbieden. Deze klimaten, noodlottig voor de vreemdelingen, zullen gezuiverd worden door de verdeeling in akkers en de besproeiing; deze verstrooide wateren zullen zich in eene algemeene kom vereenigen om een bevaarbaar water te vormen. En dit land, waarboven wij zweven, vruchtbaarder, rijker, met meer levenskrachten begiftigd dan de anderen, zal een of ander groot koninkrijk worden, waar men van nog wonderbaarlijker ontdekkingen zal hooren dan de stoom en de electriciteit.”—“Ah! mijnheer,” zeide Joe, “dat zou ik wel willen zien.”—“Overigens,” zeide Kennedy, “het tijdstip, waarop de nijverheid alles tot haar voordeel zal aanwenden, moet vervelend zijn! Door werktuigen uit te vinden, zullen de menschen zich door hen laten vernielen! Ik heb mij altijd voorgesteld dat de laatste dag der wereld die zou zijn, waarop een zekere ontzettend groote ketel, heet gemaakt op eene drukking van 3000 millioen atmospheren1, onze aardbol zal doen springen.”—“En ik voeg er bij,” zeide Joe, “dat de Amerikanen niet de laatsten zullen geweest zijn om aan de machine te werken.”—“Inderdaad,” antwoordde de doctor, “zij zijn groote ketelmakers! Maar zonder ons door dergelijke redeneeringen te laten medeslepen, laten wij ons tevreden stellen met dit land der Maan te bewonderen, dewijl het ons gegeven is het te zien.”