← Table of contents
Vijf weken in een luchtballon

Note 1 — XXXIX.

Reading edition

Van tijd tot tijd zag men een kamp van Touaregs, die onder hunne lederen tenten bleven, terwijl de vrouwen het werk daar buiten verrichtten, de kameelen melkende, en pijpen rookende. De Victoria was tegen acht uur des avonds meer dan 200 mijlen naar het westen getrokken, de reizigers waren toen getuigen van een prachtig schouwspel. Eenige stralen der maan baanden zich een weg door eene opening in de wolken en, tusschen de regendruppels doorgaande, vielen zij op de bergketen Homboria. Geen vreemder gezicht dan deze kruinen van een bazaltachtig voorkomen; zij weerkaatsten in phantastische beelden op den verduisterden hemel; men zou gezegd hebben dat het ruïnen waren eener onmetelijke stad uit de middeleeuwen, even als de ijsbanken der ijszeeën die in donkere nachten aan de verbaasde blikken vertoonen.—“Daar is eene plaats uit de Geheimen van Udolpho,” zeide de doctor, “Anna Radciliffe zou deze bergen niet vreeslijker hebben kunnen afschilderen.”—“Waarachtig,” antwoordde Joe, “ik zou des avonds niet gaarne in dit land van spoken wandelen. Als het niet te zwaar was, zou ik dit geheele landschap naar Schotland overbrengen, dat zou een goed effect geven op de oevers van het meer Lomond, en de reizigers zouden er in menigte heen snellen.”—“Onze ballon is niet groot genoeg om u dit te veroorlooven, maar het komt mij voor dat onze richting verandert. Mooi! de nachtspoken dezer plaats zijn zeer lief, zij voeren ons een aardigen zuidoosten wind toe, die ons op den goeden weg zal terugbrengen.” Inderdaad sloeg de ballon een meer noordelijken weg in, en den 20sten des morgens zweefde hij over een groot net van kanalen en rivieren, de geheele ineenstrengeling der takken van den Niger; verscheidene van deze kanalen, bedekt met dik gras, hadden het voorkomen van vette weiden. Daar vond de doctor den weg terug van doctor Barth, toen deze zich op de rivier inscheepte om haar tot aan Tombuctou af te zakken. De Niger, die hier 800 vaâm1 breed is, stroomde tusschen twee oevers rijk in kruisplanten en tamarindeboomen; de huppelende kudden der gazellen vereenigden haar geringde horens met het lange gras, waartusschen de alligator haar in stilte bespiedde. Lange rijen ezels en kameelen, beladen met koopwaren van Jenné, liepen onder schoone boomen; weldra vertoonde zich bij een kromming der rivier een amphitheater van huizen; op hunne terrassen en daken was de geheele voorraad, die in de omringende streken was ingezameld, opgehoopt.—“Het is Kabra,” riep de doctor vroolijk uit, “het is de haven van Tombuctou, de stad zelve is geen vijf mijlen van hier!”—“Dan zijt gij tevreden, mijnheer?” vroeg Joe.—“Verrukt, mijn jongen.—Alles gaat goed.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings