← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

Note 1 — XXXII.

Reading edition

Kouka bestaat werkelijk uit twee zeer verschillende steden, van elkander gescheiden door den “dendal,” een wal van 300 vaam1, toen bezet met voetvolk en ruiterij. Aan den eenen kant verheft zich de rijke stad met hare hooge en luchtige huizen, aan den anderen kant de arme stad, zijnde eene treurige verzameling van lage kegelvormige hutten, waar eene behoeftige bevolking een plantenleven leidt, want Kouka heeft noch handel noch nijverheid. Kennedy vond dat het eenige gelijkenis had met Edinburg, als het zich in eene vlakte uitspreidde met hare twee geheel verschillende steden. Maar nauwelijks konden de reizigers een blik daarop werpen: want met alle veranderlijkheid welke de luchtstroomen van deze streek kenmerkt, voerde een tegenwind hen veertig mijlen ver over het meer Tchad. Toen was het een nieuw schouwspel; zij konden de talrijke eilanden van het meer tellen, bewoond door de Biddiomahs, bloeddorstige roovers, wier nabuurschap evenzeer wordt gevreesd als die van de Touaregs der Sahara. Zij maakten zich gereed den Victoria moedig te ontvangen met pijlen en steenen, maar deze was die eilanden spoedig voorbij, waarboven hij scheen te zweven als een reusachtige schallebijter. Op dit oogenblik zag Joe naar den horizon en Kennedy aansprekende zeide hij: “Waarachtig, mijnheer Dick, gij die altijd van jagen droomt, zie hier uwe zaak.”—“Wat is het dan, Joe?”—“Deze keer zal mijn meester geene tegenwerping maken.”—“Wat is er dan toch?”—“Ziet gij daar ginds dien troep groote vogels die op ons afkomen?”—“Vogels!” zeide de doctor, zijn verrekijker nemende.—“Ik zie hen,” antwoordde Kennedy, “zij zijn ten minste twaalf in getal.”—“Veertien, als het u belieft,” zeide Joe.—“Geve de hemel dat zij van eene kwaadaardige soort mogen wezen, opdat de teerhartige Samuel niets hebbe te zeggen.”—“Ik zal niets te zeggen hebben,” antwoordde Ferguson, “maar ik zag deze vogels liever ver van ons.”—“Zijt gij er bang voor?” vroeg Joe.—“Het zijn condors, Joe, van de grootste soort, en als zij ons aanvallen....”—“Welnu! dan zullen wij ons verdedigen, Samuel, wij hebben wapens genoeg om hen te ontvangen. Ik geloof toch niet dat deze vogels zoo te vreezen zijn.”—“Wie weet?” antwoordde de doctor.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings