I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
No. 2. De oorsprong der eerste menschen (C.)
De bewoners van den hemel gluurden eens door een opening, die zij, zooals hen geleerd was, niet mochten naderen, naar beneden, en ontdekten toen een geheel andere wereld. Zij sneden toen lange bastrepen en lieten zich er mede naar beneden zakken.
Toen zij nu een tijd lang op de aarde hadden rondgedoold, begonnen zij angstig te worden en besloten zij weder naar boven te klimmen. Nadat zij nu weder de opening, waaruit zij waren neêrgedaald, hadden bereikt, bleef een vrouw, die buitengewoon breed en zwaar was, in het gat steken en gedurende het gevecht en het gedrang, dat er ontstond, om binnen te komen, brak de bastreep af en een aantal Caraïben vielen naar beneden en waren nu genoodzaakt op de aarde te blijven.
De menschen trokken toen naar elders, alleen een kind achterlatend. Toen zij nu na langen tijd, waarin zij zich met bessen hadden moeten voeden, op de plaats terugkeerden, troffen zij het kind niet alleen nog levend, maar zeer welgedaan, te midden van een aantal maïskolven aan. De Acouri, die het kind zoo lang met maïskorrels had gevoed, was na een zijner bezoeken door het kind gevolgd en dit had toen het maïsveld ontdekt, waaruit het zoo lang eten had gekregen. Het volk was nu gered en nam in aantal toe.
No. 3. De oorsprong van het menschdom (W.)
Eens op een dag was Okonoróté op jacht en wilde een zeldzamen vogel zien te bemachtigen—in die tijden leefden de Warraus boven in de lucht en kenden zij geen andere dieren dan vogels—en verscheidene dagen gingen voorbij, voor hij eindelijk met zijn pijl het verlangde dier doorboord had. Maar toen hij naar de plaats snelde, waar de vogel was neêrgevallen, was deze verdwenen en zag hij beneden zich een groot gat, waardoor hij allerlei dieren, als herten, wilde zwijnen op het groen onder zich zag loopen. Met behulp van een katoenen band daalde hij nu op aarde neder en hij zag daar jagoears, slangen en andere wilde dieren hun prooi verslinden.
Verlangend om ook eens van die dieren, die hij niet kende, te proeven, was hij zoo gelukkig een jong hert te schieten, waarvan hij het vleesch braadde; en zóó lekker smaakte hem dit, dat hij besloot er mede weder aan den katoenen band naar boven te klimmen. Alle Warraus waren nu natuurlijk verlangend, om Okonoróté naar beneden te vergezellen, toen hij zijn tocht naar de aarde wilde herhalen.
Toen nu de laatsten door het gat wilden zien te komen, gebeurde het, dat een buitengewoon dikke vrouw in het gat niet heen weêr kon komen, en daar moest blijven, zoodat de Warraus genoodzaakt waren, altijd op de aarde te blijven.
De bewuste vrouw heette Okona-koera en de Warraus zien haar nog altijd als de morgenster.
No. 4. De oorsprong der Caraïben. (C.)
De water-camoedi* beminde een Indiaansch meisje. Des nachts nam het monster menschengedaante aan. Overdag werd het weêr slang. Het paar was gewoon, elkander geregeld aan den rivieroever te ontmoeten, maar de ouders van het meisje waren onkundig van dit samenzijn.
Dit had zoo een poos geduurd, toen een jonge camoedi geboren werd. Het jong vertoonde zich nu en dan op een zandbank, zwom in het water heen en weêr en keerde daarna weder naar het nest terug.
Toen het meisje zoo lang wegbleef, zei de vader tot zijn beide zoons: „Wat is er toch met jelui zuster. Waarom blijft zij zoo lang in het bad?” Daar de zoons er ook niets van begrepen, werd overeengekomen, dat zij naar den rivieroever zouden gaan om haar te bespieden. En wat zagen zij? Hun zuster in teedere omarming met een waterboa en in de nabijheid van het verliefde paar een jonge camoedi. Zij bleven kijken en zagen, dat de oude camoedi aan zijn jong eten bracht.
Toen de zoons, weêr in de hut teruggekeerd, aan den ouden man vertelden wat ze hadden gezien, schrok hij hevig en beval de camoedis onmiddellijk te dooden.
Bij de eerste goede gelegenheid deden ze wat hen bevolen was. Zij doodden den oude en sleepten het jong naar het achterliggende bosch, waar zij het in een menigte stukjes sneden.
Eenige maanden later, toen zij in den omtrek aan het jagen waren, hoorden de broêrs een groot lawaai en het geluid van een menigte stemmen, dat van de plek scheen te komen, waar zij de jonge camoedi gedood hadden; en toen zij zich in de richting begaven, van waar de stemmen kwamen, zagen zij juist op de plek, waar zij de jonge slang in stukken hadden gesneden, vier hutten, elk bewoond door Indianen, die uit de stukken van de jonge camoedi te voorschijn gekomen waren.
In de voorste hut zei de oudste der bewoners tot de broêrs, dat hij verheugd was, hen als hun ooms te kunnen verwelkomen; maar in de andere drie wilden de Indianen hen dooden, omdat zij het kind van hun zuster, waaruit zij geboren waren, gedood hadden. Maar de Indiaan uit de voorste hut zei: „neen, doe dat niet, want deze twee bezoekers zijn immers jelui ooms, en jelui moet hen daarom genegen zijn.”
En zoo gebeurde het, dat de beide broêrs onverlet bij hun ouden vader kwamen, wien zij vertelden, dat uit de deelen van de stuk gesneden jonge camoedi menschen waren gegroeid.
De vader was nu zeer verheugd en kon nauwelijks wachten, zijn kleinkinderen te zien. Met zijn zoons begaf hij zich den anderen morgen vroeg op weg en toen hij zijn talrijke nakomelingschap zag, was hij zóó verrukt, dat hij voorstelde, de gebeurtenis met paiwarri* te vieren.
En zoo zijn de Caraïben uit een water-boa voortgekomen.
No. 5. Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen. (C.)
Er was een tijd, dat de Indianen geen cassave hadden en dat zij allen honger leden. Ook de dieren hadden weinig te eten en leden honger. Alleen Maipoeri* ging geregeld iederen morgen er op uit en ’s avonds kwam hij glimmend van gezondheid en vet van zijn tochten terug. De andere dieren die de overblijfselen van zijn maal—bananenschillen, suikerrietresten, enz.—zagen liggen, zeiden tegen elkander: „Maipoeri moet zeker een goede plaats gevonden hebben, waar hij eten vindt. Laten we hem volgen”. Alzoo zonden zij er den volgenden morgen de Boschrat* op uit, die hem op de hielen zou volgen. Zoo hoorden zij, op welke wijze hij er zoo lekker doorvoed uitzag. Want toen de boschrat deed, wat hem was opgedragen, en Maipoeri ver in het bosch volgde, zag zij hem eindelijk onder een enormen boom halt houden en de vruchten oprapen, die naar beneden waren gevallen.
Zoodra nu Maipoeri zijn maag gevuld had, klom de rat in den boom, verzadigde zij zich aan maïs en toen zij niet meer kon, daalde zij weêr naar beneden, een korrel meebrengend om haar lotgenooten te laten zien, wat zij gevonden had.
De Indianen volgden den anderen morgen de rat op weg naar den boom en toen zij ter plaatse waren aangekomen, zagen ze onder den boom een menigte bananen, jams, tajerknollen* en ananassen liggen, die de boom had laten vallen. Nadat ze zich aan alles te goed hadden gedaan en er niets meer was blijven liggen, probeerden zij in den boom te klimmen, om nog meer te halen; maar de stam was te glad en te dik, zoodat zij moesten besluiten, den boom te vellen.
Zij maakten een stellage om den stam en begonnen met hun steenen bijlen* den boom te bewerken. Tien dagen bleven ze hakken, maar hij wilde maar niet vallen—zoo’n kolos was Allepántepo. Nog eens tien dagen gingen ze er meê voort, en nog hadden ze hem niet naar beneden.
De Indianen begonnen er dorst van te krijgen, en daarom deelden zij aan alle dieren een kalebas uit, om water voor hen te gaan halen; alleen aan Maipoeri gaven ze er een, die als een zeef doorboord was. Toen de dieren de rivier bereikt hadden, begonnen zij uit de kalebas te drinken, maar bij Maipoeri wilde het niet lukken, want zóó was zijn kalebas vol water, of het liep er even hard weêr uit; dit was reeds een deel van zijn straf, zoo begeerig te zijn geweest, om het geheim van den milden boom alleen voor zich te willen houden.
Eindelijk, na nog eens tien dagen gewerkt te hebben, viel de boom neêr. De Indianen namen toen als hun aandeel al de cassave, het suikerriet, de jams, de tajers, de bananen, pompoenen, de watermeloenen er af, terwijl Acouri, Oerana* en andere dieren op de takken der boomen klommen, om, wat hun tot voedsel kon strekken, er af te halen.
Maipoeri keerde na eenigen tijd van den rivieroever terug en toen hij zag, dat voor hem alleen de pruimen* waren overgebleven, was hij zeer vertoornd. Nog altijd moet de Tapir voor zijn inhaligheid boeten; want hij moet zich nog steeds daarmede tevreden stellen.
Wat de Indianen op den wonderboom hadden ingezameld, namen zij naar hun dorp mede, en legden er hun kostgronden meê aan. De Bunia-vogel* was het, die hen alles omtrent de cultuurplanten uitlegde, de kweekwijze en de toebereiding, vooral op het hart drukkend, de bittere cassave* vóór het gebruik goed te koken.
No. 6. De dochter van den geestenbezweerder.
De dochter van een piaiman werd tot over de ooren verliefd op een dapperen, jongen jager; maar deze nam weinig notitie van het meisje. Zij wendde zich nu tot haar vader, en klaagde hem haar nood, er bij voegende, dat de jonge man toch een vrouw diende te hebben, die hem bij zijn thuiskomst kon verzorgen. Het meisje smeekte nu haar vader, om van haar een van ’s mans honden te maken, zoodat zij altijd bij hem zou kunnen zijn.
„Neem dit vel”, zei de vader, „en hang het over je schouders. Wees bevrijd van je dolzinnigheid, en—kom weêr bij je vader terug.” Het meisje veranderde nu in een hond. Telkens, wanneer nu de jonge man met vier honden op jacht was, rende er altijd een in den namiddag weg, die niet langer aan den strijd wilde deelnemen—en wat vreemder was, als de jager in zijn hut terugkeerde, vond hij het vuur branden, zijn cassavebrood gebakken, en alles netjes en helder.
De man dacht, dat hij dit alles aan een van zijn buren te danken had, wien hij daarom een bezoek ging brengen, om voor de zorg te bedanken. Maar niemand wist iets van het geval. „Het mag dan misschien een of andere Geest geweest zijn, die medelijden met mijn eenzaamheid heeft gehad,” gaf hij ten antwoord. Toen hij deze woorden sprak, zag een zijner honden hem zoo vreemd aan, alsof hij zeggen wilde: „ik weet er ook niets van.” De man begon nu over het geval te piekeren.
Den volgenden dag, toen hij weêr op jacht was, telde hij zijn honden en bemerkte hij, dat er maar drie waren, „Ik ga toch eens zien, wat jelui kameraad is gaan doen,” zei hij tegen het drietal, „ik zal jelui zoo lang aan dezen boom vastbinden.”
Stil en geruischloos naderde hij nu zijn hut en zag daar tot zijn verbazing een allerbekoorlijkst meisje, dat druk bezig was, cassavebrood voor hem te bakken, terwijl hij de betooverde huid, die hem het geheim oplostte, tegen den hutpost zag hangen. Hij sprong nu de hut in, greep het vel met een verlicht hart, zeggende: „Niet langer zal dit bekoorlijk meisje, dat zich op deze wijze verbergt, meer toovermacht over mij hebben”, en terwijl hij dit zei, wierp hij het vel in het vuur. Het meisje wilde het grijpen, om haar schoonheid te verbergen, en begon luid te weenen. Dit maakte blijkbaar indruk op hem, want hij riep uit: „Ga nu naar je vader; ik zal je volgen en je vragen, mijn schoone bruid.”
No. 7. Hoe lichaamspijnen, dood en ellende in de wereld kwamen. (C.)
Vroeger bestonden er geen twisten. Alle menschen leefden gelukkig; niemand werd ziek of stierf. In dien tijd waren de Joroka’s* gewoon onder ons als vrienden te leven. Zij waren kleine wezens, evenals wij. Het was vooral een dezer Joroka’s, die gewoon was ons te komen bezoeken, en dan paiwarri met ons te drinken. Hij kwam nagenoeg iedere maand terug. Den laatsten keer, toen hij ons bezocht, had hij de gedaante van een vrouw met een kind aan de borst.
De Caraïben lieten haar van den peperpot* meêëten, waarin zij haar cassavebrood doopte, het uitzoog en het daarna opat. Maar de peperpot was zóó heet, dat zij haar mond en haar binnenste leelijk brandde. Zij vroeg daarom haar gasten om water, maar deze beweerden, dat ze op dit oogenblik niets hadden. Joroka vroeg toen om een kalebas en terwijl zij haar kind achterliet, liep zij naar den waterkant, om haar pijn te stillen en haar dorst te lesschen.
Toen zij in de hut terug keerde en om haar kind vroeg, was het nergens te vinden. Zij zocht overal, boven en beneden in de hut, maar vond het niet. Wat was er gebeurd: een booze vrouw had het kind in haar afwezigheid in den kokenden peperpot gestopt.
Toen Joroka weêr trek begon te krijgen en, zich bij den peperpot neêrzettende, de kassiri met de roerspaan ging omroeren, rees plotseling haar kind omhoog. Joroka begon te schreien, en zich tot de omstanders wendende, voer ze uit: „ik heb nooit iets slechts met jullie voorgehad, maar nu zal ik jullie deze daad betaald zetten. In het vervolg zullen al jelui kinderen sterven en dat zal jullie doen schreien, evenals ik nu schrei. En wanneer jelui kinderen geboren zullen worden, zal dat met pijn gepaard gaan. En verder”, zich nu tot de mannen wendende, ging Joroka voort, „wat jullie aangaat, de vischvangst zal voortaan niet gemakkelijk meer zijn”. En Joroka hield woord. Tot nu toe behoefden wij, Caraïben, met onze kalebassen maar naar de rivier te gaan, en de visschen zoo maar van den bodem uit te hoozen. En wanneer we alle visschen hadden uitgeschept, duurde het niet lang of wij vonden weêr nieuwe. Joroka heeft dit nu alles veranderd. Nu hebben wij zelfs allerlei middelen moeten bedenken, zelfs vergiften* moeten zoeken, om de visschen in onze handen te krijgen.
No. 8. Het hoofd van den Boschgeest en de nachtzwaluw. (A.)
De Boschgeest was hoogst verrukt, stond het toe, en zei zelfs er evenmin iets tegen te hebben, zijn hoofd met pepers* te laten bestrooien, opdat de bloederige huid spoediger zou genezen. Maar toen de man dit gedaan had, begon hij van pijn zóó hevig te kermen, dat de jager bang werd en zich, zoo gauw hij kon, uit de voeten maakte.
Lang na dit voorval, zeker verscheidene jaren, toen de jager weêr eens in het bosch was en juist voorbij de plek kwam, waar hij den Boschgeest zoo had toegetakeld, verscheen dezelfde konokokoeja, dien hij herkende aan de pepers, die op zijn hoofd tot heele struiken waren opgegroeid.
De Boschgeest had den jager ook herkend, en naar hem toekomende, riep hij uit: „Jij bent de man, die mijn hoofdhuid met haar en al er af heeft genomen. Ik zal je nu doodmaken”. Maar de jager antwoordde: „Je vergist je; ik was het niet. Degeen, die het deed, is al lang dood. Ga met me meê en ik zal je bij zijn gebeente brengen”. De man bracht toen den Boschgeest naar een plek, waar een hoop hertebeenderen lagen.
De Boschgeest nam ze een voor een op, en toen hij ze in zijn waiyarri* had gedaan, zei de man: „Kom, laten we nu gaan dansen, dan zullen zijn beenderen rammelen.” Terwijl zij samen dansten, zong de Boschgeest: „Jij was het, die mijn hoofd zoo toegetakeld heeft. Jij was het, die mij gestraft heeft. Hoe vind je het nu, dat je beenderen muziek maken?”
Na eenigen tijd zei de jager: „Deze plaats is niet goed om te dansen. Laten we een mooien, platten steen opzoeken; daar zal het beter op gaan.” Na eenig zoeken vonden ze zoo’n steen. „Buig je hoofd wat meer voorover”, zei de man, „je houding is niet goed”. De Boschgeest deed het, maar zijn gezel vond het nog niet laag genoeg, en toen hij het hoofd van den Boschgeest na lang aandringen eindelijk vlak bij den steen had gekregen, sloeg de jager het met één slag op den steen te pletter. Zóó hard was de slag aangekomen, dat zijn schedelbeenderen overal in het rond vlogen.
En wat gebeurde er? Uit elk stuk kwam een Wokoraiyoe (nachtzwaluw*) te voorschijn.
Daarvan komt het nu, dat de Indianen altijd zoo bang zijn voor deze vogels, want zij waarschuwen altijd voor gevaren. Moeielijkheden van allerlei aard volgen altijd, zeggen zij, wanneer deze vogels zich laten hooren.
No. 9. De vrouw, die een Boschgeest nabootste. (A.)
Maar toen de man begreep wat er gebeurd was, zette hij het op een loopen en rende hij zoo gauw hij kon om een kreek te bereiken, waarin hij onderdook en haar overzwom. Toen hij aan den anderen oever weêr boven kwam, rustte hij wat uit.
De vrouw was haar man achterna gerend, en toen zij bij de kreek kwam en haar man niet zag, dacht zij: „hij zal zich zeker verborgen hebben tusschen de biezen of in de modder”. Met haar puntige steenen begon zij overal om zich heen te trippelen, uiting gevend aan haar kwaadaardigheid, en zij riep daarbij: „ruwe klant, wacht, ik zal je wel pakken. Ik weet wel wat ik met je zal doen.”
Zij wist echter niet, dat haar man dit alles hoorde, en haar steeds glimlachend aanzag. Zij bleef echter, al maar vloekende, voortstampen, totdat zij met een harer steenen voeten in een alligator stak, dien ze daarna naar den oever sleepte. Hier ging zij nog maar voort met steken, daar zij vast geloofde, dat het haar man was, dien zij zoo toetakelde.
Toen zij over haar werk voldaan was, keerde zij naar haar banab terug. Haar man echter liep naar zijn hut en toen hij daar aankwam, vroegen zijn schoonbroeders hem waar hun zuster was gebleven. Hij vertelde hun het gebeurde, maar de beide mannen wilden er eerst niets van gelooven, en toen zij dreigden, hem te zullen dooden, zei hij: „kom meê, dan zal ik de plaats aanwijzen, waar het gebeurd is”.
Zoo gezegd zoo gedaan, en toen zij bij het tijdelijk verblijf in het bosch waren aangekomen, was de vrouw nergens te vinden. Haar man bootste nu Jawahoe’s gefluit na—nu de Geest niet in de nabijheid was en te ver was om het te kunnen hooren, kon er geen kwaad gebeuren—en onmiddellijk kwam zij met haar steenen voeten woedend aanloopen, gereed om niet alleen haar man, maar ook haar broêrs te vernietigen. Maar deze waren gewaarschuwd, en voordat zij nog iets kon doen, joegen zij haar een pijl door het lichaam.
Toen de broêrs hun zuster dood zagen liggen, erkenden zij dat hij waarheid had gesproken.
No. 10. De Geest van een schimmelplant* redt een Indiaansch meisje. (C.)
Twee meisjes bleven volgens haar eigen verkiezing alleen in een hut achter, terwijl de ouders een drinkpartij bijwoonden. De ouders hadden er bij de dochters op aangedrongen, dat zij mede zouden gaan, doch deze hadden er geen lust in. Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van een nabijstaanden kankantrie: hij had pijl en boog, waarmeê hij een papegaai schoot. Hij bracht den vogel aan de beide meisjes en verzocht haar het dier te koken, en niet wetende, dat de bezoeker een Boschgeest was, voldeden zij maar al te gretig aan zijn verzoek. Toen zij gezamenlijk den vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in zijn hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje, hem gezelschap te komen houden, maar deze, er niet toe geneigd, zond haar oudere zuster in haar plaats.
In den vroegen ochtend verscheen Joroka en vroeg aan den Geest van de schimmel, of hij ook een meisje had gezien, maar deze gaf geen antwoord, daar hij druk bezig was de maïs te eten (d.w.z. aan te tasten). Joroka ging toen aan het zoeken, overal tusschen door kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van den dag nog niet had gevonden, moest hij wel naar zijn verblijf in den kankantrie terugkeeren.
Het arme meisje had den geheelen nacht tusschen de maïs rondgekropen, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, durfde zij er uit op te rijzen. Zij zocht nu haastig het pad op, dat naar hare hut leidde en ontmoette er hare verwanten, die juist van de drinkpartij terugkeerden. Zoodra zij hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen. „Wat is er voor naars?” vroeg haar moeder. „De Komaka*-Joroka heeft mijn arme zuster gedood”, antwoordde zij. „Zie je nu wel”, klaagde de moeder, „jelui had met ons meê moeten gaan, inplaats van alleen achter te blijven”.
Zoodra nu allen in de hut waren teruggekeerd, vonden zij van het lichaam der gedoode zuster niets meer over en zij haastten zich nu met de pepers, die zij bijeen konden rapen, de manden te vullen, om er mede naar de Komaka-boom te gaan, dien de dochter spoedig als het verblijf van Joroka had aangewezen.
Een groot vuur werd nu om den boom aangelegd, en daarin peper gestrooid. Een groote Joroka-familie moest wel in dien Komaka huizen, want toen de prikkelende rook in den boom omhoog steeg, kwamen talrijke kleine baboens* naar beneden, met welke het vuur korte metten maakte. Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en talrijke baboens en veel grootere daalden naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.
De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur, en daar kwam Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden, en, terwijl de vader hem toeriep: „ik dood je, om mij te wreken op den dood mijner dochter”, brachten zij hem met hun allen om. Het lichaam van Joroka werd nu geopend, en zij vonden er vrouwenvleesch in.
Van dien tijd af heeft de jongste dochter altijd hare ouders gehoorzaamd.
No. 11. Een jagoear, die in een vrouw veranderde. (A.)
Er was eens een man, die uitmuntte in het jagen van boschvarkens. Hoewel zijn vrienden in het bemachtigen van ander wild misschien bekwamer waren dan hij, vond hij in het bemeesteren van piengos* zijns gelijken niet. Het gelukte hem altijd 5 of 6 van deze dieren te dooden, terwijl de jagoear, die steeds piengo-troepen achtervolgt, er nooit meer dan een of twee in één keer te pakken kon krijgen. De jagoear kon niet nalaten, van het benijdenswaardige succes goede nota te nemen, en bij de eerste de beste gelegenheid, dat onze vriend in het bosch verscheen, veranderde hij zich in een vrouw.
Deze vroeg toen den gelukkigen jager, hoe hij het toch wel aanlegde, zooveel boschvarkens te schieten; maar alles wat hij vertellen kon, was, dat hij er zich van jongs af aan in geoefend had. Zij antwoordde, dat zij vurig wenschte, zijn vrouw te mogen zijn; maar hij, wetende, waar zij vandaan was gekomen, was niet erg begeerig een beslist antwoord te geven. Zij, van haar kant, hield aan en beduidde hem, dat wanneer zij samen leefden en samen op jacht gingen, altijd meer dieren zouden bemachtigen, dan wanneer zij er alleen op uitgingen. Eindelijk stemde hij toe.
Lang, heel lang leefden zij gelukkig; want zij was een goede huisvrouw en behalve dat zij uitstekend kon koken en barbakotten*, bleek zij ook goed te kunnen jagen. Eens op een dag vroeg zij aan haar man, of hij geen vader of moeder meer had; en toen zij hoorde, dat beiden nog in leven waren, gaf ze hem haar wensch te kennen, hun een bezoek te brengen; „want”, zei ze, „als je zoo lang wegblijft, zullen ze denken, dat je dood bent”. En toen de man antwoordde: „Goed, ik wil graag gaan” verzocht ze hem te mogen vergezellen en hem den weg te mogen wijzen, echter op voorwaarde, dat hij nooit aan zijn verwanten zou vertellen, wie zij was. Voor zij gingen vertrekken, drong zij er op aan, eerst nog voor een paar dagen op jacht te mogen gaan, om een voorraad varkensvleesch te kunnen meênemen. Alzoo deden zij, en toen zij aan de hut der ouders kwamen, werden zij door hen met vreugde ontvangen.
De eerste vraag, die de oude vrouw aan haar zoon deed, was natuurlijk: „Waar heb je die mooie vrouw van daan gehaald?” „Ik heb haar in het bosch gevonden, toen ik op jacht was”, antwoordde hij.
Tijdens het verblijf van het paar in de ouderlijke hut ging het paar iederen dag op jacht, en steeds keerde het met zooveel doode varkens terug, dat verwanten en vrienden achterdochtig werden, en zich begonnen af te vragen, van welke afkomst de mooie vrouw toch wel zou zijn. Telkens probeerden zij dit te weten te komen, maar de man verraadde het geheim niet.
Zijn moeder echter, die niet ophield met vragen, werd op het laatst zóó ongerust, dat hij ten slotte alles eerlijk opbiechtte, haar uitdrukkelijk op het hart drukkend, aan niemand iets te vertellen, want, als zij het toch deed, zou zijn vrouw hem onmiddellijk verlaten.
Van dit oogenblik af begonnen echter de onaangenaamheden. Eens op een dag maakte het volk een goeden voorraad kassiri*, met de bedoeling, de oude vrouw dronken te maken, en toen zij in den loop van den avond reeds aardig beneveld was, vroegen de menschen: „Wie is toch de vrouw van je zoon?” Maar zij hield haar mond. Het volk ging echter voort haar drank te voeren, totdat zij ten slotte, niet meer wetende wat zij zei, het geheim verklapte, en zei: „Mijn mooie schoondochter is eigenlijk een Jagoear”.
Maar nauwelijks had de jonge vrouw de woorden van haar schoonmoeder gehoord, of zij werd zóó beschaamd, dat zij brommend het bosch in vluchtte. Het was de laatste keer, dat men haar gezien heeft.
De zoon verweet zijn moeder haar woordbreuk, maar deze verontschuldigde zich door te zeggen: „ik kon het heusch niet helpen; men heeft mij immers dronken gemaakt”.
Van dat oogenblik kwam de arme man nooit meer in het bosch zonder eerst om zijn vrouw te roepen. Maar nooit kreeg hij antwoord.
No. 12. De man met een Baboen-vrouw. (A.)
Hij was met pijl en boog ver het bosch ingegaan, om zich een voorraad wild te verschaffen. Maar hij zag niets en zijn wapens bleven ongebruikt. Ik vertel hier van een ouden Arowak, die heel lang geleden geleefd heeft. Laat in den namiddag echter schoot hij een baboen*; het bleek een wijfje te zijn. Het was al te laat, om er meê naar huis te gaan en daarom maakte hij een banab* om er den nacht in door te brengen. Toen hij er mede gereed was, sneed hij den staart van het dier af, roosterde dezen en deed er zijn maal mede. De rest van het lichaam legde hij op den barbakot*, om het den anderen morgen gerookt en gedroogd te hebben.

… toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot vond.—Zie blz. 91.
Zóó gelukkig leefden zij nu, dat zij geen enkel geheim meer voor elkander hadden. Eens op een dag vroeg de man weêr naar den verdwenen baboen en ditmaal bekende zijn vrouw, dat zij de baboen was, die hare gedaante had aangenomen; maar zij verbood hem dit aan iemand te vertellen.
Enkele dagen later verlieten beiden de banab, en gingen zij met een goeden voorraad wild op weg naar de hut van den man. Langen tijd leefden ze hier gelukkig. Het is waar, dat de man herhaaldelijk door zijn stamgenooten naar de afkomst zijner vrouw werd gevraagd; maar hij bleef zwijgen als een pot.
Eens op een morgen, toen zij in de vroegte de baboens weêr hoorden brullen, vertelde de vrouw aan haar man, dat haar ooms nu bezig waren, kassiri* te drinken en gaf hem te kennen, dat zij het prettig zou vinden, hun een bezoek te brengen en van de partij te zijn. De baboens waren bezig, op de uiterste takken van een hoogen mora*-boom hun vervaarlijk gebrul te laten hooren, en deze boom was dik genoeg, om een geschikt voetpad naar boven aan te leggen. Toen zij dit gereed hadden, togen zij op weg; steeds hooger en hooger klommen zij, totdat zij eindelijk in het echte Baboenland* waren aangekomen. Zij kwamen het eerst over den drempel van een groote hut. En wat hadden de baboens een hoeveelheid drank! En wat waren er een massa baboens, die aan het drinken waren! Iedereen raakte dronken en begon daarop te brullen, terwijl zij allerlei vragen tot elkander richtten.
Al weêr werd nu onzen vriend naar de afkomst zijner vrouw gevraagd, en nu, denkende: „ik bevind mij te midden van haar eigen stam; nu mag ik toch wel de waarheid zeggen”, vertelde hij, dat zijn vrouw een echte baboen was. Niet zoodra had hij echter de verboden woorden gesproken, of alles—vrouw, drank, hutten en baboens—verdween oogenblikkelijk. Geheel alleen bleef hij nu op den top van den hoogen Mora-boom achter.
Hoe moest hij nu naar beneden komen? Hij zat te hoog om omlaag te durven springen, en de stam was te kolossaal om zich naar beneden te laten glijden. Hij wist waarlijk niet wat te doen, en was de wanhoop nabij. Na eenigen tijd kwam er een Bunia*-vogel aanvliegen, die hem vroeg, wat hij daarboven zoo alleen uitvoerde; en toen de vogel vernam, hoe de arme kerel zijn vrouw had verloren, omdat hij verklapt had, dat zij tot de natie der Baboens behoorde, bood hij zijn hulp aan, om hem veilig en wel naar den grond te brengen.
De man was ontsteld en vroeg den vogel, hoe hij dit zou aanleggen; maar hij zei, dat hij hetzelfde middel zou toepassen, dat hij te baat neemt met de wortels van de Kofa*. Hij gehoorzaamde aan den gegeven raad en spoedig bereikte hij door middel van de naar beneden hangende wortels van den liaan den grond, en de man was in veiligheid.
Tot zoover ging het goed, maar nu wist hij nog niet waar hij was; hij kende geen middel om de richting naar zijn hut te vinden. Gelukkig kwam er nu een prachtige kolibri om hem heen vliegen, en nadat dit schitterend vogeltje had aangeboden, hem den weg te wijzen, vertelde het hem, dat hij maar te volgen had, waar het heen vloog. Maar de kolibri vloog te snel en de man kon niet gauw genoeg volgen. Het diertje vloog toen weêr terug en begon opnieuw, nu de richting van een rechte lijn volgende, waarna het verdween.
De man volgde de lijn en kwam toen aan een pad, waar de kolibri hem opwachtte en hem zei: „Volg het pad”. De man deed zulks en bereikte eindelijk zijn hut.
No. 13. Schildpad, die Boschrat er in liet loopen. (C.)
Er was eens een tijd van langdurige droogte en voedselschaarschte, toen Boschrat*, bezig om eten te vinden Schildpad* tegenkwam, die ook probeerde wat van zijn gading te ontdekken. Na elkander gegroet te hebben en naar elkanders bezigheden te hebben gevraagd—van waar zij kwamen en waar zij heengingen—begonnen zij over de moeilijkheden te praten, en, zoo van het eene op het andere komend, werd er eindelijk de vraag te berde gebracht, wie van beiden wel het langst zou kunnen vasten, als de nood er toe drong. Zooals dit bij menschen en dieren altijd het geval is, betwistten zij elkander den voorrang, en ten slotte besloten zij tot een wedstrijd, en wel op deze wijze, dat telkens een van de twee een boom zou uitkiezen, terwijl de andere zóó lang zou moeten vasten, tot de boom vrucht zou hebben gedragen. De Boschrat koos een pruimeboom*, en toen zij dezen van een omheining had voorzien, sloot zij Schildpad daarbinnen op. Iedere maand bracht de Boschrat een bezoek aan de vrijwillige gevangene. „Nog levend?” riep de Boschrat. „Waarom niet”, antwoordde Schildpad, „er kan mij niets overkomen”. Iedere maand werd dit gesprek in den tijd van een half jaar herhaald, tot dat aan het einde van dien tijd de knoppen van den boom zich openden, de bloemen vrucht zetten en de vruchten waren afgevallen. De omheining werd toen verbroken en Schildpad wandelde zegevierend naar buiten.
Nu was het de beurt aan de Boschrat, om te toonen, wat hij kon. Schildpad bouwde nu een omheining om een kasjoe-boom*, sloot de Boschrat op en vertrok. Toen een maand om was, kwam Schildpad te voorschijn en riep buiten de omheining de gevangene toe: „Wel, nog levend?” waarop Boschrat antwoordde: „Ja, in blakenden welstand”. Maar na de tweede maand, toen Schildpad dezelfde vraag kwam doen, kreeg zij ten antwoord: „Ja, nog levend, maar wat slapjes”. Maar nadat weêr een maand verloopen was en Schildpad terugkwam, kreeg zij geen antwoord meer, toen zij haar gewone vraag herhaalde. Boschrat was niet meer levend. De vliegen op het doode lichaam leefden echter wel.
De Boschrat had er niet aan gedacht, dat de kasjoe slechts eenmaal in de drie of vier jaar vruchten draagt.
No. 14. De bedrieger bedrogen. (C.)
Tawaroe-wari, een Caraïb, was eens op een dag zoo gelukkig een jongen arend te vangen. Hij bracht het dier naar zijn hut en maakte het spoedig geheel tam. Tawaroe-wari moest er nu geregeld op uitgaan, om jonge baboens voor hem te schieten. De brulapen vonden dit alles behalve prettig en zij belegden een groote vergadering, waarin zij beslisten, dat wanneer de man zich weêr in hunne nabijheid vertoonde om een hunner te dooden, zij hem in handen zouden zien te krijgen en hem aan een boom zouden ophangen. Toch schoot Tawaroe-wari korten tijd daarna weêr een baboen. Een menigte baboens daalden toen uit de boomen neêr, omsingelden en grepen hem. Daarna hingen zij hem met een liaan, die zij uit de boomen los maakten, op, en, na hem op vreeselijke wijze bevuild te hebben, lieten zij den man aan zijn lot over. Voor zij allen vertrokken, riepen zij: „zoo is het goed; nu zullen de arenden hem komen opeten.” Maar deze deden het niet, want al spoedig daalde een groote arend, die den man van verre had geroken, tot dicht bij hem neêr, en vroeg hem, waarom hij op deze wijze was opgehangen. „Alleen, omdat ik baboens heb geschoten”, antwoordde hij. Toen de arend verder vroeg, voor welk doel hij ze noodig had en hij ten antwoord gaf, dat het was om voor een jongen arend, dien hij in zijn hut verzorgde, eten te hebben, maakte de vogel onmiddellijk de lianen los, gaf hem de vrijheid, en daarbij nog twee baboens voor den baby-arend meê, die hij nog gauw even had bemachtigd.
No. 15. Tijger en Miereneter. (C.)
Eens op een dag ontmoette Tijger vriend Tamanoea* in het bosch en nam hem in de maling om zijn grappigen bek en zijn wonderlijke lompe voeten. „Geeft niets”, zei Tamanoea, „al is mijn bek lang en dun, en mijn voet lomp, toch kan ik, als het moet, even goed vleesch eten als jij, en als het er op aankomt, ben ik ook even sterk als jij.” „O, neen! dat heb je mis!” antwoordde Tijger. Zij begonnen nu te redetwisten. Ten slotte beweerde Tamanoea, dat hij wel eens een pijp in den mond van Tijger zou willen zien, en toen deze daarop zijn kaken wijd openzette en zijn slagtanden liet zien, lachte Tamanoea hem hartelijk uit, uitroepende: „ik geef daar weinig voor”. Dit ergerde Tijger, die van zijn kant vroeg, in Tamanoea’s mond te mogen zien. Toen deze deed, wat Tijger vroeg, riep deze uit: „Wat, durf jij beweren, dat je vleesch kan eten? Ik geloof er niets van; je hebt in je leven nog geen stukje vleesch geproefd”. „Je liegt”, antwoordde Tamanoea, „want dezen morgen heb ik mij nog te goed gedaan aan het overschot van een hert, dat jij hebt laten liggen. Als je mijn verteringsresten maar eens goed bekijkt, zal je moeten bekennen, dat ik minstens evenveel vleesch heb gegeten als jij”. Zij kwamen nu overeen, onmiddellijk het bewijs te leveren, nadat Tamanoea gedaan had weten te krijgen, dat zij, terwijl zij bezig waren, beiden de oogen zouden sluiten. Maar niet zoodra hadden zij zich neergezet, of Tamanoea opende heimelijk zijn oogen en verwisselde haastig zijn excrementen voor die van zijn tegenpartij.
„Doe je oogen open”, riep nu Tamanoea, waarna beiden het resultaat in oogenschouw gingen nemen. Toen nu Tijger het verteringsoverschot van Tamanoea bekeek, begreep hij er niets van, en moest hij bekennen, dat zijn tegenstander inderdaad dien morgen vleesch had gegeten en nog wel een groote hoeveelheid ook.
No. 16. Hariwali en de Wonderboom. (A.)
Op een keer gebeurde het nu, dat toen een der beide vrouwen als gewoonlijk met de verfrissching voor hem op weg was, zij haar schoonbroêr ontmoette, die eenige strengen itiriti* droeg, om er korven van te vlechten. „Hallo!” zei hij, „waar ga je heen?” waarop de vrouw antwoordde: „ik ga kassiri aan mijn man brengen, die op het veld is—maar je bevalt mij. Hou je ook van mij?” „Neen” zei hij, „dat heb je mis, en als ik van je hield, zou mijn broêr, die immers piaiman is, er spoedig achterkomen”. Maar de vrouw hield aan, probeerde hem te vleien, waarop zij eindelijk haar armen om zijn hals sloeg. Hij was maar een mensch, en liet zich ten slotte de liefkozingen van zijn schoonzuster welgevallen, nadat zij hem verzekerd had, dat haar man nooit te weten zou kunnen komen, dat zij hem bedrogen had.
Nadat zij weder elk hun eigen weg waren gegaan, brak de vrouw nog voor zij het veld bereikt had, haar kalebas, en verwondde zich de knie aan een puntig stammetje, waardoor ze begon te bloeden. Toen Hariwali haar zoo langzaam, kreupel loopend zag aankomen, vroeg hij haar, wat er gebeurd was. Zij kon niets anders doen, dan op de schram en het bloed van de gewonde knie te wijzen, en hem te vertellen, dat zij een ongeluk had gehad en gestruikeld was over een boomstronk. Maar haar man was een listige piaiman, en wist heel goed wat er gebeurd was, en hoewel hij toen niets liet merken, besloot hij zich niet alleen op haar, maar ook zijn andere vrouw te zullen wreken. Hij wilde haar nu zoo gauw mogelijk kwijt zijn, en verzocht haar, dadelijk terug te gaan.
Den volgenden morgen vroeg hij de vrouwen, hem te willen vergezellen, daar hij wilde gaan visschen en haar noodig had, om zijn vuur aan te leggen en zijn eten te koken. Toen zij goed en wel aan den poel waren aangekomen en de vrouwen het vuur gereed hadden, bracht haar man een schildpad, die zij levend op de heete asch neerlegden. Het dier kroop echter onmiddellijk van zijn onaangenaam verblijf weg. Dit was het kwade voorteeken, dat beider dood voorspelde. De piaiman had haar n.l. betooverd en zij dachten, dat zij de schildpad reeds gedood hadden. „Maar misschien is het vuur niet heet genoeg”, dacht de trouwelooze echtgenoote; „ik ga nog wat droog hout halen.” Toen zij nu het hout aan het breken ging, bleek het buitengewoon hard te zijn, hetgeen haar deed uitroepen: Tata-Ketaiaba (=hard om te breken); maar nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken, of zij vloog weg in de gedaante van een valk, een boel-tata, die zoo vaak zijn huiveringwekkend boel-tata laat hooren. Hariwali had dit gedaan.
Zijn andere vrouw had het erg warm gekregen, en ging daarom even naar de rivier, om een bad te nemen, maar nauwelijks was zij ondergedoken of Hariwali veranderde haar in een bruinvisch*. Zij was de eerste bruinvisch, die de rivieren ooit hebben voortgebracht. Toen Hariwali nu op deze wijze zijn vrouwen had gestraft, was de beurt aan zijn broêr. Hoe zou hij nu dezen laten boeten voor hetgeen hij jegens hem misdreven had?
Toen Hariwali in zijn hut terugkeerde, stond hij, dien hij zocht, juist gereed om met pijl en boog op jacht te gaan. Hij begroette hem niet. Hij had zijn maatregelen genomen, en deze hadden goede uitwerking, want terwijl diens pijlen nooit misten, troffen zij nog dienzelfden middag ongeloofelijk ver van het doel. Zijn broêr gaf het echter niet op en probeerde andermaal een vogel te raken, maar ook nu doodde hij het dier niet, dat slechts enkele veeren liet vallen. „Doe dat niet meer”, zei de vogel, „en kijk nu eens achter je”. En zoo waar, toen hij zich omdraaide, zag hij een uitgestrekt watervlak, en ontdekte hij tot zijn schrik, dat hij op een eiland was.
Deze Jawahoe was een echte huisvader met een menigte zoons, die altijd met hun pijl en boog bezig waren. Wanneer nu hun pijlen stomp werden, behoefden zij maar naar de hangmat van den gevangene te gaan, om ze te scherpen aan diens beenige vingertoppen.
Al dien tijd jammerde Hariwali’s moeder des nachts over haar afwezigen zoon, die op zoo geheimzinnige wijze verdwenen was; maar ten laatste kreeg de piaiman, die zijn broêr door nooit falende tooverkunsten aan de macht van den Geest had overgeleverd, medelijden met haar, en keerde hij naar zijn hut terug. Zoodra hij zijn moeder zag, beduidde hij haar, dat zij alles wat zij in de hut hadden, bijeen moest pakken, om ten spoedigste van de plaats weg te gaan; want dat zij allen het dorp voor altijd zouden moeten verlaten, wanneer hij er met zijn broêr zou terugkeeren.
De nacht vóór het vertrek liet de piaiman met zijn tooverrammelaar het shak shak hooren, waarmede hij zijn Geestenvrienden opriep—en ziet, den volgenden morgen vlogen er een menigte papegaaien over zijn hut. Zijn kinderen maakten hem er opmerkzaam op en hij had nog juist tijd, de vogels toe te roepen, een zaad van zekeren boom te laten vallen, van wiens bast de Indiaansche medicijnmeesters bij hunne genezingen gebruik maken. De vogels voldeden onmiddellijk aan het verzoek en hoewel de jongens het zaad hadden zien vallen, konden zij het nergens vinden.
Hariwali had er echter dadelijk zijn voet op gezet. Daar kinderen er niets meê te maken hadden, wat hij ging doen, zei hij, dat er geen zaad gevallen was en dat zij zich zoo gauw mogelijk moesten verwijderen. Het jonge volk mag immers niet zien wat de oude piaiman voor kunsten uitvoert!
Zoodra Hariwali alleen was, legde hij het zaad in den grond, op dezelfde plek, waar het was neêrgevallen, en nadat hij den zelfden avond zijn tooverkunsten met den rammelaar herhaald had, stond den volgenden morgen op de plek een statige boom. Zoodra Hariwali nu de vrucht van zijn kunde had gezien, riep hij zijn moeder, wie hij gelastte, alles wat zij bij elkander had gepakt, aan de takken van den boom te hangen, en te wachten, tot hij met zijn broeder zou terugkeeren.
Zoodra hij nu op de woonplaats van Jawahoe was aangekomen, waar hij de geheele familie afwezig vond, nam hij zijn gevangen broeder uit de hangmat, trok den bundel beenderen van het bladerdak der hut en maakte, dat hij met zijn last wegkwam. Maar ongelukkig kwam de Geest eerder terug, dan hij gedacht had, en deze, ziende dat de hangmat leeg was en de beenderen verdwenen waren, begreep dadelijk, wat er gebeurd was. Hij ontdekte spoedig het versche spoor en zond zijn honden vooruit, om de vluchtelingen op te sporen. Arme Hariwali, arme broêr! Deze hoorden het blaffen van de honden en het fluiten van den Geest, maar zij hadden nog juist den tijd, om in het hol van een armadil* te kruipen. Pas waren zij er in, of Jawahoe kwam aanrennen, die hen toeriep, onmiddellijk te voorschijn te komen, want anders zou hij hen met een stok doorboren. De vluchtelingen lagen echter diep en laag en antwoordden niet. Jawahoe, daarop woedend geworden, bracht een stok met een harden stoot in het hol, maar Hariwali greep hem vast en veranderde het harde voorwerp onmiddellijk in een kapassi-slang*.
Jawahoe nu, denkende, toen hij de slang zag, dat hij zich vergist had en het spoor der vluchtelingen kwijt was geraakt, verwijderde zich nu en ging elders zoeken. Toen Hariwali zich overtuigd had, dat het gevaar voorbij was, plaatste hij de beenderen weêr in het lichaam van zijn broeder en toog met hem op weg naar zijn dorp.
Hoe verheugd was zijn moeder, haar beide zoons weêr te zien! Zij had inmiddels alles aan de takken van den zwaren boom opgehangen, en had zich met haar dochter en kleinkinderen voor een lange reis gereed gemaakt. Toen het avond begon te worden, klommen zij allen, groot en klein in de onderste takken, waarop zij beschutting vonden onder het dichte gebladerte, terwijl Hariwali nog hooger klom en hier met zijn tooverrammelaar begon te werken.
Wat de rest van de familie betreft—wel, wij weten, dat de boom ergens heen vloog, maar nooit hebben wij iets van de menschen vernomen, die er op waren, toen hij van de plaats, waar hij zoo gauw gegroeid was, vertrok.
No. 17. De legende van den Ouden man’s val.
In lang vervlogen tijden, zoo vertellen onze voorouders, bevonden zich boven den Potaro-val* meerdere Indianen-dorpen. In een der hutten woonde een oude man, die half blind en een ieder tot last was. Want, hoewel hij vroeger sterk en vlug was geweest, werden zijn arme lijdende voeten door een menigte zandvlooien* geplaagd, die er zich venijnig hadden ingegraven. De oude, hulpelooze man had steeds meer verzorging noodig—en dit verdroot den jongeren, die er ten slotte de brui van gaven en uitriepen: „Wat helpt dat? Laten we hem laten liggen en laat hem maar schreeuwen! Wie er lust in heeft, ga zijn gang. Hij is een lastige, afzichtelijke oude man geworden. Wat is er aan te doen? Allen wenschen zijn dood”. Niemand wilde echter het hoofd van den armen man klieven. „Laat hij gaan naar het land der Geesten”, riepen sommigen, „de rivier zal hem er wel brengen; als zijn lijden nog langer voortduurt, zal hij toch sterven. Wij kunnen hem niet meer helpen; wij zondigen dus niet”.
De jongeren gehoorzaamden. Zij brachten den gevraagden korjaal, legden den ouden man met zijn bezittingen er in, duwden het vaartuigje vooruit en zagen hem langzaam stroomafwaarts drijven. Het geraas van den naderenden waterval moet voor hem een benauwende droom geweest zijn, maar zijn angst duurde niet lang, want—slechts eenige oogenblikken daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien naar omlaag.

… slechts eenige oogenblikken daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien omlaag.—Zie blz. 104.
Het kan zijn, dat het jonge volk, dat zoo wreed was geweest, spijt heeft gehad, niet anders gehandeld te hebben; het is niet bekend, want het is al heel, heel lang geleden. Maar wel weten we, dat de klokkenvogel*, met zijn wit gevederte, in de buurt nog altijd voortgaat, des nachts zijn klokkentonen te laten hooren.
Sommige Indianen weten echter te vertellen, dat toen de man de afschuwelijke tuimeling over den val maakte, onzichtbare krachten tusschenbeide gekomen zijn, die, om zijn arm gebeente te redden, boot, met alles wat er in was, in steenen veranderd hebben. Ieder, die de rotsen daar nu ziet, zal de boot in de gedaante van een puntigen rots duidelijk herkennen en, niet ver van daar, de in steen veranderde pagaai. Het is echter niet zoo duidelijk, waar de man zelf gebleven is. „Want”, beweren de Indianen, die beneden den val wonen, „daar een sterke stroom de hardste rotsen afslijpt, zullen eerst zijn ooren en zijn neus, vervolgens zijn vingers en zijn teenen afgeslepen zijn, zoodat zijn lichaam misschien in het zand beneden den val is overgegaan”.
No. 18. Amanna en haar praatzieke man. (C.)
Verhit door den drank van een groot paiwarri-feest, nam een Indiaan zijn weg naar het water, om zich te baden en wat op te frisschen. Toen hij er aankwam, ontmoette hij Amanna, een van de geesten der Okoyoemo’s, een aantrekkelijke jonge vrouw, die hem vroeg, haar in het water te vergezellen. Eerst had hij er wel wat op tegen, maar toen zij bleef aanhouden, kon hij ten slotte niet langer aan haar bekoorlijkheden weêrstand bieden. Toen hij op het laatste oogenblik toch niet nalaten kon, haar toe te voegen, dat hij er haast zeker van was, dat men hem zou willen verdrinken, voegde zij hem toe: „Wees niet bevreesd, ik zal goed op je passen en zorgen, dat er geen kwaad met je gebeuren kan”. Zij doken nu samen onder, en toen zij op den bodem van het water aankwamen, zag hij een aantal hutten, vol met volk, waaronder vele jonge vrouwen. Hij voelde zich nu erg tevreden, vooral toen deze hem drank aanboden. Amanna verbood hem er echter van te gebruiken en nam hem meê naar haar ouden vader, die hem hartelijk verwelkomde en zijn dochter op het hart drukte, goed op hem te letten.
Dit deed zij ook.
In dien tusschentijd was de moeder over het lange wegblijven van haar zoon ongerust geworden; zij volgde het spoor, dat helaas naar de rivier leidde. „Mijn arme zoon zal verdronken zijn”, dacht zij, en zij begon naar zijn lijk te zoeken. Maar overal te vergeefs. Zij keerde bedroefd naar haar dorp terug, in de vaste meening, dat haar zoon dood was.
Geruimen tijd was er voorbijgegaan, toen de man het verlangen kreeg, om zijn moeder een bezoek te brengen. Hij rees uit het water omhoog en sloeg den weg in naar zijn oude woonplaats. De moeder, verheugd haar zoon weêr te zien, vroeg hem, waar hij al dien tijd was geweest; en hij vertelde, dat hij een verre wandeling had gemaakt. De oude vrouw was echter met dit antwoord niet tevreden, en zei tot haar zoon: „Je moet niet meer van me weggaan, want ik ben oud en lijd honger; je jongere broêr kan mij niet ondersteunen en ik heb geen andere kinderen dan jelui beiden”.
Maar haar zoon, die een wilden aard had, luisterde niet en vertrok nog dienzelfden namiddag naar zijn vrouw, de Watergeest, terug. Ditmaal bleef hij nog veel langer weg dan de eerste maal. Toen hij nu na zijn tweede afwezigheid weêr eens naar zijn moeder kwam zien, vond hij haar met zijn kleinen broêr weêr aan het drinken van paiwarri. De jongen begon hem uit te vragen, waarom hij toch bij het Okoyoemo-volk verblijf hield. Dit verontrustte hem, en onder het uitroepen van: „Hoe durf je me zoo’n vraag te doen?” holde hij weg en verdween hij weêr onder water, waar hij nog langer bleef dan den tweeden keer.
Er verliep nu weêr een lange tijd, gedurende welke Amanna hem drie kinderen had geschonken, en toen de man weêr zijn wensch te kennen gaf, zijn moeder te willen bezoeken, voegde hij er bij, dat hij graag zou zien, dat Amanna hem vergezelde. Zij vond het goed, op voorwaarde, dat de kinderen thuis zouden blijven.
Toen het paar in de ouderlijke hut aankwam, was de oude moeder met haar zoon weêr bezig met het drinken van paiwarri, maar ditmaal was de broêr bepaald dronken, en weêr kon deze niet laten de vraag te doen, of hij onder het Okoyoema-volk bleef wonen? Ja, dat doe ik, zei de man geprikkeld, en hier heb je mijn vrouw Amanna, die tot die natie behoort!
Zoodra Amanna dit hoorde, holde zij naar de waterkant, en plonste zij onder water. Haar man vluchtte haar na, maar niet zoodra was hij ook onder water gekomen, of zijn vrienden en verwanten vermoordden hem, omdat hij aan zijn moeder haar naam had genoemd, en verteld had, waar zij van daan kwam.
No. 19. De zon en zijn beide tweelingzoons. (C.)
Zoo kwam het, dat zij een verkeerden weg insloeg en eindelijk met den gewonden voet en doodmoe aan een vreemdsoortige hut kwam. De hut was het eigendom van Tijger’s moeder, Kono(bo)-aroe, de Regenkikvorsch*, en toen de uitgeputte wandelaarster ontdekte waar zij was, zei ze tot de oude vrouw, dat zij groote spijt had, hier gekomen te zijn, daar zij gehoord had, hoe wreed haar zoon was. De huisvrouw, die medelijden met haar had, beduidde haar, dat zij niet bang behoefde te zijn, maar verborg haar voor alle veiligheid in den kassiripot en smeet haastig het deksel er op.
Toen Tijger des nachts thuis kwam, begon hij overal rond te snuiven. „Moeder”, zei hij, „ik ruik iemand, wie heb je hier?” En ofschoon zij volhield, dat zij niemand voor hem had, om zijn maal te doen, was Tijger niet tevreden en ging zelf op onderzoek uit. Eindelijk ontdekte hij het angstige schepsel in den kassiri-pot.
Toen hij nu de arme vrouw met één slag gedood had, ontdekte hij de nog niet geboren kinderen. Hij toonde ze aan zijn moeder, die hem aanried, goed op ze te passen en ze zorgvuldig te verplegen. Tijger deed wat hem gezegd was: hij wikkelde ze in een bundel katoen, om ze warm te houden en ziet, den volgenden morgen waren ze al zóó groot geworden, dat ze begonnen te kruipen. Nog een dag later waren ze nog meer gegroeid, en dat ging zoo voort, tot dat ze reeds na verloop van een maand volwassen waren.
Tijger’s moeder zei, dat zij nu wel pijl en boog zouden kunnen hanteeren, waarmede zij den powies* moesten schieten, omdat het deze vogel was geweest, die hun moeder gedood had.
Pia and Makoenaima gingen nu de volgenden dag op jacht en schoten een powies. Dat ging lang goed; iederen dag brachten zij powies mede. Maar toen zij weêr eens op een powies mikten, riep den vogel hen toe, dat het niet een powies was geweest, die hun moeder gedood had, maar Tijger zelf, terwijl hij er de noodige inlichtingen bij gaf, hoe zij Tijger moesten dooden.
De beide jongens schrokken hevig, toen zij dit hoorden. Zij spaarden den vogel; maar toen zij met leêge handen van de jacht terugkwamen, maakten zij hun moeder wijs, dat de powies hun pijlen en boog had weggenomen. Deze leugen hadden ze maar verzonnen, om de kans te hebben, nieuwe en betere wapens te maken. Zij hadden hun wapens ergens in het bosch verborgen.
Nadat zij nu met hunne krachtiger wapens gereed waren, bouwden zij een stellage tegen een boom, klommen er in en schoten, toen Tijger voorbij kwam, op hem, zoodat hij morsdood neêrviel. Haastig daalden zij naar beneden, renden naar de hut en schoten nu ook zijn moeder neêr.
De beide jongens vervolgden nu hun weg en kwamen ten laatste aan een groep Kankantries, bij een hut, waarvoor een stokoude vrouw zat, die in werkelijkheid een kikvorsch* was. Zij namen bij haar hun intrek en gingen iederen dag op jacht. Iederen keer, wanneer zij van de jacht terugkeerden, vonden zij cassavebrood gereed staan, dat hun gastvrouw gebakken had. „Dat is erg vreemd”, zei Pia tot zijn tweelingbroeder, „wij zien hier geen kostgronden, en kijk nu eens, hoeveel cassave de oude ons wel voorzet. Wij moeten eens goed op haar letten.”

… bij een hut, waarvoor een stokoude vrouw zat, die in werkelijkheid een kikvorsch was.—Zie blz. 109.
Den volgenden morgen bleven zij, in plaats van hun jachtterrein op te zoeken, in de buurt en verscholen zij zich achter een boom, van waar zij alles konden zien, wat er in en om de hut gebeurde. Zij zagen toen, dat de oude een witte vlek op haar schouders had, dat zij telkens zich voorover boog en in deze vlek beet, waaruit onmiddellijk cassavemeel begon neêr te vallen.
Bij hun thuiskomst weigerden de jongens nu van de cassave te eten, nu zij wisten, waar zij vandaan was gekomen.
Pia en Makoenaima zetten nu hun reis verder voort, om hun vader te ontmoeten en kwamen al heel gauw aan de woning van Maipoeri*, den Tapir, waar zij drie dagen bleven. Op den derden avond keerde Maipoeri glanzend en vet van zijn dagelijksche wandeling terug. De jongens, die wilden weten, hoe hij het wel aanlegde, er zoo doorvoed uit te zien, volgden den anderen morgen vroeg zijn spoor, dat leidde naar een pruim*. Hier aangekomen, begonnen ze zóó hard aan den boom te schudden, dat alle vruchten, rijp en onrijp, op den grond vielen.
Toen Maipoeri zich den volgenden morgen weêr dacht te goed te kunnen doen, maar bemerkte, dat al zijn voedsel voor hem verloren was, keerde hij haastig naar huis terug, ranselde de beide jongens af en verdween haastig in het bosch. Pia en Makoenaima liepen hem achterna, volgden den geheelen dag zijn voetspoor en haalden hem eindelijk in. Pia beduidde zijn broêr, achter Maipoeri om te gaan en het dier naar hem toe te drijven, en toen hij het dier zag naderen, schoot hij het een haapoena (harpoenpijl) door het lijf, maar de lijn kwam door het nog een eind voortloopende dier langs den armen Makoenaima en sneed hem een been af.
Op een helderen nacht kan men ze nu nog zien: je ziet Maipoeri (Hyaden), Makoenaima (de Pleiaden) en daaronder zijn afgesneden been (de gordel van Orion).
No. 20. De Legende van den Vleermuis-berg. (M.)
Angstig bracht men den avond in de Indianen-kampen door, en de morgen brak dikwijls met geweeklaag aan, wanneer twee, soms zelfs drie dorpsgenooten gemist werden; geen nacht ging er voorbij zonder een ontvoering en de stam verminderde dagelijks, zoodat zijn geheele vernietiging nabij scheen.
De piaiman was steeds ijverig in de weêr, om den Geest uit te drijven, maar telkens kwam het gevreesde geheimzinnige dier terug; mannen trokken er op uit, om het verblijf van den vervloekten moordenaar op te sporen, maar zij konden het nergens vinden—Makoenaima was blijkbaar niet met hen.
De hooge vlammen, die den volgenden morgen uit het brandende nest opstegen, wezen nu de verblijfplaats van het monster aan. Het volk wachtte geen oogenblik, om er op uit te trekken, en het gelukte den moordenaar te dooden. De geschiedenis vertelt niet, of de oude vrouw voor haar heldhaftige daad heeft moeten boeten; maar wel is het bekend, dat een stapel gebleekte beenderen de plaats aanwijst, waar eenmaal het nest van den roover zich bevond.
No. 21. De Uil en zijn schoonbroeders vleermuis. (W.)
Bokoe-Bokoe, de nachtuil, was getrouwd met de zuster van de vleermuis en nam des nachts haar broêrs meermalen mede, om in de Indianen-hutten op roof uit te gaan. Eens op een nacht kwamen zij langs een hut, waarin het volk juist bezig was, op den barbakot visch te roosteren. Om de menschen schrik aan te jagen, zongen zij luidkeels: bokoe! bokoe! bokoe! waardoor zij de bewoners op de vlucht joegen, zoodat zij gelegenheid kregen, de visch te stelen. Het drietal haalde in meerdere hutten denzelfden streek uit, totdat de uil op zekeren dag aan zijn kornuiten meêdeelde, dat hij voor eenigen tijd op reis moest en dat zij zich tijdens zijne afwezigheid maar wat moesten behelpen en goed deden, ’s nachts binnenshuis (d.i. in het bosch) te blijven, daar er anders zeker iets minder prettigs met hen zou gebeuren. Maar niet zoodra had Bokoe-bokoe zijn hielen gelicht, of zwager Vleermuis nam nu in zijn plaats zijn broêr op den rooftocht meê.
Hoewel nu Bokoe-bokoe den volgenden avond verhinderd was zijn beide schoonbroêrs te vergezellen, herhaalden deze toch hun nachtelijken strooptocht, en zooals van zelf sprak, was het volk weêr minder bevreesd, zoodat een der vleermuizen een schot in zijn achterste ontving.
Den volgenden nacht keerde nu Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr terug en evenals de eerste keer vonden zij op den barbakot weêr de gedoode vleermuis. Weêr namen zij het lichaam meê naar huis; maar toen zij weêr op het lichaam klopten, wilde het leven niet terugkeeren; het was te veel geroosterd boven het vuur.
No. 22. De Lichtkever en de verdwaalde Jager. (C.)
Nu en dan vloog er een Poe-yoe, een lichtkever* om zijn rustplaats heen, die hem vroeg, wat hij daar zoo alleen uitvoerde. „Ik ben den weg kwijt geraakt”, antwoordde hij, waarop het insekt aanbood, hem den weg te wijzen. Maar de verdwaalde kon niet gelooven, dat zoo’n klein ding in staat zou zijn, hem te helpen. Eerst toen de lichtkever hem vertelde, dat hij voornemens was, zich te gaan warmen aan het echte vuur, dat zijn vrienden bij de banab hadden ontstoken, stemde hij toe en volgde hij het insekt.
Toen de beide vrienden het kampement in het oerwoud naderden, hoorden zij in de verte reeds menschelijke stemmen. „Luister”, zei de kleine kever, „hier zijn je gezellen. We zullen er heengaan”. Toen zij eindelijk de banab hadden bereikt, vloog de lichtkever vooruit en vertelde aan de jagers, dat hij hun verloren metgezel kwam brengen. Onmiddellijk daarna trad deze binnen, en de vier vrienden waren verheugd hem weêr te zien.
In een der Warrau-dorpen leefde een man met zijn vrouw en zijn beide kinderen. Zijn schoonbroêr woonde bij hem in. Eens op een morgen begaven man en vrouw zich naar den kostgrond en droegen den broeder op, om te gaan visschen, zoodat zij bij hun thuiskomst wat te eten zouden hebben. Toen zij echter terugkwamen van hun werk, zagen zij, dat de broêr geluierd had en dat hij niet eens buiten de hut was geweest; ja, dat hij zelfs het weinige, dat er nog van den vorigen dag was overgebleven, had opgegeten. Dit maakte hem boos en hij zei tot zijn schoonbroêr: „Ik moet naar het land gaan, om het terrein in orde te brengen. Ik moet in het bosch gaan, om mij wild te verschaffen, en in mijn bootje de rivier opvaren, om visschen te vangen. Ik moet al het werk doen, terwijl jij niets uitvoert en alle dagen maar ligt te luieren in je hangmat. Al ben ik vermoeid, toch moet ik weêr uitgaan, om visch te gaan halen.”
Terwijl hij dit op een alles behalve vriendelijken toon zei, nam hij zijn harpoen-lans* en toog op weg naar de kreek. De schoonbroêr nam op zijn beurt zijn kapmes, en na het gescherpt te hebben, volgde hij den man in zijn korjaal. Beide mannen ontmoetten elkander juist op het oogenblik, toen de echtgenoot met zijn boot terug wilde keeren, nu hij een grooten visch had weten te bemachtigen. „Hallo! nu al terug!” zei de schoonbroêr. „Ja”, antwoordde de ander, „ik heb een grooten visch geschoten, hier is hij”. „Nu, leen mij dan je lans”, zei de eerste weêr, „ik wil zien, of ik ook zoo’n grooten visch kan schieten als jij”. Toen beide korjalen naast elkander lagen, hief de man zijn lans omhoog en wilde het wapen juist naar de boot van zijn schoonbroêr richten, toen hij op hetzelfde oogenblik door het kapmes werd getroffen, waarmeê hij twee sneden ontving, die hem dood deden neêrvallen.
De moordenaar probeerde nu het lijk kwijt te raken en het in het water te werpen. Maar zijn zuster, die haar broêr zijn kapmes had zien scherpen, was in toorn de hut uitgeloopen, en had, bevreesd dat hij er iets kwaads meê voor had, tegen haar kinderen gezegd: „jelui oom is zeker boos over iets; hij scherpt zijn houwer, en is jelui vader achterna gegaan. Laten we gaan zien, wat hij wil gaan doen”.
Met haar beide kinderen was zij haar broêr gevolgd en zij kwam juist aan bij de rivier op het oogenblik, dat hij probeerde, het doode lichaam overboord te werpen. „Neen, doe dat niet, broêr”, zei ze. „Nu je hem gedood hebt, moet je zijn lijk meê naar zijn hut nemen en hem daar begraven”. Hij deed, wat hem werd gevraagd, nam het lijk meê in zijn korjaal en begon een boom te vellen, om hout te hebben voor zijn laatste rustplaats. In dien tusschentijd zond de vrouw van den vermoorde hare kinderen naar diens broêr en oude moeder, met de boodschap, dat zij niet ongerust moesten zijn, maar eens moesten komen. Moeder en zoon lieten niet op zich wachten en toen zij naderbij kwamen, zagen zij, dat hij juist gereed was gekomen met het uithollen van den stam, de lijkkist in de hut had gebracht en nu bezig was een graf te graven. De broêr van den vermoorde was woedend, maar zijn moeder zei: „Hinder de man niet: wij willen eerst eens zien, wat de weduwe denkt te doen”. Deze wachtte bij het graf met een kapmes in haar hand en zei tot den moordenaar, wat haast te maken.
Toen de delver met het graf gereed was, liet hij de kist er in zakken, legde hij er het lijk in, dat hij netjes gekleed had en met verf en sieraden had opgetooid, en gaf het zijn mes, zijn vischhaken en andere voorwerpen van zijn voormalig bezit meê. Toen hij eindelijk met zijn nog met bloed bevlekte handen begonnen was, het graf met aarde dicht te werpen, trof zijn zuster, die achter hem stond, hem met haar kapmes in den nek en na enkele oogenblikken bloedde de delver dood.
Er werd nu een tweede graf naast het eerst gegravene gedolven, en daarin legde de zuster hem, zooals hij in zijn naaktheid was, neder, zonder kleeding, zonder sieraden, zonder zijn bezittingen, want zij voelde niet het minste medelijden of spijt jegens haar broêr.
Den zelfden dag vertrokken de moeder en de broeder weêr naar hun woonplaats, na de weduwe te hebben overgehaald, bij hen haar intrek te nemen en de kinderen mede te nemen. Dadelijk na aankomst in het verblijf der oude moeder nam haar zoon de zorg voor de weduwe op zich, legde haar in zijn hangmat en zei tegen zijn vrouw, dat hij liever deze vrouw nam, omdat deze kinderen had, en zij hem geen kinderen kon schenken.
Den anderen morgen volgden de kinderen op, wat de Heboe had gezegd, en toen zij des middags terug kwamen, zat hun vader in de hut. Hij ging naar hen toe en zei: „Haal wat water voor mij: ik heb dorst”. Nadat hij wat gedronken had, vroeg hij: „Waar is jelui moeder?” Toen hij hoorde, dat ze bij haar schoonmoeder woonde, droeg hij hen op, haar te gaan halen. Toen de kinderen bij hun moeder kwamen en haar alles hadden verteld, wat ze gezien hadden, riep zij uit: „Hoe kan dat nu? Hoe kan jullie vader mij roepen, hij is immers dood?” Zij wilde er eerst niets van gelooven, maar toen de jongens bleven aandringen en al maar riepen: „Kom toch moeder, ga toch meê, alles is waar wat wij vertelden”, volgde zij haar kinderen. Zij weigerde echter haar hangmat meê te nemen, want zij kon nog altijd het verhaal niet gelooven.
Toen zij met de kinderen bij het graf gekomen was, kon zij haar oogen niet gelooven. Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut. Het was haar echte man, die daar tegenover haar zat. Het eerste wat hij vroeg was: „Waar is je broêr?” waarop zij antwoordde: „Wat, ik doodde hem en begroef zijn lijk naast het jouwe”. „Nu”, zei haar man, „hem zal je nooit terug zien”.

Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut.—Zie blz. 119.
Hoewel hij erg slap was, na al wat hij geleden had, was hij binnen een week weêr geheel de oude van voorheen, daar hij door zijn vrouw zóó teederlijk verzorgd werd, dat hij zijn gezondheid spoedig weêr terug kreeg.
No. 24. Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam. (W.)
Een aantal vrouwen en meisjes trokken er eens op uit om wilde ananassen* te zoeken. Zij vertrokken van haar dorp in een groote korjaal en landden ten slotte nabij een savanne*, waarop deze vruchten veel plegen voor te komen. Nadat zij een poos hadden omgezworven en een voldoend aantal dezer lekkere vruchten bijeen hadden, zetten zij zich in een kring neêr, om ze op te eten, terwijl zij druk lachten en babbelden, zooals vrouwen dit gewoon zijn te doen.
Maar de Caraïben hadden gezien wat hij deed en schreeuwden: „Keer om, keer terug, je zuster leeft nog en roept om je”. Maar de jongen wist wel beter, zoodat hij stevig doorparelde en veilig in zijn dorp kwam. Hier vertelde hij zijn vader en anderen, wien het ongeluk getroffen had en wat er gebeurd was. Deze haastten zich naar de plaats des onheils, maar toen zij er aankwamen, hadden de Caraïben reeds de vlucht genomen, zoodat zij geen betaling ontvingen (= niet gewroken konden worden).
No. 25. Sluit de oogen en doe een wensch. (C.)
Twee jongens hadden ieder eens een springval gezet, om Maipoeri* te verschalken. Eens op een dag kwam de jongste uit het bosch terug en riep: ik heb een tapir gevangen. Dit maakte den oudste jaloersch, die zei: „als je me voor den mal hebt gehouden, zal ik je vermoorden.” Samen gingen zij toen naar het bosch en zij zagen werkelijk den tapir met een zijner pooten gevangen in de knip. De oudste doodde het dier, sneed het vleesch af, en nam alles voor zich alleen, alleen de ingewanden voor den jongste overlatende. Deze liep daarop naar zijn moeder, vertelde haar, hoe gulzig zijn broêr geweest was en haalde haar over, om met hem naar elders te vluchten. Toen zij met hun tweeën een grooten afstand hadden afgelegd, kwamen zij aan een hoogte. Hier sprak de jongen: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik verlang hier een veld met bananen en patatten*, met een hut er vlak bij.” De oude moeder deed het, en kijk! alles was er wat zij gewenscht had.
Langen tijd leefden de twee hier tevreden en gelukkig, maar de moeder begon oud te worden. Haar zoon zei toen eens: „Moeder! Sluit uw oogen en zeg: ik wensch weêr een jong meisje te zijn.” Zij deed wat de jongen gezegd had, en ziet, zij was onmiddellijk een zóó lief en aantrekkelijk meisje geworden, dat haar zoon trots op haar was, en dat het verlangen bij hem opkwam, haar ook door anderen te laten bewonderen. Hij zei toen weder tot zijn moeder: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik wensch dat mijn oudste zoon hier komt.” En nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of de oudste zoon stond vóór haar.
Zij had nu een bezoeker, en natuurlijk moesten zij paiwarri* hebben. De jongste zoon zei al weêr aan de moeder, dat zij haar oogen moest sluiten en drank verlangen moest en—weêr werd aan haar verlangen voldaan en stond er een groote pot met paiwarri gereed.
Alle drie begonnen nu te drinken, totdat de oudste jongen op het laatst zóó dronken werd, dat hij de lieftallige jonge vrouw begon te liefkozen. „Hoe durf je dat te doen,” vermaande hem zijn jongere broêr. „Weet je dan niet, dat zij je moeder is?” „Neen, ik weet het niet,” antwoordde de oudste, „en wat meer is, ik geloof het niet!” Toen hij voortging met zijn liefkozingen, begonnen de beide zoons te vechten.
Toen de oudste eindelijk uit zijn dronkenschap ontwaakte, zag hij, dat hij geheel alleen was in een vreemde bouwvallige hut; er bleef voor hem nu niets anders over, dan troosteloos naar zijn woonplaats terug te keeren.
No. 26. De gelukspot. (W.)
De beide zoons begonnen nu argwaan te krijgen en fluisterden tegen elkaar: „wat moet dat toch beteekenen? Vader blijft twee volle dagen thuis, en nog heeft hij geen trek. Hij gaat naar het bosch, en als hij terug komt, wil hij nog niet eten. Waar haalt hij toch zijn voedsel van daan?” De jongens besloten, hem op een afstand te bespieden en toen zij hun vader tot bij de banab gevolgd hadden, zagen zij hem in gesprek met den Pot en hem ten slotte een lekker maal doen.
Bij zijn terugkeer bedankte hij weêr voor hetgeen zijn vrouw hem bracht. Maar er was een geringe voorraad eten voor de huishouding, en de vrouw vroeg haar man daarom, om morokot* te gaan schieten. De zoons echter begaven zich ongemerkt naar de banab, waar zij eveneens met den Pot begonnen te spreken, en om vogels en vleesch vroegen. Nadat de jongens zich te goed hadden gedaan, begonnen zij den Pot zóó goed schoon te maken, dat niet de minste geur achterbleef. Even daarna kwam de vader van den vischtocht terug en gaf den morokot aan zijn vrouw; maar hij bedankte als gewoonlijk. „Ik heb er geen trek in, ik ben voldaan”, zei hij weêr. Stilletjes sloop hij weêr weg naar zijn Gelukspot in het bosch, en vroeg hem weêr, voor hem te willen koken, maar hij wilde niet meer koken, noch voor hem, noch voor iemand anders; zóó schoon hadden ze den Pot* gemaakt. De man begon toen te jammeren, maar de Pot zei: „je bent begeerig geweest; je hebt niets van het gevogelte en het vleesch aan je vrouw en kinderen gegeven; je hebt alles alleen opgegeten.”
No. 27. De honigbij en de zoete drank. (W.)
Er waren eens twee zusters, die voor haar broêr zorgden, en al haar best voor hem deden, maar die geen drank konden bereiden, die naar zijn smaak was. De broêr vond het niets prettig, en kreeg er nu genoeg van; hij beklaagde zich bij zijn zusters, zeggende, dat hij iemand zou willen vinden, die voor hem een lekkeren zoeten drank zou kunnen bereiden, even zoet als honig. De zusters verzetten zich er niet tegen, en zeiden, dat zij maar al te gelukkig zouden zijn, wanneer hij de geschikte vrouw vond, die drank naar zijn smaak kon maken.
Eens op een dag, toen hij door het bosch ging, sprak hij luide zijn wensch uit, dat hij een vrouw verlangde, die een drank zou weten te bereiden, even zoet als de honig, die de bij weet te maken. Niet zoodra had hij zijn wensch uitgesproken, of hij hoorde voetstappen achter zich en omziende, zag hij een vrouw naar zich toekomen. „Wat wilt ge, waar gaat ge heen? Ge sprak mijn naam Kohóra* uit. Welnu hier ben ik.” De man, erg verheugd, maakte haar zijn wensch en die van zijn zusters kenbaar en toen zij hem vroeg, of hij dacht, dat zij bij zijn familie in den smaak zou vallen, antwoordde hij, dat hij daar zeker van was.
Kohóra ging dus met hem mede naar zijn hut, en toen zijn ouders hem vroegen, hoe hij aan haar gekomen was, antwoordde zij, dat zij meê was gekomen, omdat hun zoon haar geroepen had. Zij begon nu den gevraagden drank te bereiden. En hoe deed zij dat? Wel, zij had slechts haar pink in het water te steken, daarmeê het water wat om te roeren, en de drank was gereed. De drank smaakte zoet! zoet!! zoet!!! Nooit nog had de drank zóó lekker zoet gesmaakt. Van dien tijd af hadden zij nu altijd een zoeten drank; want telkens als Kohóra haar man water bracht, had zij haar pink er in te steken, het wat om te roeren en het op deze wijze zoet te maken. Maar ten slotte begon de man al dat zoete te vervelen, en hij begon er met Kohóra over te twisten. „Wel, dat is grappig”, zei ze, „je verlangdet zoeten drank; je riep mij, om dien voor je te bereiden. Ik kwam; ik maakte een lekkeren, zoeten drank voor je, en nu ben je nog niet voldaan. Je kunt er nu zelf voor zorgen”. En pas had zij deze woorden uitgesproken, of zij verdween oogenblikkelijk.
Van dien tijd af is het volk gestraft geworden, want het moet zich veel moeite geven, om in de boomen te klimmen, den honig uit den boom te snijden, en moet het den honig zuiveren, om hem voor zoetmakende doeleinden te kunnen gebruiken.
No. 28. De piaiman en de stinkvogels*. (A.)

… want plotseling legde de gier het veerenkleed af en veranderde in een vrouw.—Zie blz. 127.
Toen zijn vrouw dit zag, zei zij bij zich zelf: „Mijn man moet toch wel een ware semi-chichi zijn, om voor mij water in een korf te kunnen brengen.” Zij begreep er evenwel niets van en besloot hem nu een tweede maal op den proef te stellen.
Zij zond hem er nu op uit, om een stuk bosch voor haar schoon te kappen, maar toen hij iederen morgen het werk wilde voortzetten, zag hij tot zijn bevreemding, dat alle boomen, die hij den vorigen dag geveld had, weêr recht overeind stonden. Wat was de oorzaak daar wel van? Wel, op verzoek van den koningsgier vlogen alle stinkvogels iederen nacht naar het veld, en zetten de boomen, die op den grond lagen, weêr overeind! Arme Maconaura! Hij begreep er nog steeds niets van. Maar hij wist er iets op. Hij ging nl. naar de Koeshi-mieren* en verzocht hen, al het gevelde: stam, takken en bladeren voor hem te willen weghalen—hetgeen zij ook deden. Tegen zulke vernielers konden de stinkvogels niets uitrichten, en met de hulp van dit kleine grut gelukte het Maconaura het veld spoedig schoon te kappen.
Zijn vrouw, die steeds meer tot de overtuiging kwam, dat haar man een groote piaiman was, wilde hem toch nog eens voor de derde maal op de proef stellen. Zij zond hem er nu op uit, om een zitbank voor zijn schoonmoeder te maken, met aan elk uiteinde de uitgesneden beeltenis van de oude vrouw. Dit zou, dacht zij, voor hem wel geheel onmogelijk zijn en Maconaura geloofde dit ook, want hij had nog nooit een oog naar zijn schoonmoeder* geslagen. Hij dacht: „Nooit opgeven!” Maar iedere keer, dat hij even in de richting der oude vrouw keek, bedekte zij onmiddellijk haar gezicht met haar beide handen, en draaide het opzij of naar beneden. „Hoe nu”, dacht Maconaura, „krijg ik haar gelaat naar boven, zoodat ik er een goed gezicht op heb”. Daar kreeg hij een inval. Zonder dat de vrouw het merkte, klom hij tegen het dak van haar hut, en wierp hij een bajaboe* naar beneden, die in haar lendenkleed terecht kwam, zoodat de oude haar armen uitspreidde en een klein oogenblikje naar boven keek, juist lang genoeg, om zijn doel te kunnen bereiken. Maconaura begon nu met zijn werk; hij hakte het blok hout in een zoodanigen vorm, dat hij aan ieder uiteinde het goed gelijkende portret van zijn schoonmoeder kon maken.
Toen het werk gereed was, bracht zijn vrouw het bankje naar de oude vrouw, die hartelijk begon te lachen, toen zij de beide portretten zag. Beide vrouwen verbaasden zich er over, hoe Maconaura het had klaargespeeld, om een zóó goed gezicht op zijn schoonmoeder te hebben gehad, en daardoor een zóó sprekend gelijkend portret van haar te hebben kunnen maken.
De jonge vrouw begon nu werkelijk trots op haar man te worden, ja hem te beminnen, omdat hij steeds aan haar wensch voldeed. Wanneer zij hem vroeg, wat visch te brengen, ging hij naar de rivier, en als hij er eenigen meebracht en zij pruilend haar lippen naar voren bracht, daarmede te kennen gevend, dat het niet veel was, dat hij bracht, zei hij, dat zij den korf moest openen, en de visschen zouden er, de een na den ander komen uitduikelen—ja, in zulke hoeveelheden, dat de geheele hut er meê gevuld zou worden.
Maconaura lachte maar; want hij was een piaiman, die buitengewone dingen kon doen.
Inmiddels was de gelukkige echt gezegend door een knappen jongen en .… begon de jonge vrouw heimwee te krijgen en te verlangen, haar man en kind aan haar eigen volk te laten zien. Haar verlangen werd zóó groot, dat zij van Maconaura gedaan wist te krijgen, met hem en den zoon het dorp te verlaten, want zij wilde terugkeeren naar haar vaderen boven en beneden de wolken.
Zij verlieten dus het dorp, kwamen in hun nieuw verblijf aan en bleven langen tijd bij hun verwanten, de stinkvogels. De vrouw kon niet nalaten, telkens van de groote kunde van haar man te vertellen, die alles kon doen, wat zij hem maar vroeg. De stinkvogels, daardoor nieuwsgierig geworden, begonnen hem allerlei dingen te vragen, die, naar zij meenden, onmogelijk waren—maar al het gevraagde bracht hij tot stand. De stinkvogels konden die knapheid niet velen en begonnen jaloersch te worden, zoodat zij eindelijk overeen kwamen, den man gezamenlijk te dooden.
Maconaura, die een echte piaiman was, wist, wat zij met hem voor hadden, en zei: „Uitstekend, laat mij naar mijn dorp terugkeeren en mijn vrienden gaan opzoeken. Wij zullen het daar wel uitvechten”. Onmiddellijk nam hij zijn vrouw en zijn zoontje meê, en met hun drieën togen zij weder huiswaarts. Hier aangekomen, verzamelde hij alle vogels uit den omtrek, en vertelde hun, dat zij voorbereid moesten zijn op een stormloop der stinkvogels.
Toen deze er dan ook aankwamen en het groote leger vogels zagen, gereed om hen te ontvangen, besloten zij door middel van een krijgslist zich de overwinning te verzekeren, hetgeen hun door kracht alleen niet zou gelukken.
Het voornemen der stinkvogels was nl., de geheele wereld in brand te steken, met Maconaura en al zijn vrienden er bij. Zij legden dan ook overal in het rond vuren aan en meenden, dat hun vijanden niet ontkomen zouden, maar nog juist bijtijds ontdekte Maconaura den zwarten Koeri-Koeri*, die hoog in de lucht vloog, en die aan al zijn vrienden verzocht, hem te volgen, om zich bij zijn verwenschingen aan te sluiten. En ziet—onmiddellijk begon de regen bij stroomen neêr te vallen, die alle vuren uitdoofde.
Toen nu Maconaura bemerkt had, dat zijn vrouw bang voor hem was geworden, omdat hij het doel van haar eigen volk, de stinkvogels, om nl. de geheele wereld in brand te steken, verijdeld had, verliet hij haar en ging hij zijn eigen weg. Zijn vrouw zond toen haar zoon er op uit, om haar man heimelijk te overvallen, en hem te dooden, maar of hij dit snoode plan tot uitvoering heeft gebracht, is mij niet bekend.
No. 29. Hoe het ongeluk over de menschen kwam. De geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe. (A.)
Heel, heel lang geleden, voor nog de grootvaders van onze grootmoeders geboren waren, was, zooals de Caraïben vertellen, de wereld geheel anders dan nu. De boomen droegen altijd vruchten; de dieren leefden in volkomen eensgezindheid en de kleine Agoeti* speelde, zonder vrees te hebben, met den baard van den Jagoear. Er leefden toen nog geen giftige slangen; de rivieren stroomden gelijkmatig, er was geen buitengewone droogte, noch had men last van overstroomingen, en de watervallen gleden langzaam van de hoogste rotsen.
Tot den stam der in elk opzicht aantrekkelijke Indianen behoorde een jonge man, Maconaura geheeten, die met zijn moeder samenwoonde. De jongen was in één woord bekoorlijk, slank en bevallig, als men dit ten minste van een man kan zeggen; hij droeg zijn kamiesa* op elegante wijze, en vond zijns gelijke niet op de jacht en de vischvangst, zoowel als in het vlechten, zoodat alle mannen hun vischkorven* voor de laatste afwerking bij hem brachten. De oude moeder was niet minder bekwaam in het maken van hangmatten en het gereed maken der tapana*. Zij leefden in volkomen eensgezindheid, zoowel onder elkander als met de leden van hun stam. Zij hadden geen last van overmatige warmte, noch van kille vochtigheid; zij hadden niet van booze dieren te lijden; want deze kwamen in de streek nog niet voor.
Eens op een dag echter vond Maconaura zijn vischkorf gescheurd en de visschen verslonden, iets wat tot nu toe in de geschiedenis van den stam niet was voorgekomen. Maconaura zette daarom, toen hij zijn korf weêr uitzette, een hoedoedi (specht*) op den uitkijk, hem verzoekende met zijn bek tegen een boomstam te willen kloppen, wanneer iemand, hetzij mensch of dier, mocht naderen. Maar hoewel hij op het toc! toc! van den vogel dadelijk kwam toegesneld, hij kwam te laat—weêr waren de visschen verslonden en was de korf gescheurd.
Met den bananenbek* als waarschuwer ging het beter, want toen de vogel zijn pon! pon! liet hooren, kwam hij nog juist bijtijds, om zijn pijl tusschen de leelijke oogen van den kaaiman te schieten, die met een gloe! gloe! onder water verdween.
Maconaura herstelde nu zijn vischkorf en vertrok. Maar nauwelijks was hij in zijn hut teruggekomen of hij hoorde weêr het signaal pon! pon! van den vogel, en toen hij aan de rivier kwam, zag hij daar een beeldschoone Indiaansche, die tranen schreide. „Wie zijt Gij?” vroeg hij. „Anoeannaïtoe”, antwoordde zij. „Waar komt Gij van daan?”—„Van heel ver!”—„Wie zijn uwe verwanten?”—„O, vraag mij dat niet”, zei ze, en zij bedekte haar gelaat met beide handen.
Het meisje, dat haast nog een kind was, nam haar intrek bij Maconaura en diens moeder. Naarmate zij grooter werd, nam haar schoonheid en bevalligheid zóó toe, dat Maconaura haar eindelijk zijn liefde bekende en haar tot zijn vrouw vroeg. Hoewel zij eerst met tranen in de oogen een weigerend antwoord gaf, stemde zij ten slotte toe, hoewel het samenleven niet correct was, daar Maconaura nog niet de toestemming harer ouders had gevraagd, wier namen hem nog altijd door zijn vrouw onthouden werden.
Gedurende korten tijd leefde het paar zeer gelukkig, totdat Anoeannaïtoe door een vurig verlangen werd aangegrepen, haar moeder te bezoeken. Maar toen Maconaura zei, met haar meê te willen gaan, dreigde zij in woede, den tocht te zullen opgeven. „Dan zal ik alleen gaan en je ouders toestemming voor ons huwelijk vragen”, drong Maconaura aan. „Dat nooit”, riep Anoeannaïtoe, „dat zou onze dood zijn, evenals die van je lieve moeder”. Maconaura was echter niet te overtuigen, „want”, zei hij, „ik heb een piaiman geraadpleegd, die mij verzekerd heeft, veilig te zullen terugkeeren.” Alzoo vertrok hij met zijn bruid.
Toen zij na verscheidene weken reizen met hun korjaal aan een kamp aankwamen, riep Anoeannaïtoe: „Wij zijn er, ik ga mijn moeder opzoeken, zij zal U een kalebas brengen, gevuld met bloed en rauw vlees, en een andere met beltiri* en cassavebrood. Ons lot hangt van Uw keus af.” De jongeman koos, toen de oude vrouw verscheen, zonder aarzelen de beltiri en het brood, waarop zij zei: „Je hebt een goede keus gedaan. Ik geef de toestemming tot het huwelijk, maar ik vrees dat mijn man zich er sterk tegen verzetten zal.” Kaikoutji* was de naam van haar echtgenoot.
Moeder en dochter gingen nu vooruit, om den man te polsen, maar dien woede was zóó groot, dat het nodig scheen, de jongen man in het bosch te verbergen, tot dat Kaikoutji eindelijk zóó zacht gestemd werd, dat hij er in toestemde den jongeman te zien. Toen zijn woede bij zijn verschijning weêr bovenkwam, riep hij: „Hoe durf je mij te naderen?” Maconaura, die hem tot bedaren wilde brengen, antwoordde: „Ja, het is waar, het huwelijk met Uw dochter was niet volgens de gebruiken, maar ik kom herstel vragen. Ik zal voor U maken wat U verlangt.” „Maak dan een halla* met de kop van een kaaiman aan de eene zijde en mijn beeltenis aan de andere,” zei Kaikoutji.
Te middernacht was Maconaura met zijn werk, op het portret na, gereed, maar dit was niet gemakkelijk, daar de man zijn hoofd door een kalebas bedekt had, waaruit alleen zijn ogen zichtbaar waren. Toen nu Maconaura zijn vrouw vroeg, haar vader te willen beschrijven, antwoordde zij: „Onmogelijk. Mijn vader is een piaiman.” „Hij kent en weet alles. Hij zou ons allebei doden.” Maconaura verborg zich nu naast de hangmat van den vader, in de hoop dat hij nu en dan wat van zijn gezicht zou kunnen zien.
Toen kwam er een makoe*, die om de oren van Kaikoutji gonsde en hem stak; maar de man, die als een bal in zijn hangmat lag opgerold, bewoog zich niet. Maconaura vreesde al, het te moeten opgeven, toen hij iets over zijn been voelde kruipen. Het was een hajara*, die tot hem sprak: „Vrees niets, heb geduld.” De spin kroop nu tegen de hangmat van Kaikoutji op en beet den slapende. Maar deze doodde de spin, en nog liet hij zijn gezicht niet zien. Maconaura werd wanhopig, maar eindelijk kwam er hulp opdagen; het was een heel leger van mieren, die hem kwamen aanvallen, en hem zóó toetakelden, dat hij, in de consternatie uit zijn hangmat oprijzend, zijn heele gezicht, zoo afschuwelijk als het was, liet zien.
Toen de morgen aanbrak, had Maconaura zijn halla gereed en bracht hij zijn werkstuk aan den vader. „Dat zal nog niet voldoende zijn,” bromde Kaikoutji, „je moet voor mij in één nacht nog een hut voor mij maken, geheel gebouwd uit de mooiste veeren.”
De jonge man voelde zich al verloren, maar plotseling lieten kolibris, jacamars* en andere vogels met een schitterend gevederte, hun veeren voor hem neêrvallen, zoodat de verlangde hut nog vóór het aanbreken van den dag gereed was, waarna Maconaura werd ontvangen als de erkende echtgenoot van Anoeannaïtoe.
Na verloop van tijd verlangde nu Maconaura zijn moeder weêr te zien, en toen Kaikoutji aan Anoeannaïtoe weigerde, haar man te vergezellen, vertrok hij alleen. Gelukkige dagen volgden nu voor hem in zijn oude hut, als hij zijn avonturen vertelde, en zijn oude moeder verhalen van heel lang geleden aan het vertellen ging, die zij in haar zwak geheugen trachtte terug te roepen. Toen nu Maconaura na eenigen tijd weêr naar zijn vrouw wilde vertrekken, smeekte zijn moeder hem bij haar te blijven, omdat de piaiman hem voor gevaren had gewaarschuwd. Maar Maconaura zei, vast besloten te zijn, nog eenmaal te willen vertrekken en beloofde zijn moeder, iederen dag een vogel te zullen zenden, die haar van zijn welstand zou verwittigen .… als de uil* kwam, zou zij hooren, dat hij verloren was.
Toen nu Maconaura eindelijk in Anoeannaïtoe’s hut was aangekomen, ontving zij hem in tegenwoordigheid zijner schoonmoeder, in tranen uitroepend: „weg, gauw! Kaikoutji is woedend over het geen hij heeft gehoord!” Maconaura stoorde zich echter niet aan de waarschuwingen, en o, onvoorzichtige, toen hij Kaikoutji’s hut binnentrad, werd hij zonder slag of stoot door een pijl tusschen zijn oogen neêrgeveld.
Maconaura’s moeder had dagelijks het droevige bouta! bouta! van den Otolin* gehoord, toen het eens op een dag door het afschuwelijke, onheilspellende popopo! van den uil werd gevolgd.
Nu wetende, dat haar zoon dood was, liet zij zich door den verkondiger van het slechte nieuws naar de plaats des onheils brengen; en toen zij zijn korjaal met zijn lijk eindelijk had gevonden, keerde zij diep bedroefd er mede naar haar volk terug.
De angst had enkelen weêr bijgebracht en deze grepen hun bogen en richtten hun pijlen op de woedende aanvallers. De beide Kenaima’s staakten daarop den aanval. Een van hen sprak toen: „Houdt op, vrienden, wij zijn in uwe handen, maar laat ons eerst spreken”. Toen de tegenstanders hun pijlen hadden laten zakken, vertelde hij de geschiedenis van Maconaura. Het droevig verhaal maakte blijkbaar indruk, want toen hij had uitgesproken, trad een oude piaiman naar voren en sprak: „Jonge mannen, gij hebt goed gesproken; wij ontvangen u als vrienden”.
Het feest werd nu nog vroolijker dan te voren voortgezet. Anoeannaïtoe, die in haar groote smart tot nu toe het feest niet had bijgewoond, kwam nu te voorschijn, en schreed voort langs de doode lichamen, ze een voor een onderzoekend; en toen zij eindelijk het lijk, dat zij zocht—dat harer moeder—herkend had, zette zij er zich bij neêr en hief zij lang achtereen den lofzang op den dood aan. Plotseling sprong zij daarna op, en met overeind staande haren en met een woesten blik liet zij met trillende stem het verschrikkelijke kenaima-lied weerklinken, en danste zij, danste net zoo lang, totdat de geest van de ratelslang haar lichaam binnendrong.
Tegelijkertijd vierde het volk van het andere dorp ook het tapana-feest, om de wraak te vieren, terwijl Maconaura’s moeder, beneveld door den drank, in haar hangmat van haar verloren zoon lag te droomen. Het feest was in vollen gang, toen plotseling Anoeannaïtoe verscheen. Maar zij trad eenige stappen terug, toen zij haar naam hoorde uitspreken door de droomende vrouw: „Anoeannaïtoe! Mijn kind, jij bent goed, evenals je moeder! Maar waarom kom je hier? Mijn zoon, die je verloren hebt, is niet meer. O! mijn zoon Maconaura, verheug je! Jij bent nu gelukkig, want je bent nu gewroken door het bloed van je moordenaars. Ja, je bent goed gewroken”. Onder het uitspreken van die woorden voelde Anoeannaïtoe een verschrikkelijken tweestrijd in haar ziel—de begeerte naar de liefde en de eisch der plicht. Maar bij de woorden: „gewroken met het bloed”, kon zij zich niet langer inhouden, en zich op de oude vrouw werpende, trok zij haar de tong uit den mond en schoot er het doodend gif overheen. Terwijl zij zich over haar zieltogend lichaam heen boog, sprak ze: „De kaaiman, die uw zoon bij zijn vischkorf heeft gedood, was mijn broeder. Evenals mijn vader bezat hij het hoofd van een kaaiman. Ik zou het willen vergeven. Mijn vader wreekte den dood van zijn zoon door uw zoon met hetzelfde lot te bestraffen.….met een pijl tusschen zijn oogen. Uw verwanten hebben mijn vader en velen van zijn stam verslagen. Ja, ik zou dit alles misschien nog willen vergeven hebben, wanneer zij mijn lieve moeder maar gespaard hadden. Maconaura is de oorzaak, dat wat mij het dierbaarst was, is weggenomen. Ik neem nu op mijn beurt weg, wat hem het dierbaarst was”.
Onder het slaken van een verschrikkelijken kreet vlood zij naar het bosch en … onmiddellijk daarna vond in de natuur plaats, wat tot nu toe onbekend was geweest: de winden antwoordden met een orkaan, die de boomen neêr velde, en de zwaarste stammen ontwortelde. Dikke wolken bedekte het gelaat van Ahadeli, terwijl onheilspellende bliksemstralen en het rommelen des donders de donkere wereld deden sidderen. Ontzettende regenstroomen deden de rivieren buiten hun oevers treden. De dieren, die tot nu toe vreedzaam onder elkander geleefd hadden, begonnen elkander aan te vallen, en elkaar te verslinden. De slang trof met zijn vergif; de kaaiman verbrijzelde met zijn vreeselijke kaken al wat van levende wezens onder zijn bereik kwam; en de jagoear scheurde het vleesch uit het lichaam van den onschuldigen Agoeti.
Anoeannaïtoe, gevolgd door een heel leger van wilde beesten, zette haar zinneloozen tocht voort, totdat zij op den top van een enormen rots aankwam, waarvan een waterval met donderend geweld naar omlaag stortte. Hier staakte zij haar loop; aan den rand van den afgrond strekte zij haar armen uit, en toen, zich vooroverbuigend, plofte zij in de diepte neêr. De wateren namen haar beneden op en sloten zich boven haar. Niets was er meer van haar te zien dan een verschrikkelijke draaikolk.
Wanneer nu een vreemdeling langs den waterval komt, zal de Caraïb hem waarschuwen, niet diens naam te noemen. Het zou zijn onfeilbaren dood zijn; want op den bodem dezer wateren wonen Maconaura en Anoeannaïtoe nu gelukkig in het schitterend paleis van den Geest van het water.
No. 30. De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman. (W.)
Heel lang had een man reeds met zijn vrouw samengeleefd; zij was zeer bekwaam in het vervaardigen van hangmatten, maar één ding beviel hem niet in haar: zij schonk hem maar geen kinderen. Hij besloot daarom, er een tweede vrouw bij te nemen … en hij was nu gelukkig, want in den kortst mogelijken tijd schonk deze hem een jongen. Het kind, Koeroesiwari geheeten, groeide vlug op, en terwijl de stiefmoeder bezig was, haar hangmatten te maken, gebeurde het dikwijls, dat de jongen, die om haar heen aan het spelen was, aan het koord ging hangen, waardoor het de noodige spanning verloor.
De oude vrouw liet dezen kleinen last eenigen tijd toe, maar eens op een dag, toen de jongen ondeugender was dan ooit, zei zij: „ga weg, en speel ergens anders”. De jongen gehoorzaamde, verwijderde zich, maar kwam gauw weêr aangedribbeld en trok weêr aan het koord. De vrouw werd nu boos, duwde den jongen op zij; maar zij deed het wat hardhandig, zoodat de jongen viel en begon te schreien.
Niemand sloeg acht op dit voorval, en niemand zag het kind de hut uitdribbelen … de eigen vader en moeder ook niet, die maar steeds in de hangmat lagen. Het was nu al laat op den dag, toen men merkte, dat het kind verdwenen was. Zijn ouders kwamen nu te voorschijn en toen zij overal begonnen te zoeken, vonden ze eindelijk hun kind spelende in een naburige hut met andere kinderen. Hier legden zij uit, waarom zij gekomen waren en al sprekende, kwamen zij van het eene in het andere, en geraakten zij in een zóó levendig gesprek, dat zij geheel en al vergaten, waarom zij gekomen waren; toen ze eindelijk met redeneeren ophielden, bemerkten zij, dat niet alleen hun eigen kind, Koeroesiwari, maar ook Matoe-wari, het kind van hun buren, verdwenen was.