II. West-Indische neger-folklore. (continued 3)
Reading edition
„Je hebt je verdiende loon”, zei Shi Maria tot haar man, „wie dreef je er toe, om van het vleesch van dien man te eten”?
Nansi was zeer neerslachtig, zooals wel te begrijpen was: met zijn varkenssnoet durfde hij nu alleen ’s avonds laat of in den vroegen morgen vòòr het licht was, uit te gaan, daar hij bang was, dat zijn vrienden hem zouden uitlachen.
Eens op een morgen wandelde hij aan den kant van een breed water, toen hij daar dichtbij een varken zag, dat een mooien snoet had. Hij dacht bij zich zelf: och, kon ik ook zoo’n snoet hebben! Meteen kwam de gedachte bij hem op, om met Varken van gelaat te verwisselen.
„Heer Varken”, zoo begon hij, „wat lijkt dit water schoon en frisch; een bad daarin zal lekker zijn. Zou u niet een bad met mij willen nemen?” „Waarom niet”, antwoordde het varken. „Maar weet u wel, heer Varken”, zoo ging Nansi voort, „dat we, voordat we te water gaan, onzen snoet moeten afnemen, daar ik gehoord heb, dat water niet goed is voor den mond van mensch en dier”. „Ik heb er niets tegen”, zei het Varken.
Daarop namen nu Nansi en Varken beiden hun snoet af en gingen te water. Het water was zóó frisch, dat Varken naar het midden zwom. Toen Nansi nu zag, dat vriend Varken ver genoeg was, liep hij het water uit, pakte den snoet van Varken, zette hem op, voordat Varken aan land was en liep weg. Zoo moest Varken den snoet van Nansi aandoen.
En van toen af is het, dat de varkens in den grond wroeten, om den snoet te zoeken, dien zij voorheen hadden.
Creoolsche folk-lore van St.-Eustatius.
St.-Eustatius, het voornaamste der drie aan Nederland toebehoorende Bovenwindsche eilanden, vormt een deel der vulkanische eilandenreeks, die, bij Saba beginnend, in Zuid-waartsche richting zich tot het Engelsche eiland Grenada uitstrekt. Niet alleen door zijn bodemgesteldheid, voor een groot deel uit los, zeer doorlatend en vruchtbaar vulkanisch materiaal opgebouwd, maar ook door zijn ligging onder den invloed van de N.O. Passaat wijkt dit eiland geheel af van het voornaamste der Benedenwindsche eilanden, het op 800 kilometers in Z.O. richting verwijderd liggende eiland Curaçao.
Wanneer op ruime schaal voor het vasthouden van het regenwater en voor den aanleg van een beter wegenstelsel werd zorg gedragen, zou de bodem van dit eiland, dat van oudsher een broeinest voor den smokkelhandel is geweest, meer dan thans het geval is, kunnen opleveren, en zou de armoede, die er nu overheerscht, voor betere economische toestanden plaats maken.
Dat door de genoemde omstandigheden het karakter der door de Negerslaven uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hier nog meer door vreemde invloeden zal geleden hebben, was te verwachten.
Ook op St.-Eustatius behoeft de folk-lorist niet voor negatief resultaat te vreezen; want ook hier wordt de vertelling bij allerlei gelegenheden nog steeds in eere gehouden. Bij feesten bijv., zoo werd mij verteld, waarop, bij fakkellicht, nog de echte ouderwetsche dansen worden uitgevoerd, wordt de tijd ook aangenaam doorgebracht met zang en met vertellingen „van toen en toen, waarin vooral de praatgrage oudjes onuitputtelijk zijn”.
Braha-227 Nanci en Braha-Toekema.
Er waren twee vrienden; de een heette Braha Nanci, de ander Braha Toekema. Allebei waren zeer lui. Ze wilden niet werken, maar leefden liever van wat ze door stelen machtig konden worden.
Op zekeren dag zei B. N. tot B. T.: „kom, laat ons naar ’s konings weide gaan; daar is een lekker stukje vleesch te krijgen.”
„Goed”, zei B. T., „dan moeten we in twee van de vetste ossen kruipen en daaruit de lekkerste en vetste stukjes snijden; maar denk er om, B. N., wanneer je bij dat stuk komt, dat zegt: tik! tik! tik!, snijd dat er dan niet uit want dat tik! tik! tik!-stukje is het hart en zoodra je dat er uitsnijd, valt de os dood onder je neêr”.
„Goed, B.T., ik zal oppassen”… en de beide vrienden namen hun zakken op en begaven zich terstond op pad. Toen ze in de weide kwamen, zagen ze verscheidene vette ossen rondloopen. „Ha! Ha! Ha!” zei B. N., „zie je dien rooden vetten os daar, dien neem ik voor mij”. „Ha! Ha! Ha!”, zei B. T., „in dien mooien grijzen daar kruip ik binnen!”
Zoo gezegd, zoo gedaan; de beide vrienden kropen in de twee vetste ossen.
B. T. sneed de mooiste en vetste stukjes uit en was zeer voorzichtig, wanneer hij bij het tik! tik! tik!-stukje kwam, en toen hij naar zijn zin genoeg had uitgesneden, kroop hij uit den os, deed het vleesch in den zak en keek hij rond naar B. N.
Maar deze was nog niet te zíen, daar hij zeer gulzig van aard was en niet met weinig tevreden was, zoodat hij nog niet genoeg naar zijn zin had kunnen uitsnijden.
B. T. werd ongeduldig en riep: „B. N., kom naar buiten”. „Ja, Ja, Ja”, antwoordde zijn vriend, „nog dit eene vette, heerlijke stukje en dan zal ik komen.”
Maar weêr verliepen minuten en nog kwam B. N. niet te voorschijn.
„B. N., ik zeg je, kom er uit!” riep B. T., nu werkelijk boos wordend.
„Ja, Ja, Ja, man, dit eene vette stukje nog, dan kom ik”, was het antwoord, doch kort daarop viel de os plotseling dood neêr, want dat eene vette stukje was het tik! tik! tik!-stukje geweest, het hart.
Toen de os dood neêrviel, wist B. N. eerst niet, wat gebeurde en van schrik kroop hij in de pens en bleef hij daar ineengedoken en doodstil zitten. B. T. bij den dooden os neêrhurkende, riep toen: „Ja, man, daar zit je nu, dat komt nu van je gulzigheid; had je net als ik gedaan en was je met weinig tevreden geweest, dan was je nu zoo ongelukkig niet en had je het niet zoo doodsbenauwd”. Nauwelijks had hij dit gezegd, of hij zag, tot zijn schrik, de koeienjongen van den Koning in de verte aankomen. Hij nam zijn zak met vleesch op en liep zoo hard hij loopen kon, weg.
De koeienjongen, den mooisten os van den Koning dood vindende, holde dadelijk naar den Koning, om Hem het gebeurde mede te deelen. De Koning gelastte hem, den os te slachten en Hem de stukken te brengen. Dit gebeurde; alleen de ingewanden enz. enz. gaf de koeienjongen aan een arme, oude vrouw.
Deze vrouw ging met alles naar de dicht bijzijnde rivier, om het schoon te maken. Toen ze nu de pens opensneed, sprong B. N. met zóó groot lawaai en geschreeuw er uit, dat het arme vrouwtje van schrik op den grond viel. „Jou, leelijk oud wijf!” schreeuwde B. N., „daar zit ik kalm en rustig aan den oever een dutje te doen en daar kom jij met je vuile boel en bespat mijn mooie kleeren … Schaam je je niet—geef hier dien viezen rommel en ga terstond naar huis, anders zal er nog wat met jou gebeuren”.
En de arme, oude vrouw, bang voor den grooten barschen man, liet alles op den grond liggen en liep, zoo hard zij loopen kon, weg.
Toen de vrouw uit het gezicht was, begon B. N. hartelijk te lachen, nam de boel op, wiesch alles goed schoon, stopte het in den zak en ging zijn vriend opzoeken. Eindelijk vond hij deze, en vertelde hem, hoe hij ontsnapt was en bovendien, hoe hij dat arme vrouwtje voor den gek had gehouden, en haar alles ontnomen had.
„Je bent me een slimme kerel!” zei B. T.; „maar neem een goeden raad van mij aan, en laat je voortaan nooit meer door je gulzigheid verleiden.”
De twee vrienden gingen nu verder en kwamen voorbij een huis, waar zoo juist een oude vrouw gestorven was. Zij traden er binnen en dadelijk begonnen zij met de familie meê te huilen en te schreeuwen, alsof de dood van die oude moeder ook hen ter harte ging en zij ook veel van haar gehouden hadden.
Ja, ze dreven de schijnheiligheid zóó op, dat ze zeurig eentoonig begonnen te zingen:
„Een goede vrouw is zij geweest,
De grootste eer zij haar gebracht!”
„Kom!”, lieten ze er op volgen, „trek haar beste, zwart-zijden japon aan; omhang haar met al haar goud en zilver, dan zullen we allen te zamen roepen om haar, zoo rijk versierd, aan hen te toonen en zullen we voor haar zingen en bidden. Doch”, zoo gingen ze verder, „om haar alle eer te bewijzen, haal dan ook nog een ham, een blik boter, reuzel, kaas, suiker, twintig pond varkensvleesch, sigaren, twee flesschen wijn, twee flesschen rum, twee flesschen jenever, twee pond koffie en … zet dat alles op groote tafels om haar heen”.
De familie, die zeer rijk en zeer bijgeloovig was, en daarbij het prettig vond, om aan vrienden en kennissen al haar moois en sieraden te kunnen vertoonen, deed, wat B. N. en B. T. zeiden. En toen alles klaar was, schaarden allen zich om de doode heen.
De twee vrienden vingen toen weêr met hun eentoonig liedje aan:
„Een goede vrouw is zij geweest;
De grootste eer zij haar gebracht!”
Eindelijk vielen een paar gasten in slaap, zoodat de beide vrienden steeds zachter en eentoniger begonnen te zingen, totdat op het laatst allen in zoete rust waren gezongen.
Steeds doorzingende, stonden de beide vrienden eindelijk op, namen de doode de gouden en zilveren sieraden af, die zij in hun wijde zakken borgen en stopten vleesch, wijn, kortom al wat op de tafel stond in een grooten mand, en gingen ten slotte, steeds doorzingende, de kamer en de deur uit. Eenmaal buiten zijnde, vluchtten zij met mand en al het bosch in, waarin ze in een oogwenk verdwenen waren.
De familieleden en kennissen, die den geheelen dag reeds bij het lijk hadden gezongen en ook daarbij veel gegeten en gedronken hadden, bleven rustig doorslapen en werden eerst tegen den morgen wakker.
Nog half slapende, keken ze naar de doode en van de doode naar de tafels, en tot hun grooten schrik zagen ze, dat alles, alles gestolen was.
Een algemeen gejammer brak los; men verweet elkander, die twee vreemde mannen geloofd te hebben en men begon bij het lijk van de oude moeder te vechten en te schelden.
En … onderwijl, op een veilige plek in het bosch, zaten B. N. en B. T., onder den grootsten pret, zich te goed te doen aan de gestolen eetwaren en bewonderden zij de fraaie gouden en zilveren sieraden!
Neger-vertellingen van Jamaica.
Nancy-Stories.
In 1673 waren ongeveer 1905 negers op Jamaica werkzaam, de marrones niet meegerekend, een getal dat in 1690 reeds tot 40,000 gestegen was. De behoefte aan zwarte arbeidskrachten deed zich nog meer gevoelen, toen in 1721 de koffie werd ingevoerd, zoodat in 1807, toen de slavernij er werd opgeheven, zich reeds 323,827 negers op Jamaica bevonden.
Deze waren bijna uitsluitend uit West-Afrika aangevoerd. De marrones („marroons” in het Engelsch) kwamen van Guinea tusschen de Gambia-rivier en Sierra Leone en van de Goudkust; de Koromantijnen, eveneens van de Goudkust, terwijl er ook van het Niger-delta, van Lagos en Dahomey en van de Congo en Angola zijn aangevoerd.
Evenals wij dit voor Suriname hebben trachten aan te toonen, is het wel zeker dat verreweg het grootste deel der negerslaven van Jamaica van de Goudkust afkomstig is, waar de Engelschen tusschen 1680 en 1807 slavendepôts hadden, en dat ook uit de meer oostwaarts gelegen deelen van de kust van Guinea negers naar het eiland kwamen.
Kan het nu verwonderen, dat ook in het leven der Jamaicaansche Negers de Spinvertellingen (hier „Nancy-Stories” genoemd) een belangrijke rol spelen?
Hetgeen Uncle Remus voor Georgia gedaan heeft (Ha.), deed Jekyll voor Jamaica (Je.), en uit hun arbeid is ten duidelijkste gebleken, dat op Jamaica het Afrikaansche element veel meer door het Europeesche verdrongen is, dan in Georgia. Want van de 50 vertellingen, door Jekyll medegedeeld, zijn zeker 11 uit Europa ingevoerd, en, hetgeen eigenaardig is, eenigen schijnen hun weg naar het eiland gevonden te hebben uit Portugal over Afrika.
Een groot deel der Jamaicaansche vertellingen zijn, hetzij zij tot de echte Anansi-vertellingen behooren of niet, dezelfde dierenfabels of sprookjes, den lezer reeds uit Suriname bekend, en behooren tot dezelfde type als de Uncle Remus-serie (Ha.) en de talrijke vertellingen van de West-kust van Afrika (Ba en Cr.). Alle dieren, die er in voorkomen, stellen menschelijk denkende wezens voor, en zijn ook hier gepersonifieerd door vóór den naam van het dier een voorvoegsel te plaatsen, uit de Europeesche talen afkomstig, hetzij dit Mr., Brer (van Brother) enz. luidt.
De naam „Annancy”, zooals op Jamaica de spin heet, zegt voor de afkomst der vertellingen genoeg. Ook hier vinden wij de zelfde anansi der Neger-vertellingen uit Suriname en de Goudkust terug, met zijn formidabelen eetlust en zijn vele streken om aan voedsel te komen, met zijn vrees voor den dood, waaraan hij op allerlei manieren tracht te ontkomen, met zijn voortdurend streven, om oneenigheid onder de dieren te stichten enz., om van vele andere overeenkomstige eigenschappen niet te spreken, die een zelfden oorsprong der vertellingen verraden.
Opvallend is het, dat de schildpad, die elders zoo dikwijls in de Neger-vertellingen optreedt, op Jamaica gemist wordt, doch hier vervangen wordt door de pad—hetgeen begrijpelijk is, want de schildpad (steeds wordt aan de Goudkust en de Slavenkust, wanneer dit dier in de vertellingen optreedt, een landschildpad bedoeld) komt op Jamaica niet voor. Enkele malen treedt ook hier „Brer Rabbit” op, die echter weinig meer herinnert aan het traditioneele karakter, uit de vertellingen van de Goudkust en Sierra Leone bekend.
Het luipaard, dat zoo dikwijls in de West-Afrikaansche negervertellingen optreedt, is evenals in Suriname op Jamaica vervangen door den tijger, hoewel de jagoear er, evenals vele andere voor de Zuid-Amerikaansche fauna karakteristieke zoogdieren, ontbreekt.
Jekyll herinnert er aan, dat de spin in de vertellingen steeds in zulk een slecht daglicht wordt gesteld, hetgeen wellicht hieraan moet worden toegeschreven dat de verhalen meestal een moraliseerend karakter hebben, en het laten uitkomen der slechte eigenschappen de bedoeling zal hebben, het luisterende volk beter te maken.
Evenals voor mij tijdens ons verblijf in de Surinaamsche oerwouden een plotseling uit het achter onze kampplaats gelegen negerkampement tot mij komende schaterlach het teeken was, dat een onzer arbeiders een anansi-tori aan het vertellen was en een geestigheid debiteerde, zoo is ook voor de negers op Jamaica het luisteren naar „Nancy-stories” de geliefkoosde tijdpasseering na volbrachten dagtaak; en wanneer plotseling uit een groepje negers op het veld een schaterlach opstijgt, kan men er zeker van zijn, dat een „Story-teller” bezig is „Bro’er” of „Mr. Annancy” een of andere geestigheid te laten zeggen of doen.
Opmerking verdient het nog, dat meerdere vertellingen uit Jekyll’s bundel leeren, waarom de spin te midden van een bananentros leeft (en niet zooals in Suriname in „beslagruimten”), hetgeen niet vreemd is, omdat zijne „Nancy-stories” op de cultuurondernemingen van het groote eiland werden bijeengebracht, waar sedert jaren een uitgebreide bananencultuur wordt uitgeoefend,
Het drietal „Nancy-stories”, die ik voor dezen bundel uit Jekyll’s boek heb uitgekozen, zullen den lezer daarom zeker welkom zijn, omdat de schrijver ook de melodieën heeft tusschengevoegd, waarmede de verteller zijne verhalen steeds laat afwisselen.
Op Jamaica schijnt de moraliseerende bedoeling der negervertellingen geheel op den achtergrond te zijn geraakt. Zij worden hier bijna uitsluitend tot ontspanning verteld, en de beleefdheid schijnt daar mede te brengen, dat de verteller zijn verhaal eindigt met: „Jack Mantora me no choose any”, waarmeê hij wil zeggen: „Deze vertelling is noch gericht tot jou, Jack (d.i. een willekeurige toehoorder) noch tot een der anderen”.
1. Annancy in Krabbenland.
„Wie niet sterk is, moet slim zijn”, dacht Anansi, „vriend Krab zal zich door mij wel laten bekeeren. Daar kan hij donder op zeggen”. Hij keerde nu naar huis terug, tooide er zich met toga en baret, schilderde zijn neus rood—alles om een meer betrouwbaren indruk te maken—en haalde eenige zijner vrienden over, om gezamenlijk zendingswerk te gaan verrichten. De vrienden waren de Heeren Pad, Rat en Kraai*.
Al spoedig gingen zij met hun vieren op stap, en toen zij Krabbenland bereikt hadden, begon Anansi ijverig en vurig te preeken, echter met geen beter gevolg dan voorheen: bij vriend Krab vond zijn woord geen ingang.
Anansi huurde toen van vriend Krab een huis, en trok daar in. Inziende, dat Krab zich niet met preeken zou laten vangen, besloot Anansi, die altijd veel snaren op zijn boog heeft, een anderen weg in te slaan. Hij vervaardigde een trom en een viool, liet Kraai viool spelen, en vriend Rat den trom roeren. Maar de muziek bevredigde hem nog niet; zij maakte te weinig lawaai; er moest meer bij. Hij voegde daarom nog een fluit aan zijn orkest toe en liet deze door vriend Pad bespelen.
Toen hij dit nu alles voor elkaar had, begon hij uitvoeringen te geven en volgde nauwkeurig de levenswijze van de Krabben. En ziet! Deze kwamen nu telkens bij hem en geraakten geheel onder zijn invloed. Wat Anansi echter in zijn schild voerde, dat vermocht vriend Krab niet te doorzien.
Nu begon de groote repetitie. Vriend Rat sloeg op den trom, dat het donderde; Kraai speelde op de viool, zoodat de vonken er afvlogen, en Pad speelde op de fluit, zoodat de aderen op zijn hoofd opzwollen. Anansi zou hen voorzingen, wat er gespeeld moest worden, en het eerste nummer luidde:

[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]
Verder sprak Anansi met zijn vrienden af, dat zij zich voor den schijn door hem moesten laten doopen, en wel met zooveel vertoon, dat vriend Krab verlangen zou, die plechtigheid ook te ondergaan.
Het doopfeest vond nu plaats en toen het was afgeloopen, waren de Krabben daarover zóó in de wolken, dat zij niet konden nalaten te verzoeken, hen op dezelfde wijze te begenadigen als Anansi’s vrienden.
Anansi antwoordde hen, dat hij vriend Krab de genade en den doop niet wilde onthouden, maar dat hij er nog meê wilde wachten tot den volgenden morgen, omdat hij zich door vasten er op moest voorbereiden. Vriend Krab was met dit antwoord zeer in zijn schik.
Anansi legde nu zijn vrienden uit, wat hij van plan was te doen. Hij zou vriend Krab doopen, maar niet met koud, maar met kokend water. Hij liet een diep vat aanrukken, stelde dit als doopvont op, en verzocht zijn vriend Krab, in het vat te kruipen en op den bodem daarvan plaats te nemen. Toen het zoover was, vroeg Anansi zijn vrienden, den gereed gemaakten ketel over te reiken, en hij goot dien over vriend Krab uit, wiens lichaam daardoor geheel rood werd.
Toen Anansi dit zag, riep hij uit: „De Hemel zij dank, nu kan de slimme rakkert mij niet langer weêrstreven, en zal Anansi hem rustig bij zijn ontbijt kunnen verorberen”.
Sedert dien tijd bedriegt Anansi al zijn vrienden.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.
2. Reiger.
Er was eens een Indiaansche vrouw, die een dochter had, geboren met een gouden ring om den vinger. Iedereen had van het geval gehoord, maar niemand had het merkwaardige meisje gezien.
Toen Anansi deze geschiedenis vernam, wekte ze zijn eerzucht op, en hij besloot het meisje tot zijn vrouw te nemen. Hij overlegde nu, hoe hij het aan zou leggen, bij haar te worden toegelaten.
Aan het hoofd zijner muziekanten trok hij naar de woning van het meisje en op zijn beleefd verzoek werd hij op het omheinde erf toegelaten. Hij liet de muziekanten hun mooiste stukken spelen, maar deze konden het meisje niet bekooren; haar gelaat bleef strak. Zij bleef droevig voor zich uitstaren; zij glimlachte niet eens. Anansi, die zag, dat hij niet vorderde, zei haar nu goeden dag en ging weêr naar huis terug.
Onderweg ontmoette hij zijn boezemvriend, heer Konijn. „Zeg, broêr Anansi”, vroeg Konijn, „waar kom jij zoo vandaan?”, waarop Anansi vertelde wat er gebeurd was. Toen Konijn alles had gehoord, gaf hij Anansi te kennen, dat hij eveneens zijn geluk bij het meisje wilde gaan beproeven. „Doe dat”, zei Anansi, „jij bent een heerlijke blanke meneer; ik heb zoo’n idee, dat je slagen zult. Maar als het in orde komt, deel het me in het teruggaan meê, en, wat ik zeggen wil, in dat geval moet je mij als kamerheer te werk stellen”.
Konijn begreep niet, wat Anansi bedoelde, die stellig van plan was, hem het meisje afhandig te maken.
Konijn begaf zich nu naar de woning van het meisje. De moeder deed hem open en vroeg wat hij wilde. „Ik ben op zoek naar een verloofde”, zei Konijn, „en denk haar hier te zullen vinden”. „Het spijt me, Heer Konijn”, zei de moeder, „want ge zijt slechts een wouddier en aan een dier wensch ik mijn dochter niet uit te huwen.”
Intusschen was Anansi buiten op Konijn blijven wachten, nieuwsgierig om te vernemen, hoe het was afgeloopen. Toen hij nu van Konijn vernam, dat ook deze een blauwtje had geloopen en zij samen het geval bleven bespreken, voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.

… voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.—Zie blz. 375.
Naar huis gaande, overlegde Reiger of ook hij niet een kans behoorde te wagen, en hoe hij het zou aanleggen. Hij kleedde zich als een fijne meneer, huurde een omnibus en reed naar het huis van het meisje, waar hij hartelijk werd ontvangen en zóó in den smaak viel, dat reeds dadelijk alles geregeld kon worden voor het aanstaand huwelijk.
Nu was er in het huis van het meisje een jongen, die toovenaar was, en toen deze Reiger goed had bekeken, zei hij: „dat is geen fijne meneer; dat is niemand anders dan Reiger, die zich verkleed heeft”.
„Je liegt”, zei het meisje, „het is mijn beminde, en geen verkleede bedrieger”. „Heb geduld”, antwoordde de jonge man, „ik vind dat wel uit”.
Hij volgde Reiger, eerst naar diens huis, en daarna naar den oever der rivier, waar Reiger ging visschen. De toovenaar klom daar ongemerkt in een boom, en terwijl Reiger zich daar met zijn arbeid bezig hield, begon de jongen te zingen:


Moderato.
[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]
Reiger had geen flauw vermoeden, dat iemand hem van een boom uit zat te begluren.
Toen nu de toovenaar voor den eersten keer het lied had aangeheven, richtte Reiger zich op en daardoor viel de hoed van zijn hoofd.
Toen nu de jongen het lied herhaalde, viel als vanzelf eerst de jas en daarna het hemd van zijn lichaam en nadat de jongen het lied voor de derde maal had gezongen, viel Reigers broek naar beneden.
De toovenaar had zich nu overtuigd, dat zijn vermoeden gegrond was, en dat de vrijer van het Indiaansche meisje niemand anders dan Reiger was, die zich onkenbaar had trachten te maken.
Reiger was nu, bevrijd van zijn kleeren, ijverig begonnen te visschen en daarvan maakte de jongen gebruik, om zich ongemerkt uit de voeten te maken.
De jonge man greep nu zijn viool, stemde die en begon te zingen:
(volgt hetzelfde lied).
Reiger schrok en riep uit: „Neen, broêr, houd op met dat lied, ik kan het niet aanhooren. Dit lied doodde mijn grootvader en als ik het hoor zingen, word ik bedroefd”. Maar de toovenaar ging door met spelen en zingen en ziet, achtereenvolgens vielen weêr al de kleeren van Reiger’s lijf.
Toen Reiger zich nu ontmaskerd zag, vloog hij door de open deur naar buiten en verhief zich hoog in de lucht.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.
Eens op een dag deden Anansi en Poes een dansje en noodigden Rat tot het bal uit. Anansi nam de viool en zong:


Presto.
Ying de Ying de Ying, Ying de Ying de Ying, take care you go talk, Oh! min’ you tatt-ler tongue, Ying de Ying,
Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying.
waarop hij liet volgen:

Allegro vivace.
Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy wi - chy wich, Tim - ber hang an’ fall la la, fall la la, fall la.
[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]
Toen Rat steeds sneller danste, viel zijn broek naar beneden, die hem achteraan sleepte, en waarvoor hij zich zóó schaamde, dat hij in een hol de vlucht nam.
Hierdoor komt het, dat de rat tot op den huidigen dag in een hol verblijf houdt.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack!