← Table of contents
Mythen en sagen uit West-Indië

II. West-Indische neger-folklore. (continued 3)

Reading edition

„Je hebt je verdiende loon”, zei Shi Maria tot haar man, „wie dreef je er toe, om van het vleesch van dien man te eten”?

Nansi was zeer neerslachtig, zooals wel te begrijpen was: met zijn varkenssnoet durfde hij nu alleen ’s avonds laat of in den vroegen morgen vòòr het licht was, uit te gaan, daar hij bang was, dat zijn vrienden hem zouden uitlachen.

Eens op een morgen wandelde hij aan den kant van een breed water, toen hij daar dichtbij een varken zag, dat een mooien snoet had. Hij dacht bij zich zelf: och, kon ik ook zoo’n snoet hebben! Meteen kwam de gedachte bij hem op, om met Varken van gelaat te verwisselen.

„Heer Varken”, zoo begon hij, „wat lijkt dit water schoon en frisch; een bad daarin zal lekker zijn. Zou u niet een bad met mij willen nemen?” „Waarom niet”, antwoordde het varken. „Maar weet u wel, heer Varken”, zoo ging Nansi voort, „dat we, voordat we te water gaan, onzen snoet moeten afnemen, daar ik gehoord heb, dat water niet goed is voor den mond van mensch en dier”. „Ik heb er niets tegen”, zei het Varken.

Daarop namen nu Nansi en Varken beiden hun snoet af en gingen te water. Het water was zóó frisch, dat Varken naar het midden zwom. Toen Nansi nu zag, dat vriend Varken ver genoeg was, liep hij het water uit, pakte den snoet van Varken, zette hem op, voordat Varken aan land was en liep weg. Zoo moest Varken den snoet van Nansi aandoen.

En van toen af is het, dat de varkens in den grond wroeten, om den snoet te zoeken, dien zij voorheen hadden.

Creoolsche folk-lore van St.-Eustatius.

St.-Eustatius, het voornaamste der drie aan Nederland toebehoorende Bovenwindsche eilanden, vormt een deel der vulkanische eilandenreeks, die, bij Saba beginnend, in Zuid-waartsche richting zich tot het Engelsche eiland Grenada uitstrekt. Niet alleen door zijn bodemgesteldheid, voor een groot deel uit los, zeer doorlatend en vruchtbaar vulkanisch materiaal opgebouwd, maar ook door zijn ligging onder den invloed van de N.O. Passaat wijkt dit eiland geheel af van het voornaamste der Benedenwindsche eilanden, het op 800 kilometers in Z.O. richting verwijderd liggende eiland Curaçao.

Wanneer op ruime schaal voor het vasthouden van het regenwater en voor den aanleg van een beter wegenstelsel werd zorg gedragen, zou de bodem van dit eiland, dat van oudsher een broeinest voor den smokkelhandel is geweest, meer dan thans het geval is, kunnen opleveren, en zou de armoede, die er nu overheerscht, voor betere economische toestanden plaats maken.

Dat door de genoemde omstandigheden het karakter der door de Negerslaven uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hier nog meer door vreemde invloeden zal geleden hebben, was te verwachten.

Ook op St.-Eustatius behoeft de folk-lorist niet voor negatief resultaat te vreezen; want ook hier wordt de vertelling bij allerlei gelegenheden nog steeds in eere gehouden. Bij feesten bijv., zoo werd mij verteld, waarop, bij fakkellicht, nog de echte ouderwetsche dansen worden uitgevoerd, wordt de tijd ook aangenaam doorgebracht met zang en met vertellingen „van toen en toen, waarin vooral de praatgrage oudjes onuitputtelijk zijn”.

Braha-227 Nanci en Braha-Toekema.

Er waren twee vrienden; de een heette Braha Nanci, de ander Braha Toekema. Allebei waren zeer lui. Ze wilden niet werken, maar leefden liever van wat ze door stelen machtig konden worden.

Op zekeren dag zei B. N. tot B. T.: „kom, laat ons naar ’s konings weide gaan; daar is een lekker stukje vleesch te krijgen.”

„Goed”, zei B. T., „dan moeten we in twee van de vetste ossen kruipen en daaruit de lekkerste en vetste stukjes snijden; maar denk er om, B. N., wanneer je bij dat stuk komt, dat zegt: tik! tik! tik!, snijd dat er dan niet uit want dat tik! tik! tik!-stukje is het hart en zoodra je dat er uitsnijd, valt de os dood onder je neêr”.

„Goed, B.T., ik zal oppassen”… en de beide vrienden namen hun zakken op en begaven zich terstond op pad. Toen ze in de weide kwamen, zagen ze verscheidene vette ossen rondloopen. „Ha! Ha! Ha!” zei B. N., „zie je dien rooden vetten os daar, dien neem ik voor mij”. „Ha! Ha! Ha!”, zei B. T., „in dien mooien grijzen daar kruip ik binnen!”

Zoo gezegd, zoo gedaan; de beide vrienden kropen in de twee vetste ossen.

B. T. sneed de mooiste en vetste stukjes uit en was zeer voorzichtig, wanneer hij bij het tik! tik! tik!-stukje kwam, en toen hij naar zijn zin genoeg had uitgesneden, kroop hij uit den os, deed het vleesch in den zak en keek hij rond naar B. N.

Maar deze was nog niet te zíen, daar hij zeer gulzig van aard was en niet met weinig tevreden was, zoodat hij nog niet genoeg naar zijn zin had kunnen uitsnijden.

B. T. werd ongeduldig en riep: „B. N., kom naar buiten”. „Ja, Ja, Ja”, antwoordde zijn vriend, „nog dit eene vette, heerlijke stukje en dan zal ik komen.”

Maar weêr verliepen minuten en nog kwam B. N. niet te voorschijn.

„B. N., ik zeg je, kom er uit!” riep B. T., nu werkelijk boos wordend.

„Ja, Ja, Ja, man, dit eene vette stukje nog, dan kom ik”, was het antwoord, doch kort daarop viel de os plotseling dood neêr, want dat eene vette stukje was het tik! tik! tik!-stukje geweest, het hart.

Toen de os dood neêrviel, wist B. N. eerst niet, wat gebeurde en van schrik kroop hij in de pens en bleef hij daar ineengedoken en doodstil zitten. B. T. bij den dooden os neêrhurkende, riep toen: „Ja, man, daar zit je nu, dat komt nu van je gulzigheid; had je net als ik gedaan en was je met weinig tevreden geweest, dan was je nu zoo ongelukkig niet en had je het niet zoo doodsbenauwd”. Nauwelijks had hij dit gezegd, of hij zag, tot zijn schrik, de koeienjongen van den Koning in de verte aankomen. Hij nam zijn zak met vleesch op en liep zoo hard hij loopen kon, weg.

De koeienjongen, den mooisten os van den Koning dood vindende, holde dadelijk naar den Koning, om Hem het gebeurde mede te deelen. De Koning gelastte hem, den os te slachten en Hem de stukken te brengen. Dit gebeurde; alleen de ingewanden enz. enz. gaf de koeienjongen aan een arme, oude vrouw.

Deze vrouw ging met alles naar de dicht bijzijnde rivier, om het schoon te maken. Toen ze nu de pens opensneed, sprong B. N. met zóó groot lawaai en geschreeuw er uit, dat het arme vrouwtje van schrik op den grond viel. „Jou, leelijk oud wijf!” schreeuwde B. N., „daar zit ik kalm en rustig aan den oever een dutje te doen en daar kom jij met je vuile boel en bespat mijn mooie kleeren … Schaam je je niet—geef hier dien viezen rommel en ga terstond naar huis, anders zal er nog wat met jou gebeuren”.

En de arme, oude vrouw, bang voor den grooten barschen man, liet alles op den grond liggen en liep, zoo hard zij loopen kon, weg.

Toen de vrouw uit het gezicht was, begon B. N. hartelijk te lachen, nam de boel op, wiesch alles goed schoon, stopte het in den zak en ging zijn vriend opzoeken. Eindelijk vond hij deze, en vertelde hem, hoe hij ontsnapt was en bovendien, hoe hij dat arme vrouwtje voor den gek had gehouden, en haar alles ontnomen had.

„Je bent me een slimme kerel!” zei B. T.; „maar neem een goeden raad van mij aan, en laat je voortaan nooit meer door je gulzigheid verleiden.”

De twee vrienden gingen nu verder en kwamen voorbij een huis, waar zoo juist een oude vrouw gestorven was. Zij traden er binnen en dadelijk begonnen zij met de familie meê te huilen en te schreeuwen, alsof de dood van die oude moeder ook hen ter harte ging en zij ook veel van haar gehouden hadden.

Ja, ze dreven de schijnheiligheid zóó op, dat ze zeurig eentoonig begonnen te zingen:

„Een goede vrouw is zij geweest,

De grootste eer zij haar gebracht!”

„Kom!”, lieten ze er op volgen, „trek haar beste, zwart-zijden japon aan; omhang haar met al haar goud en zilver, dan zullen we allen te zamen roepen om haar, zoo rijk versierd, aan hen te toonen en zullen we voor haar zingen en bidden. Doch”, zoo gingen ze verder, „om haar alle eer te bewijzen, haal dan ook nog een ham, een blik boter, reuzel, kaas, suiker, twintig pond varkensvleesch, sigaren, twee flesschen wijn, twee flesschen rum, twee flesschen jenever, twee pond koffie en … zet dat alles op groote tafels om haar heen”.

De familie, die zeer rijk en zeer bijgeloovig was, en daarbij het prettig vond, om aan vrienden en kennissen al haar moois en sieraden te kunnen vertoonen, deed, wat B. N. en B. T. zeiden. En toen alles klaar was, schaarden allen zich om de doode heen.

De twee vrienden vingen toen weêr met hun eentoonig liedje aan:

„Een goede vrouw is zij geweest;

De grootste eer zij haar gebracht!”

Eindelijk vielen een paar gasten in slaap, zoodat de beide vrienden steeds zachter en eentoniger begonnen te zingen, totdat op het laatst allen in zoete rust waren gezongen.

Steeds doorzingende, stonden de beide vrienden eindelijk op, namen de doode de gouden en zilveren sieraden af, die zij in hun wijde zakken borgen en stopten vleesch, wijn, kortom al wat op de tafel stond in een grooten mand, en gingen ten slotte, steeds doorzingende, de kamer en de deur uit. Eenmaal buiten zijnde, vluchtten zij met mand en al het bosch in, waarin ze in een oogwenk verdwenen waren.

De familieleden en kennissen, die den geheelen dag reeds bij het lijk hadden gezongen en ook daarbij veel gegeten en gedronken hadden, bleven rustig doorslapen en werden eerst tegen den morgen wakker.

Nog half slapende, keken ze naar de doode en van de doode naar de tafels, en tot hun grooten schrik zagen ze, dat alles, alles gestolen was.

Een algemeen gejammer brak los; men verweet elkander, die twee vreemde mannen geloofd te hebben en men begon bij het lijk van de oude moeder te vechten en te schelden.

En … onderwijl, op een veilige plek in het bosch, zaten B. N. en B. T., onder den grootsten pret, zich te goed te doen aan de gestolen eetwaren en bewonderden zij de fraaie gouden en zilveren sieraden!

Neger-vertellingen van Jamaica.

Nancy-Stories.

In 1673 waren ongeveer 1905 negers op Jamaica werkzaam, de marrones niet meegerekend, een getal dat in 1690 reeds tot 40,000 gestegen was. De behoefte aan zwarte arbeidskrachten deed zich nog meer gevoelen, toen in 1721 de koffie werd ingevoerd, zoodat in 1807, toen de slavernij er werd opgeheven, zich reeds 323,827 negers op Jamaica bevonden.

Deze waren bijna uitsluitend uit West-Afrika aangevoerd. De marrones („marroons” in het Engelsch) kwamen van Guinea tusschen de Gambia-rivier en Sierra Leone en van de Goudkust; de Koromantijnen, eveneens van de Goudkust, terwijl er ook van het Niger-delta, van Lagos en Dahomey en van de Congo en Angola zijn aangevoerd.

Evenals wij dit voor Suriname hebben trachten aan te toonen, is het wel zeker dat verreweg het grootste deel der negerslaven van Jamaica van de Goudkust afkomstig is, waar de Engelschen tusschen 1680 en 1807 slavendepôts hadden, en dat ook uit de meer oostwaarts gelegen deelen van de kust van Guinea negers naar het eiland kwamen.

Kan het nu verwonderen, dat ook in het leven der Jamaicaansche Negers de Spinvertellingen (hier „Nancy-Stories” genoemd) een belangrijke rol spelen?

Hetgeen Uncle Remus voor Georgia gedaan heeft (Ha.), deed Jekyll voor Jamaica (Je.), en uit hun arbeid is ten duidelijkste gebleken, dat op Jamaica het Afrikaansche element veel meer door het Europeesche verdrongen is, dan in Georgia. Want van de 50 vertellingen, door Jekyll medegedeeld, zijn zeker 11 uit Europa ingevoerd, en, hetgeen eigenaardig is, eenigen schijnen hun weg naar het eiland gevonden te hebben uit Portugal over Afrika.

Een groot deel der Jamaicaansche vertellingen zijn, hetzij zij tot de echte Anansi-vertellingen behooren of niet, dezelfde dierenfabels of sprookjes, den lezer reeds uit Suriname bekend, en behooren tot dezelfde type als de Uncle Remus-serie (Ha.) en de talrijke vertellingen van de West-kust van Afrika (Ba en Cr.). Alle dieren, die er in voorkomen, stellen menschelijk denkende wezens voor, en zijn ook hier gepersonifieerd door vóór den naam van het dier een voorvoegsel te plaatsen, uit de Europeesche talen afkomstig, hetzij dit Mr., Brer (van Brother) enz. luidt.

De naam „Annancy”, zooals op Jamaica de spin heet, zegt voor de afkomst der vertellingen genoeg. Ook hier vinden wij de zelfde anansi der Neger-vertellingen uit Suriname en de Goudkust terug, met zijn formidabelen eetlust en zijn vele streken om aan voedsel te komen, met zijn vrees voor den dood, waaraan hij op allerlei manieren tracht te ontkomen, met zijn voortdurend streven, om oneenigheid onder de dieren te stichten enz., om van vele andere overeenkomstige eigenschappen niet te spreken, die een zelfden oorsprong der vertellingen verraden.

Opvallend is het, dat de schildpad, die elders zoo dikwijls in de Neger-vertellingen optreedt, op Jamaica gemist wordt, doch hier vervangen wordt door de pad—hetgeen begrijpelijk is, want de schildpad (steeds wordt aan de Goudkust en de Slavenkust, wanneer dit dier in de vertellingen optreedt, een landschildpad bedoeld) komt op Jamaica niet voor. Enkele malen treedt ook hier „Brer Rabbit” op, die echter weinig meer herinnert aan het traditioneele karakter, uit de vertellingen van de Goudkust en Sierra Leone bekend.

Het luipaard, dat zoo dikwijls in de West-Afrikaansche negervertellingen optreedt, is evenals in Suriname op Jamaica vervangen door den tijger, hoewel de jagoear er, evenals vele andere voor de Zuid-Amerikaansche fauna karakteristieke zoogdieren, ontbreekt.

Jekyll herinnert er aan, dat de spin in de vertellingen steeds in zulk een slecht daglicht wordt gesteld, hetgeen wellicht hieraan moet worden toegeschreven dat de verhalen meestal een moraliseerend karakter hebben, en het laten uitkomen der slechte eigenschappen de bedoeling zal hebben, het luisterende volk beter te maken.

Evenals voor mij tijdens ons verblijf in de Surinaamsche oerwouden een plotseling uit het achter onze kampplaats gelegen negerkampement tot mij komende schaterlach het teeken was, dat een onzer arbeiders een anansi-tori aan het vertellen was en een geestigheid debiteerde, zoo is ook voor de negers op Jamaica het luisteren naar „Nancy-stories” de geliefkoosde tijdpasseering na volbrachten dagtaak; en wanneer plotseling uit een groepje negers op het veld een schaterlach opstijgt, kan men er zeker van zijn, dat een „Story-teller” bezig is „Bro’er” of „Mr. Annancy” een of andere geestigheid te laten zeggen of doen.

Opmerking verdient het nog, dat meerdere vertellingen uit Jekyll’s bundel leeren, waarom de spin te midden van een bananentros leeft (en niet zooals in Suriname in „beslagruimten”), hetgeen niet vreemd is, omdat zijne „Nancy-stories” op de cultuurondernemingen van het groote eiland werden bijeengebracht, waar sedert jaren een uitgebreide bananencultuur wordt uitgeoefend,

Het drietal „Nancy-stories”, die ik voor dezen bundel uit Jekyll’s boek heb uitgekozen, zullen den lezer daarom zeker welkom zijn, omdat de schrijver ook de melodieën heeft tusschengevoegd, waarmede de verteller zijne verhalen steeds laat afwisselen.

Op Jamaica schijnt de moraliseerende bedoeling der negervertellingen geheel op den achtergrond te zijn geraakt. Zij worden hier bijna uitsluitend tot ontspanning verteld, en de beleefdheid schijnt daar mede te brengen, dat de verteller zijn verhaal eindigt met: „Jack Mantora me no choose any”, waarmeê hij wil zeggen: „Deze vertelling is noch gericht tot jou, Jack (d.i. een willekeurige toehoorder) noch tot een der anderen”.

1. Annancy in Krabbenland.

„Wie niet sterk is, moet slim zijn”, dacht Anansi, „vriend Krab zal zich door mij wel laten bekeeren. Daar kan hij donder op zeggen”. Hij keerde nu naar huis terug, tooide er zich met toga en baret, schilderde zijn neus rood—alles om een meer betrouwbaren indruk te maken—en haalde eenige zijner vrienden over, om gezamenlijk zendingswerk te gaan verrichten. De vrienden waren de Heeren Pad, Rat en Kraai*.

Al spoedig gingen zij met hun vieren op stap, en toen zij Krabbenland bereikt hadden, begon Anansi ijverig en vurig te preeken, echter met geen beter gevolg dan voorheen: bij vriend Krab vond zijn woord geen ingang.

Anansi huurde toen van vriend Krab een huis, en trok daar in. Inziende, dat Krab zich niet met preeken zou laten vangen, besloot Anansi, die altijd veel snaren op zijn boog heeft, een anderen weg in te slaan. Hij vervaardigde een trom en een viool, liet Kraai viool spelen, en vriend Rat den trom roeren. Maar de muziek bevredigde hem nog niet; zij maakte te weinig lawaai; er moest meer bij. Hij voegde daarom nog een fluit aan zijn orkest toe en liet deze door vriend Pad bespelen.

Toen hij dit nu alles voor elkaar had, begon hij uitvoeringen te geven en volgde nauwkeurig de levenswijze van de Krabben. En ziet! Deze kwamen nu telkens bij hem en geraakten geheel onder zijn invloed. Wat Anansi echter in zijn schild voerde, dat vermocht vriend Krab niet te doorzien.

Nu begon de groote repetitie. Vriend Rat sloeg op den trom, dat het donderde; Kraai speelde op de viool, zoodat de vonken er afvlogen, en Pad speelde op de fluit, zoodat de aderen op zijn hoofd opzwollen. Anansi zou hen voorzingen, wat er gespeeld moest worden, en het eerste nummer luidde:

Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië

[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]

Verder sprak Anansi met zijn vrienden af, dat zij zich voor den schijn door hem moesten laten doopen, en wel met zooveel vertoon, dat vriend Krab verlangen zou, die plechtigheid ook te ondergaan.

Het doopfeest vond nu plaats en toen het was afgeloopen, waren de Krabben daarover zóó in de wolken, dat zij niet konden nalaten te verzoeken, hen op dezelfde wijze te begenadigen als Anansi’s vrienden.

Anansi antwoordde hen, dat hij vriend Krab de genade en den doop niet wilde onthouden, maar dat hij er nog meê wilde wachten tot den volgenden morgen, omdat hij zich door vasten er op moest voorbereiden. Vriend Krab was met dit antwoord zeer in zijn schik.

Anansi legde nu zijn vrienden uit, wat hij van plan was te doen. Hij zou vriend Krab doopen, maar niet met koud, maar met kokend water. Hij liet een diep vat aanrukken, stelde dit als doopvont op, en verzocht zijn vriend Krab, in het vat te kruipen en op den bodem daarvan plaats te nemen. Toen het zoover was, vroeg Anansi zijn vrienden, den gereed gemaakten ketel over te reiken, en hij goot dien over vriend Krab uit, wiens lichaam daardoor geheel rood werd.

Toen Anansi dit zag, riep hij uit: „De Hemel zij dank, nu kan de slimme rakkert mij niet langer weêrstreven, en zal Anansi hem rustig bij zijn ontbijt kunnen verorberen”.

Sedert dien tijd bedriegt Anansi al zijn vrienden.

Ik bedoel er jou niet meê, Jack.

2. Reiger.

Er was eens een Indiaansche vrouw, die een dochter had, geboren met een gouden ring om den vinger. Iedereen had van het geval gehoord, maar niemand had het merkwaardige meisje gezien.

Toen Anansi deze geschiedenis vernam, wekte ze zijn eerzucht op, en hij besloot het meisje tot zijn vrouw te nemen. Hij overlegde nu, hoe hij het aan zou leggen, bij haar te worden toegelaten.

Aan het hoofd zijner muziekanten trok hij naar de woning van het meisje en op zijn beleefd verzoek werd hij op het omheinde erf toegelaten. Hij liet de muziekanten hun mooiste stukken spelen, maar deze konden het meisje niet bekooren; haar gelaat bleef strak. Zij bleef droevig voor zich uitstaren; zij glimlachte niet eens. Anansi, die zag, dat hij niet vorderde, zei haar nu goeden dag en ging weêr naar huis terug.

Onderweg ontmoette hij zijn boezemvriend, heer Konijn. „Zeg, broêr Anansi”, vroeg Konijn, „waar kom jij zoo vandaan?”, waarop Anansi vertelde wat er gebeurd was. Toen Konijn alles had gehoord, gaf hij Anansi te kennen, dat hij eveneens zijn geluk bij het meisje wilde gaan beproeven. „Doe dat”, zei Anansi, „jij bent een heerlijke blanke meneer; ik heb zoo’n idee, dat je slagen zult. Maar als het in orde komt, deel het me in het teruggaan meê, en, wat ik zeggen wil, in dat geval moet je mij als kamerheer te werk stellen”.

Konijn begreep niet, wat Anansi bedoelde, die stellig van plan was, hem het meisje afhandig te maken.

Konijn begaf zich nu naar de woning van het meisje. De moeder deed hem open en vroeg wat hij wilde. „Ik ben op zoek naar een verloofde”, zei Konijn, „en denk haar hier te zullen vinden”. „Het spijt me, Heer Konijn”, zei de moeder, „want ge zijt slechts een wouddier en aan een dier wensch ik mijn dochter niet uit te huwen.”

Intusschen was Anansi buiten op Konijn blijven wachten, nieuwsgierig om te vernemen, hoe het was afgeloopen. Toen hij nu van Konijn vernam, dat ook deze een blauwtje had geloopen en zij samen het geval bleven bespreken, voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.

... voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.—Zie blz. 375.
... voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.—Zie blz. 375.

… voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden.—Zie blz. 375.

Naar huis gaande, overlegde Reiger of ook hij niet een kans behoorde te wagen, en hoe hij het zou aanleggen. Hij kleedde zich als een fijne meneer, huurde een omnibus en reed naar het huis van het meisje, waar hij hartelijk werd ontvangen en zóó in den smaak viel, dat reeds dadelijk alles geregeld kon worden voor het aanstaand huwelijk.

Nu was er in het huis van het meisje een jongen, die toovenaar was, en toen deze Reiger goed had bekeken, zei hij: „dat is geen fijne meneer; dat is niemand anders dan Reiger, die zich verkleed heeft”.

„Je liegt”, zei het meisje, „het is mijn beminde, en geen verkleede bedrieger”. „Heb geduld”, antwoordde de jonge man, „ik vind dat wel uit”.

Hij volgde Reiger, eerst naar diens huis, en daarna naar den oever der rivier, waar Reiger ging visschen. De toovenaar klom daar ongemerkt in een boom, en terwijl Reiger zich daar met zijn arbeid bezig hield, begon de jongen te zingen:

Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië
Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië

Moderato.

[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]

Reiger had geen flauw vermoeden, dat iemand hem van een boom uit zat te begluren.

Toen nu de toovenaar voor den eersten keer het lied had aangeheven, richtte Reiger zich op en daardoor viel de hoed van zijn hoofd.

Toen nu de jongen het lied herhaalde, viel als vanzelf eerst de jas en daarna het hemd van zijn lichaam en nadat de jongen het lied voor de derde maal had gezongen, viel Reigers broek naar beneden.

De toovenaar had zich nu overtuigd, dat zijn vermoeden gegrond was, en dat de vrijer van het Indiaansche meisje niemand anders dan Reiger was, die zich onkenbaar had trachten te maken.

Reiger was nu, bevrijd van zijn kleeren, ijverig begonnen te visschen en daarvan maakte de jongen gebruik, om zich ongemerkt uit de voeten te maken.

De jonge man greep nu zijn viool, stemde die en begon te zingen:

(volgt hetzelfde lied).

Reiger schrok en riep uit: „Neen, broêr, houd op met dat lied, ik kan het niet aanhooren. Dit lied doodde mijn grootvader en als ik het hoor zingen, word ik bedroefd”. Maar de toovenaar ging door met spelen en zingen en ziet, achtereenvolgens vielen weêr al de kleeren van Reiger’s lijf.

Toen Reiger zich nu ontmaskerd zag, vloog hij door de open deur naar buiten en verhief zich hoog in de lucht.

Ik bedoel er jou niet meê, Jack.

Eens op een dag deden Anansi en Poes een dansje en noodigden Rat tot het bal uit. Anansi nam de viool en zong:

Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië
Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië

Presto.

Ying de Ying de Ying, Ying de Ying de Ying, take care you go talk, Oh! min’ you tatt-ler tongue, Ying de Ying,

Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying Min’ you tatt - - ler tongue, Ying de Ying.

waarop hij liet volgen:

Illustration from Mythen en sagen uit West-Indië

Allegro vivace.

Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy—wi - chy wich, Ban - dy wi - chy wich, Tim - ber hang an’ fall la la, fall la la, fall la.

[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]

Toen Rat steeds sneller danste, viel zijn broek naar beneden, die hem achteraan sleepte, en waarvoor hij zich zóó schaamde, dat hij in een hol de vlucht nam.

Hierdoor komt het, dat de rat tot op den huidigen dag in een hol verblijf houdt.

Ik bedoel er jou niet meê, Jack!

Notes in this chapter

Note 1 · Anansi in de Neger-Engelsche taal der negers. ↑Note 2 · Min, kindermeid. ↑Note 3 · Sterfhuis. ↑Note 4 · Deze was nog de ouderwetsche met wasrollen. ↑Note 5 · D.i. „Ondank is ’s werelds loon”. (Zie No. 29). ↑Note 6 · Henry M. Stanley. My dark Companions and their strange stories. Londen. Sampson Low, Marston and Comp. 1893. Een Nederlandsche vertaling, doNote 7 · Daar de neger de bedoelingen van den verteller onmiddellijk begrijpt, onthoudt deze zich steeds van verklaringen en uitweidingen. Voor den ENote 8 · Sedert de kerken de overhand hebben genomen. (Zie voor de Neger-Engelsche taal der Surinaamsche negers blz. 211). ↑Note 9 · Ik, iemand, die als lidmaat in de kerk ben, moet sprookjes vertellen? ↑Note 10 · De vertellingen werden door Nahar in het jaar 1901 opgeteekend, en verschenen in haar geheel in 1916 (C. e.). Het „Verhaal uit het leven vanNote 11 · Onlangs heeft A. P. Penard een nieuwe verzameling (20 Anansitoris) doen verschijnen (P.c.) waaruit ik, onder No. 23, een in dezen bundel hebNote 12 · Zie het Hoofdstuk: De Anansi-tori en het Bijgeloof. ↑Note 13 · Oorspronkelijk bezaten de Hollanders de kust van Guinea alleen met het oog op den handel, meer bepaaldelijk den slavenhandel. ↑Note 14 · In 1730 bedroeg het aantal plantages (voor het meerendeel suikerplantages) 400 en reeds in 1688 was de suikerproductie, die in 1684 nog slecNote 15 · Uitgesproken: joenánsi. ↑Note 16 · De afwijkingen, die in beide opgaven de schrijfwijze der namen vertoont, moeten aan dialectverschillen worden toegeschreven. A. Werner schriNote 17 · Ook de taal der Boschnegers vertoont door de vele Portugeesche en Afrikaansche woorden een grootere verwantschap met de taal der oudste negeNote 18 · De Surinaamsche negers noemen den Geest der rivier watramama (zie de legende van de Watramama) en het geloof aan deze mama is vooral bij oudNote 19 · De krokodil wordt door alle de Ewe-taal sprekende stammen aan de slavenkust, elo, lo, adopra, te Porto novo Jalodeh genoemd. ↑Note 20 · Bliksemgod. ↑Note 21 · Een der Goden, die den Negers vaak onheil brengen. ↑Note 22 · Ik kan het niet helpen, het is mijn geest. ↑Note 23 · Afschuwelijke voorbeelden van deze mishandelingen geeft o.a. Dr. W. R. van Hoëvell, een sympathieke strijder voor de belangen van den armen Note 24 · „Mooi Afrika, hoe heb ik je lief”. Hier treffen wij het Nederlandsche „mooi” en het Engelsche „love” met de Portugeesche uitgang i in de taaNote 25 · Bosch-goeverneur of Boschmama. ↑Note 26 · De vertaling luidt: O, Nickerie! Hoe bemin ik jou. Maar de bergen zijn er zoo hoog. Kaperka kiri mi (= een hoogte, gedoopt: Cappelle maakt mNote 27 · Getijden. ↑Note 28 · Overgenomen uit het Neger-Engelsche woordenboek van Mr H. C. Focke Leiden, P. H. v. d. Heuvel, 1855. ↑Note 29 · Land der blanken = Nederland. ↑Note 30 · De kolonie Suriname is als een paardenstaart: heden waait hij her-, morgen derwaarts. ↑Note 31 · Men zegt, dat dit geloof te danken is aan een Opperhoofd, die Spin werd genoemd, en die door hunne voorvaderen als een held vereerd werd. ↑Note 32 · Oorspronkelijk woonden de Yoruba’s meer het land in, doch in het begin der 19de eeuw trokken zij naar het Zuiden en koloniseerden zij Lagos Note 33 · Ook hier wordt steeds een landschildpad bedoeld. ↑Note 34 · De groote landschildpad van Suriname is zeer verlekkerd op de vruchten van de Mopè*. ↑Note 35 · Als zeer treffend voorbeeld van de nauwkeurigheid, waarmede de Neger de natuurverschijnselen waarneemt en op zijne wijsgeerige wijze tracht Note 36 · Van „cunning”, dat slim beteekent. ↑Note 37 · Het dialect der negers van Sierra Leone is een wanhopend ratjetoe van Engelsche en Afrikaansche woorden. ↑Note 38 · In de Yoruba-taal wordt de schildpad Awon genoemd. Deze mythische held der Yoruba’s is herhaaldelijk het onderwerp van een Alo (vertelling),Note 39 · Daar roept een vogel! ↑Note 40 · Wanneer een vogel roept, kan geen waar woord meer gesproken worden. ↑Note 41 · De verteller bedoelt hiermede: wij moeten nu weder tot de werkelijkheid terugkeeren. ↑Note 42 · Daar in de negervertellingen de spin steeds mannelijk gedacht is, mag in deze bladzijden de vrijheid genomen worden het geslacht te veranderNote 43 · No. 1–22 en No. 25–32 zijn afkomstig van M. H. Nahar en gedeeltelijk (C. d.) of geheel (C. e.) reeds gepubliceerd; No. 23 is overgenomen uitNote 44 · De Boschneger-Anansitori is overgenomen uit een kleine verzameling van F. Stähelin (S.). ↑Note 45 · De vertellingen van Curaçaosche negers zijn overgenomen uit een kleine verzameling, door J. H. J. Hamelberg in het licht gegeven. ↑Note 46 · De in dezen bundel opgenomen negervertellingen van Jamaica zijn bewerkt uit bet boek van Walter Jekyll (Je.). ↑Note 47 · Hoe groote plaats de Spin in bet leven der Surinaamsche negers inneemt, moge blijken uit de volgende spreekwijzen, aan de Spin ontleend: 1e.Note 48 · Mr. Spider in de Neger-vertellingen van Sierra Leone. ↑Note 49 · Brer in de Spinvertellingen van Jamaica (zie verder). ↑Note 50 · Mijn Kapitein. ↑Note 51 · Kapitein Spin. ↑Note 52 · Opvallend zijn in de door Nahar bijeengebrachte vertellingen de vele in het Surinaamsche Neger-Engelsch niet voorkomende onvertaalbare woordNote 53 · Dr. H. D. Benjamins deelt mij mede, dat, toen jaren geleden een circus voorstellingen te Paramaribo gaf, de negerbevolking de grootste vreugNote 54 · Van „cunning” = geslepen. ↑Note 55 · Zie blz. 230. ↑Note 56 · De Surinaamsche Negers schijnen een buitengewone vereering te hebben voor Napoleon. In een met mij gevoerd gesprek sleepte een Creool* er teNote 57 · Daar deze verzameling in Paramaribo is bijeengebracht, vlucht Anansi, als hij in het nauw gebracht wordt, steeds in zg. beslagruimten. ↑Note 58 · Het gebruik, om bij sterfgevallen anansi-tori’s te vertellen, wordt ook bij de Boschnegers aangetroffen, C. v. Coll (Co. a.) deelt mede, datNote 59 · Niet alleen hierom, doch ook ten einde den lezer de poëzie te doen gevoelen, die de harten dezer eenvoudige natuurmenschen vervult, heb ik tNote 60 · Dit opstel, mij door M. H. Nahar bij de door hem opgeteekende anansi-tori’s toegezonden, gaf ik reeds vroeger in het licht (C. d. en C. e.).Note 61 · Wat, anansi-tori’s op klaarlichten dag vertellen! ↑Note 62 · Zie blz. 258. ↑Note 63 · De kerk is al aan. ↑Note 64 · Mijnheer, gij zijt geen kind meer, ge zijt een Surinaamsche Creool, en weet heel goed, wat anansi-tori’s zeggen willen. ↑Note 65 · Van de Moravische broedergemeente. ↑Note 66 · Ik ken er geen. ↑Note 67 · Sterfhuis. ↑Note 68 · Kwaadaardige geest. ↑Note 69 · Je vertelt ze niet goed. ↑Note 70 · Sterfhuisratten; zoo noemen de negers ongenoode gasten, die de sterfhuizen afloopen. ↑Note 71 · Wanneer de anansi-tori niet naar den smaak van het gehoor is, omdat zij vervelend is of slecht verteld wordt, maar vooral als men meent, datNote 72 · Wanneer hij je in de rede valt. ↑Note 73 · Zie je dat je ruzie met me zoekt. ↑Note 74 · Hij schimpte voortdurend op mij. ↑Note 75 · Hoedoe = hout, het bosch, dus: Loop naar het bosch! Velen hebben in de ongezonde oerwouden van Suriname den dood gevonden; van daar deze verNote 76 · Krijg ik krampen in mijn arm. ↑Note 77 · Jongeheer. ↑Note 78 · Mijn been slaapt. ↑Note 79 · Maar, jongeheer, op Godsdag wilt ge anansi-tori’s vertellen? ↑Note 80 · Een stopwoord van negerinnen. ↑Note 81 · En zoo zou men onschuldig sterven. ↑Note 82 · Meneer, U moet alles zoo niet uitvorschen, u gaat te ver met mij. ↑Note 83 · Hm, wel niet aan zijn blauw flikkerend licht; in den slavenstand heb ik er een gezien, bij de plantage, die de vrouw van den bastiaan* Kofi Note 84 · Indiaansche priesters. ↑Note 85 · Er bestaan verborgenheden. ↑Note 86 · Mannetje van een gronduil* (uil, die laag bij den grond nestelt). ↑Note 87 · Vloermat. ↑Note 88 · Bezem, van den vruchttros van den pina-palm gemaakt. ↑Note 89 · Afrikaansche afgoden-priester. ↑Note 90 · Inlandsche dokter. ↑Note 91 · Koperen dwergspook. ↑Note 92 · Kruispunt van wegen. ↑Note 93 · Meneer, er bestaan dingen. ↑Note 94 · Vriend. ↑Note 95 · Afrikaansch snaarinstrument. ↑Note 96 · Mijnheer, steek er den draak niet mede. ↑Note 97 · Laat mij met vrede. ↑Note 98 · Dat gaat het menschelijk verstand te boven. ↑Note 99 · Land der blanken. ↑Note 100 · Vergiftigen. ↑Note 101 · Mijn ziel, mijn geest. ↑Note 102 · Het is beter er niet over te spreken. ↑Note 103 · De slaap doodt me—ik heb slaap. ↑Note 104 · Dank zij den leeraren, die de oogen, die nog gesloten waren, geopend hebben. ↑Note 105 · Zie: blz. 213. ↑Note 106 · Ja kapitein, vaarwel. ↑Note 107 · Kleine korjaal, kano. ↑Note 108 · Weten is duur, m.a.w. berouw komt te laat. ↑Note 109 · Goeden dag, mijn Gouverneur. ↑Note 110 · De reiziger ziet spoken, m.a.w., wie veel bij den weg is, ziet spoken. ↑Note 111 · Pap van bananenmeel. ↑Note 112 · Gouverneur, denkt U, dat het kind braf (soort soep) zal willen slikken? ↑Note 113 · Soep van tajers*. ↑Note 114 · Wilde tajer, die giftig is. ↑Note 115 · Ik wensch papieren. ↑Note 116 · Kaart. ↑Note 117 · Ruimten tusschen planken en stijlen. ↑Note 118 · De duivel. ↑Note 119 · Ik heb mijn azeman verkocht. ↑Note 120 · Onvertaalbaar. ↑Note 121 · Onvertaalbaar. ↑Note 122 · Gouverneur Spin. ↑Note 123 · Mijn Gouverneur, bespeel uwe viool. ↑Note 124 · Ik hoor, het jonge meisje wenscht geen man. ↑Note 125 · Het is goed, ga, ik kom. ↑Note 126 · Hert, hert, wat zijt ge een dom dier. ↑Note 127 · Vriend. ↑Note 128 · Pens. ↑Note 129 · Pens. ↑Note 130 · Verheugt hij zich in een goeden eetlust. ↑Note 131 · Moeder Akoeba, de vrouw van de Spin in de Anansi-tori’s. ↑Note 132 · Hoe zal ik doen van daag? ↑Note 133 · Man, wat moet ik doen, denk je? ↑Note 134 · Mijn kindertjes, wie van jullie houdt het meest van vader? ↑Note 135 · 1 Anansi in de Neger-Engelsche taal der negers. ↑ 2 Min, kindermeid. ↑ 3 Sterfhuis. ↑ 4 Deze was nog de ouderwetsche met wasrollen. ↑ 5 D.i.Note 136 · Man, meester, heer. ↑Note 137 · Waternimf. ↑Note 138 · Vriend Spin. ↑Note 139 · Ba’ van baja = vriend. Pina = speld. Met Ba’ Pina wordt de kat bedoeld. ↑Note 140 · Ik ben het niet, heer Spin is het. ↑Note 141 · Kapitein jij draagt een hoofd, weet je; jij bent me een man. ↑Note 142 · Breng voor de bemanning. ↑Note 143 · Zijn mond voorbijpraten. ↑Note 144 · De Neger-Engelsche benaming voor de kikvorsch en de pad. ↑Note 145 · Wat zal ik zeggen? ↑Note 146 · Ja, meester. ↑Note 147 · Ondank is ’s werelds loon. ↑Note 148 · Vriend Hond. ↑Note 149 · Kakkerlak. ↑Note 150 · Stekelvarken*. ↑Note 151 · De haan is mijn slaaf! reh! reh! reh! ↑Note 152 · Die een graf graaft voor een ander, valt er zelf in. ↑Note 153 · Goedendag, vriend Dood. ↑Note 154 · Rooster. ↑Note 155 · Het geheele dorp zal verzinken! Alle wezens zullen sterven! Spin alleen zal overblijven!Note 156 · Moeder Akoeba. ↑Note 157 · Moeder Akoeba spreekt haar man dikwijls met „mi kaptin” (= mijn kapitein) aan. ↑Note 158 · Goeden dag, vriend Tijger. ↑Note 159 · Past op, dat Anansi u niet fopt. ↑Note 160 · Goeden avond, Kapitein. ↑Note 161 · Kósi is een eerbiedige kniebuiging, waarbij de voeten achterwaarts bewogen worden. Nog bij oude negerinnen (vooral onder de Boschnegers C.a.Note 162 · Neen, ik heb zeere oogen. ↑Note 163 · Eendvogels. ↑Note 164 · Waternimf. ↑Note 165 · Kikvorsch. ↑Note 166 · De vrouw van heer Spin in de anansi-tori’s. ↑Note 167 · Vriend Spin. ↑Note 168 · Het hert. ↑Note 169 · Gouverneur, dorpshoofd. ↑Note 170 · Konijn, konijn. Ik ben je knecht niet.Note 171 · Dicht struikgewas. ↑Note 172 · Jij, kwajongen van een haas. ↑Note 173 · Goeden dag, mijn Oom. ↑Note 174 · Schildpad*. ↑Note 175 · Tante Akoeba, de vrouw van heer Spin. ↑Note 176 · Vriend Vos (eigenlijk „Krabbenhond”), verlang je dan niet, je tante te komen zien? ↑Note 177 · Er was eens.… ↑Note 178 · Afkorting van Bája = vriend. ↑Note 179 · Invloed der zending. ↑Note 180 · Zie voor „schapen” in het verklarend register. ↑Note 181 · Zoete pataten*. ↑Note 182 · Naam, gegeven aan een (meestal oude) vrouw, die kinderen oppast. ↑Note 183 · Mijn lieve jongeheer, wat scheelt U weêr? ↑Note 184 · Ik ben ziek, néne. ↑Note 185 · „Kakka” is haan. Wellicht is dit woord verbasterd Afrikaansch. ↑Note 186 · Als je in de buurt bent, kom dan bij mij. ↑Note 187 · Verbastering van Louise (Louisa). ↑Note 188 · Vader noemt mij Leisah, Moeder noemt mij Leisah, Mina noemt mij Schuim!Note 189 · Vader noemt mij Leisah, Moeder noemt mij Leisah, Coba noemt mij Schuim, Schuim ben ik en Schuim zal ik blijven.Note 190 · Meisje, geboren op Woensdag (zie blz. 213). ↑Note 191 · Meisje, geboren op Vrijdag (zie blz. 213). ↑Note 192 · Onvertaalbaar. Vermoedelijk Afrikaansch. ↑Note 193 · Ik smeek mijn vader, door te mogen gaan. ↑Note 194 · Toovermiddelen. ↑Note 195 · Ge hebt het gezocht, ge hebt het gevonden, ge moet het dus dragen. ↑Note 196 · Jassi (in het negerengelsch) is een gevaarlijke, besmettelijke huidziekte. Zie jas, in verklarend register. ↑Note 197 · Mininimi, kom eten, Krimintaria, kom eten, Kopro Kanon, blijf daar!Note 198 · Wilt ge mij voor twee centen bakoven verkoopen? ↑Note 199 · Mininimi is er niet, Krimintaria is er niet, Kopro Kanon alleen is er.Note 200 · Watermama. ↑Note 201 · Opkomende vloed. ↑Note 202 · Pagaal*. ↑Note 203 · Zie No. 18 der Indianen-Serie. ↑Note 204 · Kinderen der meermin. ↑Note 205 · Is hier verband met den naam van een boomeend, skróerki genoemd. (Zie noot blz. 163). ↑Note 206 · De boa heeft zich aangekleed. ↑Note 207 · Groote vergadering. ↑Note 208 · Vriend Tijger. ↑Note 209 · Slang. ↑Note 210 · Dat deze tot de reigers behoorende vogel tot schildwacht was gekozen, had hij te danken aan zijn uithoudingsvermogen, om urenlang, onbewegelNote 211 · Is hier verband met het geloof van den Goudkust-neger aan den Zaterdag als een ongeluksdag, naar een op dien dag gehouden noodlottigen veldsNote 212 · Meneer, morgen zult ge ons niet meer zien, miauw! ↑Note 213 · Dans. ↑Note 214 · Gij laat hem al het mooie zien; gij moet hem den leelijken kant ook laten bekijken. ↑Note 215 · Zie het uit dezen bundel in Bijvoegsel II overgenomen Spinverhaal, waarvan No. 17 van onze stadsneger-verzameling een variant is. ↑Note 216 · Eerst kort vóór het afdrukken dezer bladzijden ontving ik nog door de welwillendheid van den oud-gezagvoerder van St.-Eustatius, den Heer G.Note 217 · De opdracht aan iemand, die naar Suriname vertrok, medegegeven, om de groeten aan een familielid op Curaçao over te brengen, wanneer hij er Note 218 · Het feit alleen, dat de Afrikaansche vrouwennaam Akoeba, die de echtgenoote van Vader Spin in de Surinaamsche negervertellingen steeds draagNote 219 · Cha (uitgesproken: „Tsja” = lidwoord vóór een mannennaam) Nansi i pobbichi di breeuw. ↑Note 220 · In het Neger-Engelsch „een lastig mensch”. ↑Note 221 · Beteekenis onbekend. Vermoedelijk een Afrikaansch woord. ↑Note 222 · Terwijl de West-Indische Negers onder den invloed der Zending hun polytheïstisch geloof meer en meer hebben verlaten en in plaats van hunne Note 223 · Zie: Het eiland St.-Eustatius door G. J. van Grol, oud-gezaghebber van het eiland, in de „Indische Mercuur” van 19 Maart 1907 en ook H. van Note 224 · Zij vervangt de reeds elders verschenen Curaçaosche vertelling: „Nansi en Bonte Koe”, in onze oorspronkelijke lijst van negervertellingen (zNote 225 · Verpleegster, kindermeid. ↑Note 226 · De afleiding van „Braha” is onbekend. Vermoedelijk is het woord een verbastering van Bâja = vriend, of van Brâra (Brer’ in de Jamaicaansche Note 227 · Ik behoud de Statiaansche spelling. ↑Note 228 · Het animistische geloof tiert nog welig op St.-Eustatius. ↑Note 229 · In Suriname werden onder Marrons verstaan de Afrikanen, die al aanstonds of kort na hun overvaart naar West-Indië van de slavenschepen of vaNote 230 · De taal der Fantijnen is een dialect van deze taal, die door verschillende namen, als Twi, Shwi, Otyi en Ochi wordt aangeduid. ↑Note 231 · De zwarte landkrab is een groote lekkernij voor den neger. Eertijds had ieder eigendom een krabbenvanger, die te zorgen had, den eigenaar vaNote 232 · Op Jamaica wordt de aankondiging van een groot feest of plechtigheid aan een boom bevestigd. Het volk wordt met muziek ontvangen en met muziNote 233 · Te vertalen als: ’t orkest zet in. ↑Note 234 · Den berg Sinaï gaan wij bestijgen. ↑Note 235 · Onvertaalbaar. Salem is een groet en beteekent „vrede”. ↑Note 236 · Enkelen onzer gaan naar den berg Sinaï. ↑Note 237 · „Na eenig dralen” is kenschetsend. Men zou verwachten, dat na de afwijzing de afgewezene dadelijk zou vertrekken. Een neger doet dit niet. HNote 238 · Pyang is het geluid van de Egret*. De a is niet de Engelsche a, doch de a in het Hollandsche „gang” en moet in den zang sterk geaccentueerd Note 239 · Uitroep: halo! ↑Note 240 · Jewahlee is jubilé (jubelfeest). ↑Note 241 · Er zijn dagen in de week, waarop negers niet willen trouwen. In Suriname trouwt hij op Zaterdag niet, omdat in den slaventijd de ter dood veNote 242 · Deze vertelling moet zoo snel mogelijk afgerateld worden. Ying de Ying zeggen de Negers, wanneer zij het geluid van een viool bedoelen. TakeNote 243 · De bevolking, gedeeltelijk Nederlanders en hunne afstammelingen, gedeeltelijk uit de nakomelingen van de Negerslaven en hunne onderlinge kruNote 244 · Tot voor zeer korten tijd, toen nl. het grootste deel van dezen bundel reeds afgedrukt was, had het onderzoek naar publicaties over folk-lorNote 245 · De spinvertelling, die hieronder volgt en getiteld is: „Braha227 Nanci228 en Braha Toekema” is, merkwaardig genoeg, een variant op de onder Note 246 · Ach, zoo besloten zij, die arme vrouw was zoo’n goede moeder, laten we voor haar zingen en bidden en zorgen, dat de booze geesten229 haar niNote 247 · Het West-Indische eiland Jamaica heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van het negerras in de nieuwe wereld (Joh.). HetNote 248 · Deze afkomst vinden wij nu ook hier weder bevestigd door het feit, dat het grootste deel van de Neger-folk-lore van Jamaica tot de Goudkust Note 249 · Op een goeden dag stelde Anansi zichzelf tot predikant aan en begon al preekende het land door te trekken. Op deze wijze bereikte hij eindelNote 250 · Toen Anansi nu in Krabbenland niet langer gewantrouwd werd, besloot hij verder te gaan. Openlijk liet zijn Eerwaarde nu aankondigen,233 dat Note 251 · The bands a roll,234 The bands a roll, the bands a roll, a go to Mount Si-ney235 Sa - lem is Zak - kilow,236 Some a we da go to Mount Si - nNote 252 · Na eenig dralen begreep Konijn, dat hij maar moest heengaan238.Note 253 · My id dy, my id dy, Pyang239, ha - lee,240 Come go da ri - - ver go, Pyang me.Note 254 · Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - - wah - - lee241, Pyang, me. Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - wah - lee, Pyang.Note 255 · Toen nu den daaropvolgenden dag de bruiloft zou plaats hebben242 en allen zich om den feestdisch geschaard hadden, stond de jonge toovenaar
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings