← Table of contents
Mythen en sagen uit West-Indië

I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 3)

Reading edition

De ouders van beide kinderen gingen nu aan het zoeken en vonden hen eindelijk, toen zij een der naburige hutten binnentraden, druk spelende met een ander kind, Káwai-wari genoemd. Hetzelfde, wat in de andere hut was voorgevallen, herhaalde zich nu; met hun zessen ouders der drie weggeloopen kinderen geraakten zij in zóó druk gesprek, dat zij niet eens bemerkten, toen zij uitgepraat waren, dat alle drie de kinderen verdwenen waren.

De zes ouders begonnen nu hun drie kinderen te zoeken, maar aan het einde van den eersten dag staakte het derde ouderenpaar het onderzoek, terwijl aan het einde van den tweeden dag ook het tweede paar het opgaf. In dien tusschentijd waren de drie kinderen het bosch ingegaan, en waren er zeer bevriend geworden met de Marabons*, die in die tijden spreken konden en nog niet staken. Deze kinderen zijn het geweest, die aan de zwarte soorten leerden, hoe ze steken moesten en aan de roode, om koorts op den koop toe te geven.

Toen de drie kinderen eindelijk, na lang omzwerven, ten laatste aan het zeestrand waren aangekomen, ontmoetten zij de ouders van het eerst verdwenen kind. Zij waren blijven zoeken en hadden het niet, zooals de ouders der twee andere kinderen, opgegeven. In al dien tijd waren de kinderen reeds groote jongens geworden. Toen nu de ouders, dol blij over het wederzien, zich wilden haasten om met hen naar hun dorp terug te gaan, sprak de leider der drie jongens, Koeroesiwari, die het eerst was weggeloopen, tot groote verbazing zijner ouders: „Ik kan niet teruggaan, want toen mijn stiefmoeder mij wegstuurde, viel ik en schreide ik, en u beiden zaagt niet eens naar mij om. Neen, ik ga niet terug”.

De bedroefde vader zond er nu een egret* op uit, om te trachten daar wat tabakszaad voor hem machtig te worden—maar de vogel kwam niet terug. Hij zond er toen met spoed verschillende soorten van zeevogels heen; zij ondergingen echter allen hetzelfde lot: allen werden gedood door de vrouw, die de wacht hield bij het tabaksveld.

Toen de man reeds alle hoop had opgegeven, ooit een der boodschappers te zullen terugzien, raadpleegde hij een broeder, die hem een kraan* bracht. Deze vloog naar de zeekust, waar hij wilde blijven rusten tot den anderen morgen, om de vlucht van hier flink te kunnen inzetten. Terwijl de vogel daar zoo zat, kwam er een kolibri langs vliegen, die hem vroeg, wat hij daar zoo deed. „Ik maak mij gereed voor morgenochtend” antwoordde hij. „Ik moet vliegen naar Niboe-yoeni, om tabakszaad te halen.” De kolibri stelde hem daarop voor, in zijn plaats de reis te maken, maar de andere vond het voorstel al te dwaas, en herinnerde haar er aan, dat zij veel te klein was en stellig in zee zou vallen. De kleine kolibri liet zich echter niet ontmoedigen, stond den anderen morgen vroeg op, zooals steeds haar gewoonte is, en vloog weg, uitroepende: „ik ben opgestaan.”

Toen nu de kraan, zoodra het licht was geworden, ook was opgestaan, spreidde hij zijn vleugels uit en zocht hij zijn weg met prachtigen vleugelslag boven de bewogen zee. Toen hij nu halverwege gekomen was, ontdekte hij beneden zich het kolibrietje, dat met het water lag te worstelen. Het had er wel een dappere vaart achter gezet, maar had niet tegen den wind in verder kunnen gaan en was in de zee terecht gekomen. De kraan pikte de kolibri uit het water op en nam haar op den rug van zijn bij het vliegen achterwaarts gestrekte dijen. Maar haar lastdier, dat zich een weinig wilde verlichten, bevuilde daarbij het gezicht van de kolibri, zoodat deze genoodzaakt was, de vleugels weêr op te nemen, en ditmaal met succes, want zij bereikte Nioboe-yoeni het eerst, waar zij haar grooten vriend opwachtte, die kort na haar aankwam.

De kolibri verzocht nu den kraan niet verder te gaan en te wachten tot zij van het tabaksveld zou zijn teruggekeerd. De kolibri was immers klein, vloog snel, en niemand zou haar immers zien, als zij bezig was het tabakszaad te stelen. Terwijl nu de kolibri met haar werk bezig was, trachtte de vrouw, die het veld bewaakte, haar te schieten, maar het vogeltje was haar te vlug af, en van plant tot plant vliegende, verzamelde het kolibrietje zooveel zaad, als het dacht te kunnen meenemen. Bij vriend Kraan teruggekeerd, zei de kolibri: „Vriend! laten we nu huiswaarts gaan,” maar niet zoodra had zij deze woorden gesproken of het kleine schepsel vloog pijlsnel weg en zoo bereikte het, nu het den wind van achteren had, zonder ongelukken met zijn schat Kraan’s meester, wien zij het zaad overreikte. Deze gaf den voorraad aan zijn broeder, en vertelde hem hoe hij zaaien moest.

Nadat de nu overgelukkige vader het zaad, zooals was voorgedaan, in den grond gelegd had, sproten er spoedig plantjes uit op, die zóó merkwaardig hard groeiden, dat hij na korten tijd volwassen tabaksbladen had, zoodat hij nu door den broeder geleerd kon worden, hoe hij de bladen moest drogen. De broeder wees hem ook, hoe hij bast moest zoeken, die geschikt was, om er de tabak, voor het maken van een sigaret, in te rollen; hij bracht nl. winnamoroe* meê, d.i. juist datgene, wat er voor noodig is. Nu zond de broêr hem er op uit, om de heboe-mataro* te kunnen vervaardigen, en hij bracht kalebassen* van allerlei grootten meê—maar het waren nog niet de goede. Eindelijk keerde hij er met een terug, die hij van de oostzijde van een boom had afgeplukt, en deze was degene, die hij voor het doel noodig had.

Dit hoorende, haastte de bedroefde vader zich, om den raad op te volgen en de kalebas met steentjes en aarde, in tabakswater gedrenkt, te vullen—er een rammelaar van te maken. Verrukt greep hij den rammelaar beet en onmiddellijk, nadat hij al zingende het voorwerp eenige malen heen en weêr had geschud, gaven zijn zoon en zijn beide makkers antwoord, die dadelijk met hun drieën vóór hem stonden. Maar het waren geen menschelijke wezens, het waren drie Geesten. Deze geesten van de tabak* zijn het nu, Koeroesiwari, Matoe-wari en Káwai-wari, die altijd antwoorden, wanneer de rammelaar van den Piaiman roept; en het spreekt van zelf, dat de arme, bedroefde vader de eerste piaiman werd—dit alles tengevolge van zijn groot verdriet, zijn kind verloren te hebben en steeds verlangende, hem eindelijk eens weêr te zien.

No. 31. Het ontstaan der vrouwennaties.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, enz., leefden de Caraïben zeer ongelukkig met hunne vrouwen. Zij mishandelden haar en, als zij op jacht zijnde, wild schoten, aten zij het vleesch alleen op en gaven hunne vrouwen en dochters slechts het oneetbare overschot.

Ten laatste konden de vrouwen zulk een hondsch leven niet langer volhouden. Toen dan ook een oude vrouw voorstelde, hare mannen te verlaten en in het woud te vluchten, stemden allen van harte toe.

In stilte, wanneer de mannen op jacht waren, vervaardigden zij bogen, pijlen, knotsen enz., waarmede zij in dien tijd even goed konden omgaan als de mannen. Toen alles gereed was, verlieten zij op een goeden dag hare woonplaatsen. Oude vrouwen, meisjes, zuigelingen van het vrouwelijk geslacht, allen verlieten de plaats, waar zij zooveel leed hadden doorstaan. Alleen de zoontjes bleven in de kampen achter.

De mannen, die weldra van de jacht terugkeerden, ontstaken bij het zien der ledige hutten in hevige woede. Gewapend snelden zij de vluchtende vrouwen achterna en bereikten haar in een dicht woud. Doch ziet, instede van smeekende, onderdanige wezens vonden zij tijgerinnen. Van verre werd hen toegeroepen: „Gij hebt ons mishandeld en gemarteld; liever dan tot u terug te keeren, zullen wij ons laten dooden”.

De dreigende houding der vrouwen deed de mannen van taktiek veranderen. Zij begonnen te smeeken. „Wat zullen wij zonder vrouwen doen?” riepen zij uit. „Hoe zullen wij het geslacht voortplanten en den Dubbelgeest dienen?”

Dit geklaag der mannen trof het hart van enkele vrouwen en deze keerden tot hare echtgenooten terug. Maar de meesten weigerden en zeiden: „Wij zullen u toestaan ons te bezoeken; de zonen, die gij bij ons verwekt, kunt gij behouden, maar zoodra er een dochter geboren wordt, moet gij onmiddellijk vertrekken.”

De mannen, die gevoelden, dat het onrecht aan hunne zijde was, stemden gereedelijk toe, en zoo ontstond de natie der Amazonen (Mazwano) of man-vrouwen.

No. 32. Het gebroken ei.

Oeraima was eens in het bezit gekomen van een vogelei, dat hij in een kalebas naar zijn hut wilde brengen; hij wilde er erg voorzichtig meê zijn, totdat het zou uitkomen. Hij kwam nu op het boschpad twee meisjes tegen, die het ei bemerkten en hem vroegen, het te mogen hebben. „Neen”, zei hij, „dat gaat niet.” De meisjes lieten hem echter niet met rust en volgden hem, maar hij bleef bij zijn weigering. Zij pakten toen het ei weg en onder het handgemeen, dat nu volgde, brak het.

Oeraima sprak toen tot de meisjes: „Van dit oogenblik af, dat jelui dat gedaan hebt, zal de vrouw allerlei zorg en ongemak hebben. Tot nu toe behoorde het ei aan den man. In het vervolg zal het van de vrouw zijn, en zij zal het tot ontwikkeling moeten brengen.”

Tegenwoordig is het nu het vrouwelijk geslacht, dat eieren voortbrengt.

No. 33. De geest van den pasgeborene.

De geest van het kind is ten nauwste met den vader verbonden; hij tuurt op hem, volgt hem, waar hij ook gaat, en gedurende den eersten tijd is hij even innig met den vader vereenigd als hij het met zijn eigen kinderlichaam is, waarin hij kortelings is binnengedrongen. Hoe kan dan de vader naar het bosch en naar den kostgrond gaan, om bijl en kapmes te gebruiken, wanneer de geest van het kind, die hem overal volgt, zich als een tweede schim tusschen deze werktuigen en het hout of de veldvruchten plaatst? Hoe kan hij in een boom klimmen, wanneer de geest van het kind dit eveneens probeert te doen, en dan natuurlijk zal vallen, zoodat dan het kind in zijn hangmat kwaad zal overkomen? Hoe kan hij jagen, wanneer de pijl misschien den hem vergezellende geest van het kind zal doorboren, wat ongetwijfeld de dood van het kind in zijn hangmat tengevolge zou hebben? Wanneer de vader, door bosch en akker dwalend, een tairoe*-blad ziet, dat volkomen gelijkt op een korjaal, varende op de rivier en voorzien van een heel kleine zitbank en daarin een miniatuur-pagaai, of wanneer hij over een omgevallen boom klautert … zal hij het kind dan niet verstoren? Want, wanneer de vader door het water waadt, zal de geest van zijn kind dan niet de kleine tairoeblad-korjaal moeten voort pagaaien, of wanneer hij over den boom tracht te komen, zullen dan de dunne stammetjes, die er tegen aan zijn komen te liggen, den geest van het kind niet in staat stellen, om te probeeren hem te volgen?… Niettegenstaande de grootste waakzaamheid, zal de kleine Geest verloren kunnen gaan, zoodat het lichaam in het hangmatje dan zal gaan kwijnen en sterven, indien ten minste de piaiman niet zoo gelukkig is, het terug te winnen.

No. 34. De huid van den Reuzenslang of Hoe de vogels hun tegenwoordig gevederte kregen.

Er leefde lang geleden een reusachtige water-camoedi* met een zeldzaam mooi gevlekte schubbenhuid: rood, geel, groen, zwart en wit kwam er in de mooiste patronen op voor. Het dier werd zulk een schrik voor alle levende schepsels, dat menschen en vogels, die in die dagen groote vrienden waren, zich eindelijk vereenigden, om het monster te vernietigen. De huid van het ondier zou aan den eersten te beurt vallen, wien het gelukken zou, het gevaarte uit het water te krijgen.

Iedereen was echter bevreesd het aan te grijpen, maar ten slotte durfde de kormorant* het aan; deze stormde op den waterkant los, waaruit het monster een eind kaarsrecht omhoog rees, en schoot een pijl op zijn nek af—maar geen gewone pijl, doch een, die met een lijn aan een overhangenden boom was vastgemaakt—en met dit wapen werd het beest ten slotte aan land getrokken, waar het nu gevild werd.

Kormorant eischte nu de huid op, maar de andere strijders, die niet dachten, dat hij ooit in staat zou zijn, nu ook de zware huid weg te dragen, zeiden: „je kunt haar hebben”.

Kormorant knikte nu de andere vogels toe, alsof hij zeggen wilde: „jullie moet me helpen”, en toen zij allen het nu, ieder een deel van het vel vastgrijpend, klaarspeelden, de huid van den grond te lichten en naar een afgelegen plaats te dragen, zei Kormorant: „jelui kunt nu de huid zóó verdeelen, dat ieder dat deel krijgt, dat hij bij het wegdragen heeft beet gehad”.

Iedere vogel droeg nu zijn last op den rug weg, en sedert dien tijd is iedere vogel gemerkt met de tint van dat deel der slangenhuid, dat hij bij het dragen heeft vastgehouden: de Ara’s met rood en blauw of groen en geel enz … maar Kormorant kreeg als zijn aandeel de sombere tint van den slangenkop. Maar hij was er meê tevreden.

No. 35. Een waarschuwing voor de vrouwen. (A.)

Tot deze proeven behoorde o.a. het schieten van een pijl in het nest van een specht van uit een korjaal op de rivier, het vullen van een zeker aantal korven met een hoeveelheid zelf gevangen krabben*, in den loop van slechts één getij, en het schoonkappen van een stuk land binnen een vastgestelden termijn.

Het was juist in de dagen, dat de eerste proef bij ons werd afgeschaft, dat een jongen man, die aan een meisje het hof maakte, beweerde geen moeielijkheden te zullen hebben, om in het bezit van zijn geliefde te kunnen geraken, en meende, dat hij niets anders te doen had, dan eenige krabben voor zijn a.s. schoonvader te vangen en een stuk land schoon te kappen.

Toen hij zich nu naar den ouden man begaf, om de hand van zijn dochter te vragen, kreeg hij ten antwoord, dat hij er geen bezwaar tegen had; dat hij bij hem zijn intrek kon nemen, totdat hij hem zijne bekwaamheden zou hebben getoond.

Er waren nu zoo wat twee of drie weken van de wittebroodsweken verstreken, toen de oude man zijn aanstaanden schoonzoon zijn verlangen te kennen gaf, zijn korven gereed te maken, om ermede op den vastgestelden dag naar de zeekust* te kunnen gaan. De jongeling toog nu met zijn kornuiten op weg, om den noodigen voorraad Itiriti* te halen en in de hut teruggekeerd, begon hij het ijverig te snijden en tot bundels samen te binden. Maar verder kwam hij niet, want het mandenvlechten had hij niet geleerd.

Toen nu zijn kameraden, die reeds druk bezig waren, hunne korven te vlechten, zagen, dat hij zijn werk had neêrgelegd, vroegen zij hem, waarom hij niet verder ging. „Wel, ik wacht er meê, totdat ik voor de vangst vertrek”, was zijn antwoord, beschaamd als hij was voor zijn onbekwaamheid. „Je moet wat haast maken”, riepen zij hem toe. „Niet noodig”, antwoordde hij, „ik heb er in het minst geen moeite meê. Ik zal mijn manden wel maken, en krabben vangen, terwijl jelui bezig zijt, jelui korven te vullen. Jelui zult er versteld van staan. Ik zal jelui wel verslaan”.

Een heel gezelschap was het, dat den anderen dag den tocht naar de kust ondernam; in de korjaal zaten de toekomstige echtgenoot, de vrouw, die hij zich nu voor altijd zou hebben te veroveren, de oude schoonvader en een zestal jongelieden. Toen zij eindelijk de zee hadden bereikt, legden zij op korten afstand van de kust de boot vast, en voorzien van hun korven, begaven allen, uitgezonderd het jonge paar, zich op het modderige land.

Maar de bruidegom, het zaakje niet vertrouwend, had nu ook het strand opgezocht, waar hij zijn bruid een van het gezelschap zag helpen. Hij wilde nu meehelpen, maar hoe hij ook ijverig zijn handen in de gaten stak en de gevangen dieren zijn bruid toewierp, zij deed alsof zij het niet merkte. Hoe hij haar ook telkens toeriep: „Kijk dan toch! Zij zal wegloopen. Doe haar toch in je korf!” zij zag niet eens op.

Met haar gezelschap, haar vroegeren beminde, deed zij geheel anders. Zij hielp hem ijverig zijn korven te vullen, en toen zij ze allen vol hadden, keerden zij samen naar de boot terug, om nog twee korven te halen, die nu ook spoedig gevuld waren.

Toen nu de bruigom had moeten aanzien, dat de anderen zooveel krabben hadden gevangen, als de korven maar konden bergen, werd hij wanhopig en terwijl hij zijn hangmat nam, wikkelde hij er in de plooien nog zooveel krabben in, als hij maar kon grijpen.

Het was nu tijd voor de terugreis, en toen de bruid plaats moest nemen, ging zij, zoowaar, in plaats van naast haar bruigom, naast haar vroegeren beminde zitten. En hoe de bruigom ook riep: „Kom hier, je zit op een verkeerde plaats”, noch de bruid, noch haar oude vader wilden er naar luisteren, ja, ze snauwden hem nog toe ook.

Toen nu het gezelschap van den tocht in het dorp teruggekeerd was, zochten de mannen hun hangmatten op, terwijl de bruid voor den pot ging zorgen. Veel werk gaf dit niet, want de krabben waren spoedig geroosterd. Toen zij opgedischt konden worden riep de vrouw: „Vader! het is klaar.” De oude man verliet daarop zijn hangmat en riep een voor een de jonge mannen, ieder bij hun naam. Het laatst riep hij Satchi! Toen nu de bruigom deze uitdrukking van teederheid hoorde, meende hij, dat hij bedoeld was en antwoordde dus: „Wangj” (d.i. ja, dank U). „Neen neen,” zei de vader, „ik bedoel mijn schoonzoon, dien ik van daag op de terugreis bij mij in de boot had zitten. Hij kan korven vlechten en jij niet.”

Beschaamd droop nu de bruigom af en zijn hangmat met het handjevol krabben meênemend, zocht hij de hut van zijn moeder op. Deze was, wat men noemt, een goede ziel, die dadelijk de krabben begon gereed te maken, haar jongen een goed maal cassavepap gaf, hem troostende, zooals alleen een moeder kan doen. Zij ried hem, nog wat geduld te oefenen, omdat ze er zeker van was, dat het meisje ten slotte tot hem zou terugkeeren.

Enkele dagen later nam de oude vrouw haar troostelooze zoon meê voor een bezoek aan een harer oude vrienden, een man, die in liefdeszaken een goed inzicht had, en daarbij zeer bedreven was in alles, wat een Indiaan in zijn leven te pas kan komen. Zij vertelde haar vriend van de zorg, waarin haar jongen verkeerde en verzocht hem, haar zoon te willen onderwijzen in alles, wat de jacht betrof, maar ook in het vlechten van koeroekoeroes*, het vervaardigen van matapis*, manaris*, pagalen* en waaiers*—want het was immers aan zijn onkunde te danken, dat hij zijn bruid had moeten verliezen.

De oude man wilde het uit oude vriendschap graag doen en zoo bleven moeder en zoon meer dan een jaar bij hem inwonen, toen de leerling eindelijk evenzeer bedreven was in al de kundigheden als zijn leermeester.

Toen nu moeder en zoon van den ouden man dankbaar afscheid namen en weder naar de kleine hut terugkeerden, die zij zoo lang geleden verlaten hadden, brak er een gelukkige tijd voor beiden aan. Want nooit hadden zij meer over gebrek aan eten te klagen. Iederen dag bracht de zoon iets thuis en de barbakot kraakte voortdurend onder het gewicht van het te roosteren vleesch. Eens gebeurde het nu, dat een vrouw, die voorbij kwam, nieuwsgierig naar al die heerlijkheden keek, en dat de oude moeder haar er wat van aanbood. Zij nam het gretig aan, en nauwelijks was zij uit het gezicht verdwenen, of zij holde er mede naar de hut, waar de bruid van een jaar geleden woonde, en waar zij aan ieder, die het hooren wilde, vertelde van het verkeerde oordeel over haar vroegeren bruidegom geveld. Had zij niet zelf, met haar eigen oogen, al het wild gezien, dat hij geschoten had, en al de koeroekoeroes, matapis, manaris enz., door hem zelf gevlochten.

Er ontspon zich nu een langdurig twistgesprek over het geval, dat het verlangen bij haar opwekte den man te bezoeken, die zij en haar vader ten onrechte versmaad hadden. Voor haar was daar ook wel aanleiding voor. Want de ervaring van een jaar lang was voor haar een zeer droevige geweest: te laat had zij immers ontdekt, dat haar tegenwoordige man niet alleen niets waard was, maar daarbij zeldzaam lui, en dat het eenige wat hij deed, was in zijn hangmat te liggen, terwijl zij voor hem kon zwoegen.

De moeder der bruid van een jaar geleden hield het niet langer uit; zij stond op, gereed om te vertrekken, en probeerde ook haar dochter te bewegen, zich van deze plaats te verwijderen, maar deze sprak: „Neen, ik wil hier blijven; ik blijf bij mijn eersten man; of hij mij zal slaan of niet, het zal mijn zorg zijn. Hij heeft immers getoond, veel beter te zijn dan mijn tegenwoordige man.” Nauwelijks had zij dit gezegd en was haar moeder reeds de hut uitgeloopen, of zij rende naar de hangmat, waarin de jonge man van zijn werk lag uit te rusten en klom er in, uitroepende: „Ik ben weêr bij je teruggekomen, mijn schat.” Maar de man pakte haar beet, en wierp haar er uit, zeggende: „Ik heb je niet noodig. Ik ben immers de luie, onwetende, onwaardige man, dien je een jaar geleden versmaad hebt.” Maar zij gaf het niet op en probeerde voor de tweede maal in de hangmat te klimmen. De man hield echter vol, en of zij hem al „lekkere bek” noemde, hij deed of hij het niet hoorde.

Terneêrgeslagen en beschaamd droop ook zij af, en keerde zij naar haar tweeden man terug. Haar eerste man liet zij met zijn moeder achter, gelukkig als hij was, haar te hebben hooren heengaan.

No. 36. Hoe een man van zijn luiheid genezen werd. (W.)

Ik vertel hier nog een andere krabbengeschiedenis, waarvan de held niet van zijn onbekwaamheid, doch van zijn luiheid schade ondervond.

Een groot gezelschap toog in een groote korjaal op reis, om krabben te vangen; elk van hen had twintig korven meêgenomen, en als zij ergens aan land gingen uitrusten, hielden zij zich met hunne afwerking onledig. Zij hadden immers niets, wat hen afleidde, want zij hadden hunne vrouwen thuis gelaten, die zouden zorgen de paiwarri bij hun terugkeer gereed te hebben.

Langs een der kreekjes, die zij voor rustplaats hadden uitgekozen, zagen zij een kleine Maripa-palm*, die een grooten tros rijpe vruchten droeg. Nadat zij den tros hadden afgeplukt, begaven zij zich er mede in de boot, en begonnen zij zich aan het smakelijke vruchtvleesch te goed te doen. De held van dit verhaal vroeg zijn reisgenooten, de zaden voor hem te willen bewaren. Zij voldeden aan zijn verzoek, en des nachts vóór de aankomst aan het uitgekozen krabbenoord, vulde hij er zijn korven mede. Den volgenden morgen begaf het gezelschap zich aan land voor de krabbenvangst, uitgezonderd onze luie vriend, die in de boot bleef zitten, en geen voet in het water zette. Hij was niet onbedreven in de krabbenvangst, doch was te lui, en rekende er op, dat de anderen hem wel zouden voorzien. Maar dit gebeurde niet, want zij waren onderling overeengekomen, hem geen krab te geven. Alzoo gebeurde het, dat, toen zij de terugreis aanvaarden, de luiaard zijn manden slechts met palmpitten gevuld had.

Allen, behalve een, vergastte zich nu aan een heerlijk maal, met de inmiddels gereed gemaakte paiwarri opgediend. De oude moeder nam een kalebas, gevuld met de gekookte palmpitten en zette deze voor haar nietswaardigen schoonzoon neêr. Deze was wel genoodzaakt er van te eten, al was het niet, omdat hij honger had, dan vooral, omdat hij zijn schaamte wilde verbergen, toen geen van allen hem wat van hun krabben meedeelde.

Deze straf genas hem van zijn luiheid, want bij de eerstvolgende gelegenheid, dat men weêr op krabbenvangst uitging, bracht hij voor zijn vrouw geen palmzaden, maar krabben mede.

No. 37. Zwarte Tijger, Wau-oeta en de gebroken boog. (W.)

Er leefde eens een man, die twee schoonbroêrs had. Terwijl hij de ongelukkigste van alle stervelingen was, kwamen zij tegen den avond geregeld met een goede hoeveelheid wild huiswaarts, en daarom zeiden zij tot elkaar: „Daar hij geen geluk heeft, zullen wij hem zien kwijt te raken”. Zij namen hem op een goeden dag meê naar het bosch. Zij waren er al een eind in, toen zij hun verlangen meêdeelden, afzonderlijk te gaan jagen. Zij zouden één kant uitgaan, hij een anderen, terwijl zij elkander op een bepaalde plek zouden ontmoeten. De weg, dien de beide broêrs hem hadden aangewezen, leidde naar het leger van Tobe-horoanna*, maar hij, wien zij het slachtoffer wilden laten worden, wist dat niet.

Hij begon nu te dwalen en kwam eindelijk aan een breed pad, wat hem deed uitroepen: „Waar ga ik heen?” Zoo in zich zelf sprekend, trof een hard geruisch zijn oor. Wat het was, wist hij niet. Op een antwoord behoefde hij echter niet lang te wachten, want spoedig daarna zag hij Tobe-horoanna naderen. Zoo gauw hij kon rende hij naar een enormen boom, achtervolgd door Zwarte Tijger. Beiden begonnen nu achter elkaar om den boom heen te loopen en toen het de man eindelijk gelukt was, vlak achter het beest te komen, sneed hij het de hielpezen door. Tijger zat nu neêr, want hij kon niet meer loopen en de man had nu gelegenheid, het dier een pijl in zijn nek te schieten en met een mes den doodsteek te geven. Daarop begaf hij zich naar huis terug.

De schoonbroêrs, wetende, welk een slecht jager hij was, waren niet eens naar de afgesproken plaats gegaan, overtuigd, dat hij er niet meer zou zijn. Maar toen hij de hut binnentrad, waren zij hoogst verrast en maakten zij hun verontschuldigingen, teneinde hun misdadige bedoelingen te verbergen, zeggende: „Wij waren op de plek, waar wij je zouden ontmoeten, maar je waart er niet. Wij riepen je, maar we kregen geen antwoord. Wij dachten natuurlijk, dat je dood was en wij gingen weg. Maar we keerden terug, om nog eens te zien of je niet kwaamt”, en dergelijke verontschuldigingen meer. Dat was alles maar gelogen.

Toen de man nu vertelde, dat hij Tobe-horoanna had gedood, konden zijn schoonbroêrs, evenmin als hun oude vader, dit gelooven en drongen er op aan, zelf te gaan kijken. Zij gingen er toen heen, en toen zij op een afstand Zwarte Tijger op den grond zagen liggen, durfden zij niet naderbij te komen, totdat de jager, uitroepende: „alles bij hem is dood, dood, dood!” en willende toonen, dat hij de waarheid sprak, op het doode lichaam sprong en zegevierend er op heen en weêr begon te dansen. Alleen de oude man durfde dichtbij komen; zijn twee zoons bleven bang.

... durfden zij niet naderbij te komen.—Zie blz. 158.
... durfden zij niet naderbij te komen.—Zie blz. 158.

… durfden zij niet naderbij te komen.—Zie blz. 158.

Het gezelschap keerde nu huiswaarts. En daar was de oude man zóó verrukt over hetgeen zijn schoonzoon gedaan had, dat hij hem ook zijn andere dochter tot vrouw gaf, zoodat de nu gevierde jager in het vervolg twee vrouwen had. Zijn schoonbroêrs bouwden nu een grootere hut voor hem en hij werd de Ai-ja’mo (hoofdman) van het dorp.

Ge ziet, dat Wau-oeta medelijden met hem begon te krijgen; maar hij wist dat natuurlijk niet. Nadat alle vogels met hem gereed waren, kwamen alle ratten in de volgorde hunner grootte, gevolgd door de Acouri, de Labba*, het Hert, het Boschvarken tot aan den Tapir toe.

Toen al deze dieren hem voorbij waren gegaan, en met de tong zijn voet even gelikt hadden, opdat hij op jacht naar hun soortgenooten geluk mocht hebben, kwamen ook de tijgers, die van de kleine tot de groote hetzelfde deden en … eindelijk de slangen, die, na ook met haar tong haar plicht gedaan te hebben, langzaam wegkropen. Met dit alles ging geruimen tijd voorbij, en eerst met het aanbreken van den dag was aan den optocht een einde gekomen, zoodat de man met zijn geweeklaag kon ophouden.

Toen hij nu met schieten op den grond begon, raakte de pijl achtereenvolgens een rat, een Acouri enz. tot hij eindelijk een prachtigen tapir schoot. Eindelijk kwamen de tijgers en de slangen aan de beurt, in de volgorde waarin zij hem gelikt hadden.

Toen al dit wild bijeen was, schonk Wau-oeta hem voor goed den merkwaardigen pijl, in ruil voor den zijne, doch op uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij tegen niemand zou zeggen, wie hem een zóó zeldzamen pijl had gegeven. Ze zei hem daarop vaarwel en vertrok.

Onze vriend keerde nu naar zijn twee vrouwen terug, en natuurlijk werd nu zijn naam, dien hij reeds wegens het dooden van Tobe-horo-anna had, nog veel grooter. Iedereen werd echter nieuwsgierig, om te weten, waar hij die kennis vandaan had gekregen en probeerde hem uit te hooren, maar hij weigerde, trouw aan zijn gegeven woord, iets te zeggen. Zijn schoonbroêrs dachten: laten wij onzen tijd afwachten, en toen er een groot paiwarri-feest zou plaats hebben, haalden zij hem over, dit bij te wonen; en … het is al weêr dezelfde geschiedenis: drank werd zijn verderf. Zijn tong kwam los en hij vertelde alles wat er gebeurd was. Den volgenden morgen, toen hij weêr geheel was bijgekomen, wilde hij, als gewoonlijk, zijn pijl grijpen, die Wau-oeta hem gegeven had, maar zijn vroegere pijl lag er weêr voor in de plaats—en van dat oogenblik was hij al zijn geluk weêr kwijt.

No. 38. De Legende van Letterhoutstomp.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, wijl de macht der toenmalige piaimannen de booze Geesten overal in bedwang hield. Paiwarri ontbrak nooit; kinderen gehoorzaamden hunnen ouders; nimmer doofden de barbakot-vuren uit, wijl het wild altijd in overvloed voorhanden was en de visschen in de kreken krioelden.

Letterhoutstomp was een menscheneter. Moordend en roovend trok hij langs onze kusten. Wee! den Indianen, die in zijne handen vielen, want levend werden ze verbrand of gevild en opgegeten!

Overal waar Paira-oende verscheen, vluchtten de roodhuiden naar alle richtingen, doch hij vervolgde hen onmeêdoogend, tot zij ten einde raad besloten zich te vereenigen, om aan het geweld een einde te maken.

Letterhoutstomp naderde Kwaloe (Akaloe der Franschen?), het riviertje, waar de Indianen zich verzameld hadden, van uit de plaats waar thans de Fransche gevangenen verblijven (St. Laurent). Trotsch stevende hij in zijn vreemd vaartuig de Marowijne op, ten einde de Roodhuiden onverhoeds op het lijf te vallen. Maar ziet, eensklaps verhief zich een Geest van Bekoring uit het water op, en Paira-oendepo werd met huid en haar ingeslokt, terwijl zijn vaartuig van den oever (van de Kwaloe) dreef tot een plaats, waar het nog te zien is als een steenen kaaiman, die op een anderen steen rust.

In ’t stroomgebied der Marowijne,

Bezongen door het golfgeklots,

Staat, prijkende in al haar glorie,

D’wijd vermaarde Temere-rots,

Die eeuwen lang reeds heeft gedragen

Het teeken van den zwaren strijd,

Toen Paira-oende werd verslagen

Door Piai van den ouden tijd.

Die blanke in zijn Kaaiman-vaartuig,

Had aan zijn borst een grooten mond,

Waarmede hij in koelen bloede

Rood menschenvleesch als prooi verslond.

Maar ziet, het water rees verbolgen,

De Worgslang der Piai verscheen,

En Houten Stomp, hij werd verzwolgen;

Zijn Kaaiman werd een dubb’le steen.

Victorie! juichten duizend kelen,

Alom weerklonk de zegezang:

Ons bloed is weêr in bloed gewroken

Aan U de eer, o, Geest der Slang!

Toen naderde een oude Piaiman

En grifte in het hard graniet,

Paira-oende en zijn Kaaiman,

Zooals gij dien nog heden ziet.

No. 39. De Legende van Arimoribo en Jorobodie. (C.)

Jorobodie was een dracht van niet meer dan drie weken, die zich wonderbaarlijk snel ontwikkelde, en wiens optreden algemeen ontzag inboezemde. Hij toog ten strijde tegen de blanken, die niets tegen hem vermochten, en versloeg hen. Geen vuur deerde hem, geen staal trof hem, geen gewicht was zwaar genoeg, om hem te doen zinken. Alle banden werden door hem verbroken en toen de blanken hem eindelijk in een vat hadden gesloten, en hem aan het water hadden prijsgegeven, deed hij een tijger tot zich naderen, stak hem door een gaatje zijn staart toe en zoo werd hij overal heengesleept, waar hij maar wilde. Nooit werd een zonderlinger vaartuig door zulk een dier, en nog wel onbeteugeld, voortgetrokken.

Maar deze wreedheden zouden niet ongewroken blijven. Tot nu toe hadden de Indianen steeds een rustige zee gekend. De booten voeren zonder roeiriemen of parels* door eigen kracht op zee en rivier. De Boa constrictor* diende als ankertouw en loopplank tevens. Zelfs meerde deze de boot aan strand en oever vast.

Dit alles hield echter op, toen de menschen slecht werden. Geen kwaad toch kan ongestraft blijven. Toen bijv. eens een Indiaan van den kapitein een boot had geleend en deze niet terug bracht, werd hij gestraft. Hij veranderde n.l. in een duizendpoot*, en werd vader van die millioenen veelbeenige stekelige dieren, die nu door iedereen zoozeer gevreesd worden.

Op hetzelfde oogenblik veranderde alles in de natuur. Tot nu toe hadden de rivieren, evenals de zee, onveranderlijke stroomingen. Eb en vloed kende men te voren niet. Nadat de ongehoorzaamheid in de wereld was gekomen, kwam er eb en vloed; de bruisende baren kwamen opzetten, waartegen de booten niet langer bestand waren.

Het ergste van alles voor de Indianen was wel, dat die ellendige blanken zich aan dit alles niet storen wilden, zoodat zij het laatste overblijfsel van den gelukstaat verloren deden gaan. Welk een schat was voor hen in die omstandigheden een man van zulk een overwicht als Jorobodie was!

No. 40. Uitdrijven van een priester uit den Indiaanschen hemel.

Penalo ame weipiompo. Eertijds enz. voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, werden de oevers der Boven-Marowijne door talrijke Indianen bewoond. Maar hun aantal slonk bij den dag, wijl zij veel te lijden hadden van allerlei booze geesten, die zich niet door piaien lieten verdrijven. Vele Roodhuiden verlieten dan ook de behekste streken, ten einde zich te begeven naar Mazwano, een plaats, die zij reeds menigmaal in hunne droomen hadden bezocht. Ontelbare Roodhuiden woonden daar in kampen, die elken morgen schitterend verlicht werden door de morgenzon.

In het midden stond het wonderkamp van Tamoesi*. De grond was wit als het glinsterende witte kwartszand der savanne. Wit was ook de kleur van de wateren, die door dit aardsche Paradijs vloeiden.

De Indiaansche God zag er geweldig uit. Zijn huid had, zooals van zelf spreekt, een roode kleur. Hij was versierd met vederen, franjes en kralen. In zijn hand hield Hij een ongehoord groote malaka*, waarin zich de geesten bevonden van alle wezens; de steel was als een Boa bewerkt.

Wanneer Tamoesi aan het piaien was, kon het geluid dagreizen ver gehoord worden. Priesters en andere Booze Geesten vluchtten dan ijlings naar de duistere wateren, zoodat de omtrek der Mazwano steeds rein en wit bleef. Daar toch heerschte slechts gelukzaligheid. Men dronk en danste er den geheelen dag. Overal liepen beeldschoone vrouwen den mannen achterna. Ziekten en sterfgevallen kwamen er nooit voor, terwijl Tamoesi van tijd tot tijd nederdaalde, ten einde met zijn geliefde, roode kinderen feest te vieren. Geen wonder, dat de Indianen, die na het doorstaan van vele duistere gevaren dit lustoord wisten te bereiken, geen lust gevoelden tot hun familie terug te keeren.

Door de piaimannen werd het losbreken der Booze Geesten toegeschreven aan een Pater, aan wien het gelukt was, vele Indianen tot het Christendom te bekeeren. En, zeiden zij, zoo dit niet ophield, zou de Marowijne geheel ontvolkt worden, wijl alle Indianen zich naar het Paradijs zouden begeven.

De Priester, die van zijn volgelingen vernomen had, wat de Roodhuiden tot de Mazwano aantrok, besloot een bezoek aan de plaats te brengen. Zulk een stoutmoedig plan verbaasde den Indianen ten zeerste. Ga niet, waarschuwden zij, want Paters worden niet in de Mazwano toegelaten. De Priester luisterde echter niet, doch vertrok, vergezeld van eenige zijner bekeerlingen, in een boot. De reis duurde drie weken.

De piaimannen in de Mazwano waren door den Dubbelgeest in kennis gesteld, dat er gevaar naderde in den vorm van een Pater. Tamoesi was juist afwezig, en men besloot eens te probeeren, den stoutmoedige zedenprediker te bekeeren tot een piaiman. Alle slangenpriesters togen aan het werk. Zij piaiden de wateren, zoodat het vaartuig met groote snelheid naar de Mazwano werd aangetrokken. Nauwelijks hadden echter de Priester en zijn volgelingen voet aan wal gezet, of de wateren liepen terug, het vaartuig met zich sleurende.

In het Paradijs der Roodhuiden werd lustig feestgevierd. De lucht daverde van het geroffel der samboela’s* en het eentonig geluid der kwama’s*. Het aantal vrouwen was zóó groot, dat de Indianen, die in hunne hangmatten lagen, slechts de hand behoefden uit te strekken, om een wonderschoon meisje te grijpen. Niemand voelde ooit honger, doch slechts een voortdurenden dorst naar paiwarri*.

Bij het aanschouwen van dit, in zijn oogen zoo vreeselijk Paradijs, kon de Priester niet nalaten een zucht te slaken. De piaimannen lieten hem evenwel geen tijd tot bedenken. „Welkom vriend, in de Mazwano”, riepen zij hem toe, „gij zult hier een heerlijk leventje hebben”.

Verscheidene beeldschoone meisjes naderden thans met kalebassen vol drank. De Priester weigerde echter. „Wat”, riepen de piaimannen uit, „drinkt gij niet?” „Ja”, antwoordde de Pater, „maar slechts met mate”. „Danst gij?” „Neen”. „Hebt gij geen vrouwen?” „O! Neen”.

„Dan”, schreeuwden de piaimannen gebelgd, „moet gij nog de genoegens van het leven leeren kennen”. Zij wierpen zich nu op den weerloozen Pater, rukten hem de kleeren van het lijf, besmeerden zijn leelijk, wit lichaam met mooie, roode koesoewé*, trokken hem een kamisa* aan en versierden hem met vederen, koralen en franjes. Toen werden hem opnieuw kalebassen met drank aangeboden.

„Drink”, riepen de piaimannen. De Priester weigerde echter, doch toen hij de dreigende aangezichten en de opgeheven apoetoe’s* om zich heen zag, dronk hij achtereenvolgens drie kalebassen leeg. „Braak”, werd hem toegebulderd. En hij braakte, waarna hem wederom drank werd aangeboden. Toen moest hij dansen en zingen, totdat hij van uitputting neêrviel en in een hangmat werd gelegd, om zijn roes uit te slapen.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, voelde de Pater iets naast zich in de hangmat. Hij keek en daar lag een beeldschoon Indiaansch meisje. Vlug (volgens de verteller uiterst vlug) sprong hij op en wilde hij wegvluchten. Maar de piaimannen grepen hem aan, en riepen hem toe: „Nu kent gij de genoegens van het Paradijs; wilt gij hier blijven?”

„Neen”, antwoordde de Pater.

Weder togen nu de piaimannen aan het werk; de wateren stroomden nu opwaarts en brachten de boot van den Pater met zich mede. Maar toen de Priester instapte, zag hij slechts één zijner volgelingen, een blanke, aan het roer staan. De overigen, alle Roodhuiden, waren voor de verleiding bezweken en hadden zich voor goed in de Mazwano gevestigd.

Weder keerde nu de koers van het water. Het vaartuig schoot stroomafwaarts, en eerst na een langen vermoeienden tocht gelukte het beide mannen het dorp der bevriende Indianen aan de Marowijne te bereiken.

Eenige vrouwen waren er juist bezig, cassave-brood te bakken, toen een harer toevallig opkeek en een gil van ontzetting slaakte. „In de verte komen witte Indianen”, riep zij. Allen vluchtten dadelijk in de hutten, waar zij door de paloeloe*-bedekking heen naar de komenden gluurden.

De mannen van het dorp liepen hen echter tegemoet, en den Pater herkennende, riepen zij uit: „Wij hebben U wel gewaarschuwd, niet naar de Mazwano te gaan; maar gij hebt ons niet willen gelooven”.

„Gij hebt gelijk”, antwoordde de Priester, en hij vertelde alles wat hem daar was overkomen; toen hij eindelijk was gekomen aan het Indiaansche meisje, dat hij bij zijn ontwaken in de hangmat gevonden had, barstten zij allen in een schaterlach uit. Hun verstand ging het te boven, dat iemand zoo iets kon weigeren.

De verteller begreep echter zeer goed, dat in een dergelijk Paradijs de Paters, die juist matigheid en kuischheid prediken, niet kunnen geduld worden.

No. 41. Uitdrijving der Indianen uit den Hemel der Paters.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog mijn grootvader geboren was enz. was een Roodhuid bezig, boomen om te hakken, teneinde een kostgrond aan te leggen. Het werk vermoeide hem, zoodat het zweet hem langs het lichaam liep, en de mooie roode koesoewe*, waarmede hij zich had ingesmeerd, geheel werd weggewasschen. Hij zuchtte luide en verwenschte zijn ongelukkig lot. Doch ziet, als uit de lucht verschenen twee mannen, die hem medelijdend aanzagen. „Waarom zucht gij zoo”, vroegen zij hem. „Ach”, luidde het antwoord, „ziet gij niet, hoe hard ik moet werken? En als ik des nachts wil uitrusten, gonzen de muskieten mij om de ooren; ik ben de ongelukkigste Indiaan van mijn stam.”

„Wel”, zeiden de vreemdelingen, „we zijn met uw lot begaan, kom met ons meê; want we zijn juist op weg naar een plaats, waar niemand behoeft te werken.”

De poort werd ontsloten door een grooten, krachtigen Pater, die de Indianen welkom heette in het paradijs der Blanken.

De drie Roodhuiden traden schoorvoetend binnen en keken om zich heen. Voor zoover het oog reikte, zagen zij niets dan zwartgerokte Priesters, die hen toeriepen, dat elke Indiaan maar één vrouw mocht hebben, en dat er geen jenever, brandewijn enz. te drinken viel.

Zij werden gedoopt en herdoopt. Eindelijk bereikten zij den zetel van den Tamoesi der Blanken. Hij was zóó oud als de Roodhuiden nog nooit een mensch hadden gezien. Een lange, witte baard hing tot aan zijn voeten, maar Zijn hoofd was kaal. Hij zat op een soort van hobbelstoel, prachtig versierd met tijger-, boa- en stinkvogelkoppen. Aan Zijn zijde lag een groot kruisbeeld. Zijn lichaam was gehuld in een langen rok, zooals de Paters ze thans dragen.

De Indianen traden eerbiedig nader. Tamoesi glimlachte en zei: „Welkom, mijne roode kinderen, gij zijt zeker vermoeid van den langen tocht, laten we ververschingen gaan gebruiken”. Hij stond op en den Roodhuiden bij de hand nemende, leidde Hij hen rond in het Paradijs. Overal langs de straten waren prachtige kerken, waar den geheelen dag psalmen werden gezongen. Slechts hier en daar liep een blanke met zijn vrouw. Toch was hun aantal zeer gering, in aanmerking genomen de ontelbare Paters, die overal, waar Tamoesi zich vertoonde, voor Hem nederknielden.

Tusschen de kerken in zagen de Indianen eenige herbergen, waar limonade, sodawater, kassiri enz. gratis werd geschonken aan een ieder, die er om vroeg. Een dezer plaatsen traden zij binnen, en toen zij er weêr uitkwamen glommen hunne aangezichten van genoegen. Vol vreugde zeiden zij tot Tamoesi: „Wij willen altijd bij U blijven”.

Zij gingen verder. Langs den weg lagen eenige Indianen te slapen. De Roodhuiden knikten elkander veelbeteekenend toe, doch zwegen. Zij kwamen vervolgens bij plaatsen, waar visschen van zelf uit de masoewa’s* aan de barbakot gingen hangen. Pijlen, door niemand afgeschoten, snorden door de lucht en troffen wegvluchtende Tapirs en Agoeti’s, die, na hun eigen vleesch in stukken te hebben gesneden, zich zelf kookten en roosterden. Enkele Indiaansche vrouwen lagen naast de matapi’s*, maar de cassave-wortels schrapten zich zelf, persten zich zelf uit, en sprongen dan in de pannen, om gebakken te worden.

De Indianen waren verrukt; en dat vooral, toen Tamoesi aan elk een mooie vrouw schonk, en hij op staanden voet een huwelijk voltrok. Af en toe gingen zij herbergen binnen; en elken keer kwamen zij er vroolijk weêr uit. Eindelijk begon een der Roodhuiden met onvaste schreden te loopen, daarbij onbetamelijke liedjes zingende en probeerende, Tamoesi op heel familiare wijze te omhelzen.

Tamoesi keek den slingerenden Indiaan achterdochtig aan. Maar, toen bij den tweeden en derden zich dezelfde verschijnselen begonnen te vertoonen, begreep hij alles. Bulderend riep hij uit: „Dronken Indianen in het Paradijs; dat is iets ongehoords.” En de Roodhuiden, die zoo zalig langs den weg lagen uit te rusten, sliepen inderdaad hun roes uit!

Alle Indianen in het Paradijs verzamelden zich nu om Tamoesi. Zij verzekerden Hem, dat het niet hun schuld was, maar dat de Blanken hen den drank hadden geschonken. „Dat is niet waar”, zei Hij, „want nog nooit heb Ik hier in den hemel een dronken Pater of Blanke gezien”.

Tamoesi gaf nu bevel, alle sodawater, limonade, kassiri enz. bij Hem te brengen. Van alles dronk hij een kalebas vol, maar, daar Hij geen verstand van zulke dingen had, verklaarde Hij, dat alles in orde was, en dat de ververschingen zeer goed smaakten! En toch, zoowel het sodawater als de limonade en de kassiri waren even rijk aan alkohol als zuivere jenever. Geen wonder dan ook, dat de Roodhuiden zich bedronken; de verleiding was te groot voor hen. De Priesters en andere Blanken dronken met mate, zoodat zij nooit dronken werden.

Tamoesi gebood daarom den Roodhuiden, dat zij onmiddellijk den Hemel moesten verlaten. Alle Caraïben, Arowakken, Warrau’s enz. vertrokken, en aan de poort riep Tamoesi hen nog na: „Door uw dronkenschap hebt gij het Paradijs verloren; thans zult ge werken en het zweet, dat uit uw lichaam stroomt, zal wegwasschen de koesoewé*, waarmeê ge u besmet. Maar, als ge niet meer drinkt, zal de poort weêr voor u geopend worden.”

Alle Indianen keerden nu ontmoedigd tot hunne stamgenooten terug, aan wien zij hunne ondervinding vertelden, en menigmaal verschijnt in hun droom het Paradijs der Priesters en Blanken aan de verrukte blikken van den Roodhuid, vooral als hij bezig is boomen te kappen en het werk zoo nu en dan door een dutje onderbreekt. Bij zijn ontwaken zucht hij dan luide. Maar niemand verschijnt weêr, om hem den weg te wijzen naar het voor hem onbereikbare Paradijs. En klagend neemt hij weêr zijn bijl op en hakt woedend in den stam der omliggende boomen, totdat het zweet hem uit de poriën vloeit en de koesoewé, waarmeê hij zijn lichaam insmeert, wegwascht, zooals Tamoesi voorspeld had.

No. 42. Bezoek van Caraïben aan Macoesiland. (C.)

In oude tijden kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, want er was overvloed van wild, terwijl het in de rivieren en kreken krioelde van visschen.

Van de Indianenstammen, met welke de Caraïben in die tijden in betrekking stonden, werden vooral de Macoesi’s als goede vrienden beschouwd. Deze stam woonde ver over de Corantijn naar den kant der Orinoco.

Om hun land te bereiken, moesten de Caraïben van Suriname weken lang reizen en allerlei gevaren doorstaan. Dit hield de treklustigen niet terug, en toen nu eens een aantal Macoesi’s een Surinaamsch Caraïben-dorp hadden bezocht, besloten een twintigtal Kalienja’s* aan Macoesiland een tegenbezoek te brengen.

De piaiman riep den Dubbelgeest op en deze voorspelde, dat de tocht goed zou afloopen. Vroolijk vertrokken onze jongelieden dan ook en na een voorspoedige reis bereikten zij de plaats hunner bestemming.

Zij vonden daar alles in rep en roer, daar Kenaima’s* zich in den omtrek vertoond hadden.

De Macoesi’s ontvingen hunne vrienden met open armen en stonden hun zelfs de beste en grootste hut van het dorp af. Zij waarschuwden hen echter niet te gaan slapen, daar het zou kunnen gebeuren, dat de Kenaima’s nog dien zelfden nacht een aanval op het dorp zouden doen.

Maar de Caraïben, vermoeid van hun langen tocht, hadden rust noodig en de piaiman gelastte, dat, terwijl tien man sliepen, de overigen zouden waken. Daartoe moesten zij langwerpige kijkgaten in de wanden der hut maken.

De piaiman, die onmiddellijk geraadpleegd werd, vond evenwel, dat, hoe goede vrienden de Macoesi’s ook waren, hun land veel te gevaarlijk voor een Kalienja was, zoodat tot den terugtocht besloten werd.

No. 43. Legende van Paramaribo.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, werden de oevers der Suriname-rivier door talrijke Caraïben bewoond, die gelukkig en tevreden met elkander leefden tot op een goeden dag een schip de rivier binnenzeilde en het anker liet vallen vóór de plaats, waar thans het fort Zeelandia staat. De kapitein kwam aan wal en werd vriendelijk door de Indianen ontvangen. „Ik ben door mijn Koning gezonden”, zei hij, „om U in zijn naam om dit land te verzoeken”. „Neen”, antwoordde de hoofdman, „laat hem zelf komen, want wij onderhandelen niet met ondergeschikten”.

Wat de kapitein ook deed, het Indiaansche opperhoofd liet zich niet bepraten. Hij vertrok dan ook en keerde na eenigen tijd met den koning terug. Deze begon niet terstond met de Indianen te onderhandelen, doch liet hen eerst flink drinken. Toen allen dan ook smoordronken waren, vroeg hij hun: „geef mij dit land ten geschenke”. En zij antwoordden: „Neem het vriend, maar geef ons drank”.

Toen de Roodhuiden, na hun roes te hebben uitgeslapen, beseften, wat ze hadden gedaan, kregen zij berouw. Maar het was te laat, het eenmaal gegeven woord mocht niet verbroken worden.

No. 44. De Legende van Post Sommelsdijk.

Eertijds werden de negerslaven door de blanken gruwelijk mishandeld, zoodat zij in menigte naar de bosschen vluchtten, waar zij de bescherming inriepen van Konokokoeja*, de Geestmoeder der wouden. Deze verhoorde hunne smeekbeden en kwam tot hen in de gedaante van een Indiaanschen piaiman. „Ik zal u uit de handen der blanken redden,” sprak zij, „maar gij moet mijne bevelen trouw opvolgen.”

De negers stemden toe. De geestenbezweerder piaaide toen den omtrek op zoodanige wijze, dat er overal vergiftige pijlen te voorschijn kwamen, die allen met hunne punten naar ééne richting toewezen. Vervolgens trok zij naar de plantage Asati en bevrijdde veertig negers.

De blanken waren woedend. Onder commando van een kapitein zonden zij soldaten, om de weggeloopen slaven te achterhalen, die echter door den Piaiman veilig voorbij de vergiftigde pijlen waren geleid. Toen nu de soldaten verschenen, trad deze te voorschijn en schoot met een swaroedaroe* den kapitein dood.

De negers en hunne bondgenooten namen nu alles wat de blanken hadden achtergelaten, mede, en daaronder bevond zich ook een groote pot. Onmiddellijk togen piaiman en obiaman* nu gezamenlijk aan het werk en bereidden uit de lichamen der gevallen blanken een obiapiaai* van zulk een sterkte als nog nooit te voren was bereid. Met dit toovermiddel vulden zij den pot, die vooraf met den naam Konoko-dakodwada* gedoopt was.

Negers en Indianen trokken nu naar Saloewa, een arm der Mapanakreek, en zetten daar den pot zóó neêr, dat de opening naar de monding der kreek wees, zoodat al de tooverij den blanken zou toestroomen, wanneer zij het zouden wagen, hier binnen te dringen.

Het gebeurde werkelijk zoo, want toen de blanken, vol woede over den dood hunner kameraden, de kreek wilden opvaren, werden hunne oogen verduisterd door het toovermiddel, zoodat zij de monding van het kreekje niet konden zien.

Dit is de reden, waarom de Indianen nimmer huizen hebben gebouwd, maar zich met eenvoudige hutten vergenoegen.

No. 45. Einde van den Indiaanschen broederoorlog. (A.)

Wij, Arowakken hebben in den strijd met de Kalienja’s het laatste woord gehad. Eens was het, dat wij onze vijanden in een hinderlaag wisten te lokken. Boven een waterval hadden wij drijvende boomstammen geplaatst, waarachter een deel onzer strijders verborgen was, terwijl de overigen zich langs den oever verscholen hadden.

Toen nu de Caraïben, na met veel moeite hunne booten langs den waterval naar boven te hebben gesleept, de vaartuigen weêr te water lieten, zagen zij opeens tot hunne verbazing boomstammen aandrijven, en wel met zulk een geweld, dat de booten zonken. Woeste kreten weerklonken op hetzelfde oogenblik van den oever, gevolgd door een hagelbui van vergiftige pijlen. Wie niet getroffen werd, geraakte in den bruisenden waterval.

No. 46. De groote bloedzuigende vleermuis. (A.)

Op een lange reis naar het land der steenen bijlen* kwam een groote boot, geheel gevuld met Indianen, van een landingsplaats. Deze bevond zich in het gebied van den vleermuizenstam, zoodat de oude man, die het gezelschap leidde, zijn bende op het hart drukte, hunne hangmatten niet tusschen de boomen op te hangen (zooals de Indianen in den drogen tijd gewoon zijn te doen), omdat de vleermuizen er buitengewoon groot waren. Hij ried den mannen daarom aan, een gesloten tijdelijke hut te bouwen, dus een aan alle kanten gesloten banab*. Een der jongeren, die wat vadsig was uitgevallen, had er geen lust in, de anderen met den bouw van de schuilplaats te helpen. Hij beweerde, dat hij het niet geloofde, dat de vleermuizen, al waren zij ook nog zoo groot, hem vóór het aanbreken van den dag iets zouden doen. Tegen de redeneeringen van den ouden man in, weigerde hij in de hut te kruipen, en nadat hij zijn hangmat tusschen twee boomen had gehangen, bleef hij buiten slapen. Het was reeds laat in den nacht, toen men binnen in de hut den buiten gebleven tochtgenoot hoorde roepen en smeeken, binnen te mogen. Maar zij antwoordden: „Neen, nu kunnen wij niet open doen. Je moet de gevolgen van je weigering maar dragen!”

No. 47. Legende van Mapajawari of de uitroeiing der menscheneters. (C.)

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, leefden er talrijke Indianen langs de oevers der Coppename. Zij waren gelukkig, want overal kwam het wild talrijk voor en in de kreken en rivieren krioelde het van visschen.

Omstreeks dezen tijd leefden aan de Coppename een Kalienja, Mapajawari geheeten en zijn vierjarig zoontje Kenaime. Mapajawari was een visscher, die vooral uitmuntte in het zetten van springmanden* voor Anjoemara’s*.

Eens op een dag nam Mapajawari zijn zoontje mede, om hem deze manier van visschen te leeren. De manden had hij geledigd en, tevreden over de vangst, had hij zich aan den oever te slapen gelegd, terwijl Kenaime zich met zwemmen vermaakte.

Het begon langzamerhand laat te worden, en toen de kleine jongen, verlangend terug te gaan, zijn vader riep, kreeg hij geen antwoord. De vader bleef doorslapen.

Toen Kenaime nu den pot, waarin de Anjoemara’s gekookt moesten worden, met water vulde, zag hij, toen hij het oog over de rivier liet gaan, tot zijne verbazing een korjaal met Roodhuiden naderen. „Vader”, riep hij verschrikt, „daar komen Itioto’s*”. Maar Mapajawari stoorde zich niet aan het geroep en bleef doorslapen, en Kenaime, bevreesd voor het ongewone, klom in een boom, ook om beter naar de Itioto’s te kunnen kijken. Kort daarna waren zij nabij en landden zij op de plaats, waar Mapajawari lag te slapen, en nog voor Kenaime goed begreep, wat er gebeurde, lag zijn vader zielloos neêr.

De Itioto’s sneden daarop het hoofd van Mapajawari af en hingen het op aan een tak, slechts eenige schreden verwijderd van de plaats, waar Kenaime zich verscholen hield. Het lichaam van den verslagene sneden zij in stukken en deze wierpen zij in den pot, die bestemd was voor de Anjoemara’s.

Sprakeloos van ontzetting zag Kenaime dit vreeselijke schouwspel aan. Hij zag, hoe de Itioto’s het gekookte en op den barbakot geroosterde vleesch van zijn vaders lichaam aten en hoe zij zich, verzadigd, voor den nacht begonnen in te richten, en eindelijk, na schildwachten te hebben uitgezet, zich ter ruste begaven.

Den geheelen nacht bleef Kenaime, bibberend van angst en koude, in den boom verborgen, en toen het licht werd, staarde hij vol ontzetting in de gebroken oogen, die hem uit het hangende hoofd van zijn vader tegenblikten.

Den volgenden dag verlieten de Itioto’s de plaats, en toen zij uit het oog van Kenaime verdwenen waren, daalde hij van den boom af, zette het hoofd van zijn vader in een pasrie* en toog hij er mede op weg naar zijn moeder. Deze weende, wrong zich de handen, maar het hielp niets. De vrienden van den verslagene trokken er onmiddellijk op uit om hem te wreken, maar de moordenaars waren verdwenen, en op de plaats vonden zij slechts gebroken en afgekloven beenderen.

Kenaime begroef het hoofd van zijn vader in het woud en bedekte de plek met een grooten steen.

De vierjarige zoon van Mapajawari was van dien dag af geheel veranderd. Hij lachte niet meer, en wanneer zijn makkertjes vroolijk oelana* speelden, zat hij in een hoek der hut droomerig te staren naar den kant van waar de Itioto’s gekomen waren.

Lustig werd er op los gedronken. De kalebassen met drank gingen onophoudelijk van hand tot hand. Men juichte, men braakte, men zong, tot opeens te midden der algemeene feestvreugde Kenaime verscheen, den pas opgegraven schedel van Mapajawari omhoog houdend. Te midden der feestvierenden zette hij hem op den grond neêr, en den strijdknots opheffende, brulde en hitste hij den strijdzang en danste hij den strijddans.

„Jakono”* riep hij, „wie helpt mij thans mijn vader te wreken?” Alle aanwezige jongelingen sprongen op, en het voorbeeld van hun vriend volgende, zwoeren zij den dood aan de moordenaars van Mapajawari. Allen dansten nu den knotsdans en zongen den zang; er werd gebruld, gehitst, gesist, gekropen, evenals Tijgers en Worgslangen. De jongelingen waren in Kenaima’s* veranderd.

De piaimannen togen onmiddellijk aan het werk en spoedig was ook de verzekering gekregen van den Dubbelgeest, dat de strijd goed zou afloopen.

In twee groote Kanoa’s* verlieten de strijders, allen gewapend met vergiftige pijlen en voorzien van knotsen ter dikte van kleine boomstammen, de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was. Elke drie dagen ging een berichtgever naar het dorp terug, zoodat men daar steeds op de hoogte bleef van wat er onderweg gebeurde. Geen vuur werd op den tocht ontstoken en steeds stonden schildwachten op den uitkijk.

In twee groote kanoa’s verlieten de strijders ... de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was.—Zie blz. 187.
In twee groote kanoa’s verlieten de strijders ... de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was.—Zie blz. 187.

In twee groote kanoa’s verlieten de strijders … de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was.—Zie blz. 187.

De strijders hadden nu de dorpen der Itioto’s, de zoogenaamde Pawana*’s, bereikt. Deze waren echter van hun komst verwittigd en liepen hen tegemoet, uitroepende: „Wij hebben Mapajawari niet gedood, wij waarschuwden zelfs tegen den moord, zoodat wij bijna zelf zijn opgegeten. Zij, die den vader van Kenaime hebben opgegeten, moeten jelui zoeken in de dorpen der Jawa-Konejenje*. Maar deze menscheneters beschouwen ons als vrienden, zoodat we u als vrienden tot hen zullen leiden.”

Zoo gezegd zoo gedaan. Te zamen met de Pawana’s bereikten de wrekers na een maan* de dorpen der Itioto’s. Reeds van verre hielden allen de knotsen omhoog, uitroepende: „Vrede, vrienden!”

De Itioto’s niet wetende, wie de vreemde krijgslieden waren, ontvingen hen met open armen. Zelfs werd ter hunner eere een feest gevierd.

Kenaime echter gaf zijn vrienden last, op het feest niet te drinken, en te wachten op het sein, dat hij hen te middernacht zou toeroepen. Dan moesten zij opspringen en den strijd beginnen.

De Itioto’s dronken lustig door, tot ze allen smoordronken waren, maar de Caraïben en Pawana’s waren nuchter gebleven, daar zij den drank ongemerkt uit de kalebassen op den grond hadden uitgegoten. Zij hielden zich echter of ook zij beneveld waren en, zoodra de Itioto’s hunne hangmatten hadden opgezocht, wisten de gasten van hen gedaan te krijgen, dat ieder een Caraïb of een Pawana bij zich nam, nadat deze voorgewend hadden, naar warmte te verlangen in den koelen nacht. Zoo lag aan het einde van het feest een nuchtere Caraïb of Pawana naast een dronken menscheneter, wachtende op het afgesproken sein van hun aanvoerder.

Eensklaps weerklonk een vreeselijk gebrul en een holle stem riep donderend de woorden:

„Mapajawari joepoebombo toetoeroetoe”.

Het was Kenaime, die in den hollen schedel van zijn vader den aanval blies. Alle Caraïben en Pawana’s sprongen op. De dronken Itioto’s trachtten te vluchten, doch van alle kanten klonk het brullend en hitsend: Sla dood, verworg, mik op den neus; geen genade; spaar vrouwen, noch kinderen, noch grijsaards. En te midden van het verschrikkelijke bloedbad toeterde Kenaime voortdurend in den schedel van zijn vader.

Slechts enkele, ik geloof zes, Itioto’s ontsnapten, om de tijding der nederlaag naar de verder gelegen dorpen over te brengen. Mapajawari was gewroken. De overwinnaars sneden de hoofden der verslagen Itioto’s af en hingen ze op aan de takken der omliggende boomen. In het midden zetten zij den schedel van Mapajawari op een staak, opdat hij zou kunnen oordeelen over de wraak van zijn zoon.

Zonder verdere ongevallen bereikten de strijders weder hunne dorpen, waar zij met vreugde ontvangen werden. Feesten volgden elkander op. Jonge meisjes bezongen hun moed en ouden van dagen prezen hun list.

No. 48. Migratie-legende van den Kasi’hta-stam der Creek-Indianen,

verteld door Chekilli, Keizer der Roven- en Beneden Creek-Indianen, te Savannah in Georgia in het jaar 1735, in tegenwoordigheid van den Gouverneur Oglethorpe, van Koning Antichi, Hoogste opperhoofd van de stad der Cowetaws, van andere Koningen en van dertig krijgers.

Op hun tocht kwamen zij aan een modderige, dicht begroeide, vuile rivier, kampeerden er en bleven er één nacht over. Den volgenden dag zetten zij hun reis voort en kwamen zij reeds den anderen dag aan een roode, als bloed uitziende rivier. Zij bleven aan deze rivier en leefden gedurende twee jaar van haar visschen; maar er waren daar lage rivierstanden, wat hen niet beviel, en waarom zij er niet wilden blijven. Zij gingen toen naar het einde van die bloedige rivier en hoorden toen een geluid als van den donder. Zij begaven zich vervolgens naar de plek, van waar het geluid kwam. In het eerst zagen zij een rooden damp en daarna een berg, die donderde; en op dien berg hoorden zij een geluid, alsof hij aan het zingen was. Zij zonden er toen menschen heen, om te zien wat dat was; het bleek een groot vuur te zijn, dat in de hoogte spoot en dat een zingend geluid maakte. Deze berg noemden zij Koning der Bergen. Hij dondert nog tot op dezen dag en de menschen zijn er bang voor.

Hier ontmoetten zij toen menschen van drie verschillende stammen. Zij hadden iets genomen en gered van het vuur van den berg en op dezelfde plaats leerden zij ook planten en vele andere dingen kennen.

Uit het Oosten kwam toen een wit vuur naar hen toe, dat zij echter niet wilden gebruiken.

Van Wahalle kwam toen een vuur, dat blauw was; maar ook dit wilden zij niet gebruiken.

Uit het Westen kwam daarna een vuur, dat zwart was; en ook dit beviel hen niet.

Op den berg was een paal, die voortdurend heen en weêr ging en een geluid gaf; maar zij konden de manier niet vinden, om hem tot rust te brengen. Ten slotte namen zij een moederloos kind en sloegen het tegen den paal, totdat het dood was. Zij namen nu den paal op en steeds dragen zij dien nog met zich, als zij ten strijde trekken. Deze paal was gelijk een houten tomahawk*, die zij nu nog in den strijd gebruiken en nog altijd van hetzelfde hout gemaakt wordt.

Deze planten, vooral de Ratelslangwortel en de Kleine Tabak, gebruiken zij als de beste medicijn voor reinigingsdoeleinden op hunne púskita*. Gedurende deze pustika vasten zij en brengen zij offers aan de eerste vruchten.

Sedert zij de weldaden van deze planten leerden kennen, hebben hunne vrouwen op bepaalde tijden een apart vuur en zonderen deze zich dan voor de zuivering van de mannen af. Als zij dit nalaten, zal de kracht der vier planten verloren gaan en zullen de vrouwen niet gezond blijven.

In die tijden ontstond er nu een strijd over de vraag, wie de oudste der stammen was en wie van hen alles regelen zou. Zij kwamen ten slotte overeen, dat, daar zij tot vier stammen behoorden, zij vier palen zouden planten en deze met een soort klei rood zouden kleuren, die eerst geel is en door branden rood wordt. Zij zouden daarna ten strijde trekken en de oudste zou die zijn, welke zijn paal met de scalpen der vijanden het eerst van onderen tot boven zou hebben bedekt.

Allen probeerden het nu en de Cussitaws waren de eersten, die hun paal bedekten en wel zóó dik, dat van het hout niets te zien was. Daarom werden de Cussitaws door allen als de oudste stam beschouwd. Den Chickasaws gelukte het, ook hun paal te bedekken en daarna ook den Atilamas; maar de Obikaws konden hun paal slechts tot kniehoogte bedekken.

Er werd toen raad met de rat gehouden, ten einde te beslissen, hoe zij haren vader zouden kunnen dooden. De vogel had boog en pijlen en er werd besloten, dat de rat de boogpees zou doorknagen, zoodat de vogel zich niet meer zou kunnen verdedigen. Zoo gezegd zoo gedaan, en het volk kon toen den vogel dooden. Deze vogel noemen zij Koning der vogels. Zij denken, dat ook de arend een koning is, en zij dragen daarom zijn veeren, als zij ten strijde trekken of vrede sluiten. Wanneer hun vijand met witte veeren en een witten mond nadert en als een arend schreeuwt, mogen zij hem niet dooden.

Zij verlieten nu deze plaats en kwamen aan een wit voetpad. Het gras en alles in het rond was wit, en zij waren vast overtuigd, dat hier menschen moesten geweest zijn. Zij kruisten nu het pad en sliepen in de nabijheid. Daarna keerden zij terug, om te zien welk soort pad en welk volk het was, dat hier was geweest, daar zij geloofden, dat het voor hen beter zou zijn, het pad te volgen. Zij volgden het pad en kwamen aan een kreek, Coloosehutche genoemd (Coloose-kreek), omdat het hier rotsachtig was en er dampen opstegen.

Na vier jaar verlieten zij de Coosaws en kwamen zij aan een rivier, die zij Nowhawpe noemen (nu Callisihutche). Zij bleven er twee jaar en daar zij geen koren* hadden, leefden zij van wortels en visch; zij maakten bogen, en pijlpunten vervaardigden zij van bevertanden en steen. Gespleten riet gebruikten zij als messen.

Zij kwamen toen, steeds verder trekkend, aan een kreek, die zij Wattoohawka- (Whooping-) kreek noemden, om het geschreeuw van kraanvogels*, die daar in menigte waren. Hier sliepen zij één nacht.

Den volgenden dag bereikten zij een rivier, waarin een waterval was, die zij Aphoosa pheeskaw noemden. Zij trokken de rivier over en kwamen aan een hoogen berg, waar menschen woonden, die zij voor de makers van het witte pad hielden. Zij maakten nu witte pijlen, waarmeê zij hen beschoten, om te zien of het goede menschen waren. Maar het volk nam hunne witte pijlen, verfde die rood en schoot op hen, om te zien of zij goede menschen waren.

Toen zij deze aan hun Hoofdman toonden, zei deze, dat dit geen goed teeken was; wanneer de pijlen, die zij terugschoten, wit waren geweest, hadden zij er heen moeten gaan en eten aan hun kinderen moeten brengen; maar nu zij rood waren, deden zij beter te vertrekken. Doch enkelen hunner togen op weg, om te zien wat voor menschen zij waren. Zij vonden er echter ledige hutten en zagen een spoor, dat naar de rivier leidde; daar zij echter geen spoor aan de overzijde zagen, geloofden zij, dat het volk in de rivier gegaan was en niet weêr te voorschijn zou komen.

Zij volgden de rivier, tot zij aan een waterval kwamen, waar zij hooge rotsen zagen; en op de rotsen vonden zij bogen. Nu geloofden zij, dat het volk, waarvan het witte pad afkomstig was, daar woonde.

Op hunne tochten hadden zij steeds twee verkenners, die zij vóór de hoofdmacht vooruit lieten gaan. Deze verkenners bestegen een hoogen berg en zagen van daar een stad. Zij schoten toen witte pijlen in de stad, maar het volk schoot weêr roode terug.

Toen begonnen de Cussitaws angstig te worden en besloten zij de stad aan te vallen, zoodat zij dan allen een woning zouden hebben, als zij haar genomen zouden hebben.

De Cussitaws naderden met bloedige voornemens, maar de Palachucolas gaven hun zwarten drank, als een teeken van vriendschap en zeiden tot hen: „Onze harten zijn wit, en de uwen moeten ook wit zijn en jelui moeten de bloedige tomahawk* neêrleggen en je lichamen toonen als een bewijs, dat zij altijd wit zullen zijn.” Maar niettemin bleven zij voor den tomahawk gestemd; de Palachucolas wisten hen echter te overreden en begroeven het wapen onder hun slaapplaatsen. De Palachucolas gaven hun ook witte veeren en stelden hun voor, een gemeenschappelijk Hoofd te kiezen.

Toch kunnen de Cussitaws, die eerst den rooden rook en het roode vuur zagen en bloedige steden maakten, hun roode harten niet verlaten, die echter nu aan de eene zijde wit, aan de andere zijde rood zijn.

Zij weten nu, dat het witte pad het beste is geweest. Want hoewel Tomochichi een vreemdeling was, zien zij nu in, dat hij hen goed heeft gedaan. Want hij kwam om den grooten Koning te zien met gouverneur Oglethorpe en hem te hooren vertellen, en zij hadden geluisterd en geloofden het verhaal.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie voor de beteekenis der sterretjes achter de woorden bladz. 6 onderaan. ↑Note 2 · Voor de kenmerkende verschillen tusschen mythen, sagen, legenden enz., verwijs ik den lezer o.a. naar „Woordkunst” door M. A. P. C. PoelhekkNote 3 · Zie: Alfred Russel Wallace (Travels on the Amazon and the Rio Negro, Chapter IX, Londen 1853), Dr. Herman ten Kate, „Schetsen en stemmingen”Note 4 · In Suriname bezigt men het woord parel voor pagaai. In den Engelschen tekst staat „paddle my cano”. ↑Note 5 · Slot van een gedicht van Wallace (l. c.) den later zoo beroemd geworden Engelschen natuuronderzoeker, die een tijd lang onder de Arowakken aNote 6 · De vertellingen zijn ontleend aan: H. W. Brett (B.)—No. 17. C. van Coll (Co, b en a)—No. 29 en 39. F. P. en A. P. Penard (P, a.)—No. 38 en 4Note 7 · In den noordelijken vorm der fabel is voor de excrementen van beide dieren het uitbraaksel der hen vervangende dieren in de plaats gekomen. Note 8 · Dit geloof komt zelfs nog bij stadsnegers van Suriname voor (zie C. b. blz. 185). ↑Note 9 · Bij alle stammen wordt de zon mannelijk gedacht. ↑Note 10 · Deze voorstelling leert de Indianen weder als natuurdichters kennen; want treffen wij deze vergelijking van de maansikkel met een wapen—het Note 11 · Een der leden van ons personeel gedurende de Expeditie door de Binnenlanden van het Surinaamsche district Nickerie (C. b.), een Hollander vaNote 12 · Een dergelijk geloof treft men bij de negers aan. Hier noemt men onthouding van een bepaald voedsel: treef. ↑Note 13 · Bij de Caraïben aan de Cottica in Suriname (C.a.) geschiedt het planten van Cassave door de mannen. ↑Note 14 · Het werkje van de Gebroeders Penard (P.) bevat van deze beeldspraak talrijke voorbeelden. Onder deze komen er wellicht voor, die den lezer gNote 15 · Wanneer de Caraïben door sommige schrijvers menscheneters genoemd worden (de titel van het boekje van de Penards (P. a.) is misleidend), danNote 16 · Hier wordt een verklaring gegeven van den z.g. Dubbelgeest. ↑Note 17 · Boa constrictor. ↑Note 18 · Op een reis door Auvergne in 1910 vernam ik uit betrouwbaren bron, dat dit gebruik zelfs nog op het granietplateau van Limousin bestond. ↑Note 19 · Mocht zulks in de maatschappij, die men gewoon is, tegenover de zoogenaamde „wilden”, beschaafde maatschappij te noemen, immer zoo wezen en Note 20 · Gedurende de Nickerie-expeditie in 1900 (C. b.) bracht slechts een neger, die bij de Indianen was opgevoed en er alleen met pijl en boog op Note 21 · The American race, New-York 1891. ↑Note 22 · Volgens Brinton (L. c.) is het ontwijfelbaar, dat de algemeene richting, waarin het Amerikaansche ras zich verspreid heeft, zoowel in Noord-Note 23 · Daar de Arowakken deze streken bewoonden, reeds lang voordat de Caraïben het land binnendrongen, schijnt deze legende van ouderen oorsprong Note 24 · Ook nu nog zien de Indianen niet tegen lange tochten op. Tijdens ons verblijf te Nickerie, de hoofdplaats van het gelijknamig district, maakNote 25 · Natuurbeschouwingen Leiden 1850. ↑Note 26 · Of kust hier gebruikt is om het te laten rijmen op rust? Of heeft de vertaler niet geweten, dat hier een oord bedoeld wordt aan den bovenlooNote 27 · Het neêrstortende water van den waterval. ↑Note 28 · In tegenstelling met de gewone woonhuizen, die aan twee zijden geheel open zijn, bewoont de piaiman, en wanneer het bij uitzondering een vroNote 29 · Zie blz. 27. ↑Note 30 · De Indianen kunnen in de vormelooze vleezige massa van den Alligator (het Amerikaansche krokodillengeslacht), die niet kan worden uitgestokeNote 31 · Pisangs*. ↑Note 32 · Deze zin is fatsoenshalve veranderd. ↑Note 33 · Volgens de tradities der Caraïben hebben de Boschgeesten een grooten afkeer voor zoete pataten. ↑Note 34 · In de geheele folklore der Indianen van Guyana is dit het eenige, wat nog herinnert aan het scalpeeren, welk wreedaardig gebruik vroeger ookNote 35 · Alleen wanneer hij voor meerdere dagen op de jacht gaat, neemt hij zijn vrouw meê. ↑Note 36 · Merkwaardige beeldspraak! ↑Note 37 · Zonder maïsplant kan de schimmel, die op deze cultuurplant woekert, niet leven. ↑Note 38 · Wanneer men een aap barbakot, buigen de vingers zich, tengevolge der spiercontractie, sterk om. ↑Note 39 · Het dier loopt dus op den buitenkant van zijn klauwvormige nagels, en de punten der nagels, die bij het graafwerk dienst doen, ondervinden gNote 40 · Hoewel de miereneter niet aanvalt, wanneer men hem ongemoeid laat, wordt hij, als hij zich verdedigen moet, door zijn ontzettende kracht eenNote 41 · Deze dierenfabel, die de verwisseling der excrementen tot onderwerp heeft, is volgens Von der Steinen uit Noord-Amerika afkomstig, waar de CNote 42 · De tegenwoordige Indianen der benedenlanden van Guyana hebben doorgaans slechts één vrouw. Een piaiman wordt gerekend er meer te mogen hebbeNote 43 · Dit doet, volgens Walter E. Roth, denken aan den beenderloozen Held Kòn van de Yoenka-Indianen van Peru. ↑Note 44 · Zie bldz. 27. ↑Note 45 · Wood-skin, zooals er in den Engelschen tekst staat, is een eenvoudige kano, gemaakt van repen boombast. ↑Note 46 · Walter E. Roth, aan wien wij deze mythe ontleenen, merkte de Indiaan, die hem deze vertelde, op, waarom de vrouw niet naar het Oosten, dus dNote 47 · Zie blz. 19. ↑Note 48 · De Pakaraima-keten in Britsch-Guyana. ↑Note 49 · Flambouw. ↑Note 50 · De komeet of staartster. ↑Note 51 · Volgens Th. Koch-Grünberg voorzien de kinderen der Indianen aan de Boven-Aiuri hun pijlen met een dop van zwarte was. ↑Note 52 · Vampier*. ↑Note 53 · Een Indiaan overkomt dit niet licht, daar de zon zijn kompas is. ↑Note 54 · Zie blz. 36. ↑Note 55 · Zie „bekoring” in Inleiding, blz. 36. ↑Note 56 · Walter E. Roth, aan wien ik deze vertelling ontleen, vroeg aan de vertelster, waaraan de jongen bemerkte, dat er iets zou gebeuren? Zij antwNote 57 · Zie blz. 41. ↑Note 58 · Ook rotsen en gesteenten, dus ook hunne verweeringsprodukten, worden door den Indiaan als bezield gedacht (zie blz. 27). ↑Note 59 · De vrouw zet steeds het gerecht, dat zij heeft klaar gemaakt, voor den man neêr en deze doet het maal alleen. (C.a.). ↑Note 60 · Zie voor de gewoonte, om de vogels van de overige dieren af te scheiden, blz. 17. ↑Note 61 · Snavel. ↑Note 62 · Van de bestaande Katoen-(Gossypium-)soorten wordt door de Indianen op hunne kostgronden de Peru- of bokke- (bokken = Indianen) katoen (G. PeNote 63 · Bij de Arowakken is de koningsgier de dochter van Anoeanima of Annoeánna. Zij kan haar veêren afleggen en in een vrouw veranderen. Bij de TrNote 64 · Wanneer een Moenirikoeti (soort zwarte mier) iemand bijt, moet hij, beweren de Indianen, er geen acht op slaan, want het beteekent, dat er iNote 65 · Hier is verband met het wreedaardig gebruik, om een mat of gordel, in wier openingen mieren (ook wel wespen) gezet zijn, tegen borst enz. teNote 66 · Hier en daar is katholieke invloed duidelijk te bespeuren. ↑Note 67 · Hier wordt herinnerd aan de verhuizingen (migraties, zie blz. 53), die eertijds op groote schaal bij de Indianen hebben plaats gehad. ↑Note 68 · Dubbelgeest (zie blz. 44). ↑Note 69 · Vermoedelijk zinnebeeldig bedoeld. ↑Note 70 · Zinnebeeldige voorstelling van den Worgslang. (P.a.). ↑Note 71 · Hut voor den Boschgeest. ↑Note 72 · Zie blz. 46. ↑Note 73 · De vader van het meisje, dat door een jongen man tot vrouw begeerd wordt, zal, wanneer zijn vrouw en zijn dochter tegen het huwelijk geen beNote 74 · Vanaf de rivier in het gat van een boom te schieten, dat de toegang is tot het nest van een specht, was inderdaad een kunststuk, vooral als Note 75 · Niet bij alle Indianen-stammen zijn de voorwaarden tot een huwelijk dezelfde. Bij de hedendaagsche Caraïben moet de candidaat een stuk land Note 76 · Het vlechtpatroon van deze krabkorven noemen de Arowakken kassaroa- of vieroogpatroon, om de wijze, waarop de bundels als zoovele oogen geweNote 77 · Wanneer iemand op bezoek komt, wordt hem een of ander te eten of te drinken aangeboden. Wanneer hij genoeg heeft laat hij het zijn gastheer Note 78 · Zie blz. 37. ↑Note 79 · Er bestaat een nauw verband tusschen padden, kikvorschen en verwante dieren met geluk op de jacht. In Engelsch Guyana hebben de Indianen, diNote 80 · Dit was het antwoord, dat de verteller gaf op een vraag van Walter Roth, waarom hij zoo lang bleef roepen. ↑Note 81 · Odontophorus. ↑Note 82 · Onder de geheimzinnige pijlen, die bij de Kenaimas (zie blz. 41) behooren, komen er voor, die met een moeilijk waar te nemen schimmel bedektNote 83 · De Kenaimas gebruiken gebroken en onzichtbare pijlen. (Zie bl. 41). ↑Note 84 · Volgens de gebroeders Penard is de voorstelling van een menscheneter met een mond aan de borst bij den Indiaan het zinnebeeld van een wreedaNote 85 · Dubbelgeest. ↑Note 86 · Volgens de Penards zou het loopende tabbertje doelen op drijfzand of een zandbank of ook wel op een eilandje, dat in den loop der jaren werkNote 87 · Kaiwiri of Skroerki, ook Wisi-wisi genoemd, is de Withals-boomeend (Dendrocygna discolor). De vorm van den rots komt overeen met dien van eeNote 88 · Volgens de Penards was de Kaaiman geen vaartuig, maar een zinnebeeldige voorstelling van de woede, die Paira-oendepo en zijne strijders beziNote 89 · Temere-rots (ook wel Timehri-, Temehri, Kemere- en Toemere-rots geschreven), hetgeen in het Caraïbisch of Kalienjas „geteekend, gewerkt of bNote 90 · De stichting van Suriname’s hoofdstad dateert van den aanvang der zeventienden eeuw. ↑Note 91 · De Arowakken zijn met den stam der Warraus de eerste bewoners van Suriname geweest. Eerst later drongen de strijdlustige Caraïben binnen, diNote 92 · Volgens Pater van Coll kan deze door hem opgeteekende legende aan de vele gissingen omtrent den naam Paramaribo een nieuwe toevoegen. ↑Note 93 · Sommigen beweren, dat het een levende raaf (met dezen vogel worden de groote Ara- of papegaaiensoorten bedoeld, in de kolonie raven genoemd)Note 94 · Linker zijstroom van de Surinamerivier. ↑Note 95 · De legenden der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g. Creek-Indianen behooren, die het zuidelijk deel van Noord-Amerika (Alabama en Georgia) Note 96 · Zie onder „vloed” in het verklarend register. ↑Note 97 · Volgens de Penards, die deze legende in hun geschrift verkort overnemen, hebben we hier met beeldspraak te doen. ↑Note 98 · Bedoeld wordt een der twee Indianen in het zegel der West-Indische compagnie. ↑Note 99 · Jorobodie beteekent, volgens de Penards, Geweldige Worstelaar en Omklemmer. ↑Note 100 · Het is niet bekend of met blanken, Spanjaarden, Engelschen, Franschen of Nederlanders bedoeld werden. De Penards meenen, dat het Engelschen Note 101 · Zie blz. 37. ↑Note 102 · Evenals Simson, die door de list van Dalila zijn kracht verloor en in handen der Philistijnen viel. ↑Note 103 · De strijd met de blanken, zegt de geschiedenis, eindigde, toen deze een Arowaksch meisje gevangen hadden genomen en naar Europa hadden gezonNote 104 · Zie blz. 36. ↑Note 105 · W. E. Roth deelt in zijn hoofdstuk over Kenaima (R. blz. 354 enz.) ook op gezag van Coudreau, mede, dat er in den omtrek van de Rio Branco, Note 106 · In de litteratuur zijn deze Kenaima-stammen noch uit het Orinocogebied, noch uit Suriname en Fransch Guyana bekend, zegt W. E. Roth. ↑Note 107 · Deze overlevering komt geheel met de geschiedenis overeen. Immers, in 1650 rustte graaf Parham een schip uit met bestemming naar de kust vanNote 108 · Zie blz. 41. ↑Note 109 · Hij, die met de noodige ervaring omtrent het maatschappelijk leven in het „beschaafde” Europa toegerust, het voorrecht heeft gehad, eenigen Note 110 · Waarover de geschiedenis zwijgt. Volgens de Caraïben zeggen de Penards, zijn de Arowakken alleen door zich bij de blanken te voegen, aan eenNote 111 · Zie: Vampier*. ↑Note 112 · Volgens de Penards zijn de Indiaansche jongetjes reeds op zeer jeugdigen leeftijd min of meer vreemdelingen voor de moeder. Zij verrichten gNote 113 · Evenals bij andere wilde stammen (o.a. bij de Dajaks van Borneo) worden touwtjes, meest gemaakt van rotan of andere boschprodukten, met knooNote 114 · De Penards zijn van oordeel, dat deze overlevering in verband moet worden gebracht met berichten van Al. v. Humboldt omtrent Zuid-AmerikaansNote 115 · Zie blz. 17. De plaats, waar de Kasi’hta stam, evenals de stammen der Kawita- en Chicasaw-stammen van daan kwamen, wordt aangegeven door hetNote 116 · De hayoyálgi, die van de vier kanten van de wereld komen om het heilige vuur, het symbool van de zon, aan te blazen, zijn de vier winden, diNote 117 · Het heilige getal vier dezer Indianen is vermoedelijk afkomstig van de vier winden, die het heilige vuur aanblazen, het symbool van hun WeldNote 118 · Daar een rat bij de Indianen het zinnebeeld van teeltkracht en slimheid is, moet deze roode rat de vermeerdering van het Roode Ras symboliseNote 119 · Met leeuw wordt bedoeld de Poema of Amerikaansche leeuw (Felis concolor). Hoewel dit roofdier zelden menschen aanvalt, zal dit dier in deze Note 120 · Is dit een christelijk element, dat aan de legende is toegevoegd? ↑Note 121 · In verhalen, van de Warraus in Engelsch Guyana afkomstig en door W. Roth medegedeeld, vinden wij nu en dan eveneens van geluiden gewag gemaaNote 122 · Hondenkoning (Dog king) der Euchitaws. Deze was ook tegenwoordig bij het vertellen dezer legende. ↑Note 123 · De oude woonplaatsen der Creek-Indianen in Alabama en Georgia bestonden uit niet minder dan 102 steden en dorpen, allen met namen genoemd inNote 124 · Toen de ouders hem met betraande oogen smeekten, toch meê te willen gaan, werd hij wat toegeefelijker en beloofde hij zijn vader, dat wanneeNote 125 · Onmiddellijk na den terugkeer der ouders begon de vader de gevraagde heboe-hanokoe te maken en toen deze gereed was, brandde hij papaja-*, kNote 126 · Jelui moeten bedenken, dat wij Arowakken in vroeger dagen nimmer een man aan onze dochters zouden geven, wanneer hij niet te voren proeven zNote 127 · De eerste proef was buitengewoon moeilijk74 en geraakte dan ook langzamerhand bij ons in onbruik, maar de beide anderen worden nog steeds inNote 128 · Toen nu het paar alleen was, verzocht de jonge man zijn bruid de korjaal uit te gaan, en al de kleine kassoeroe-xoewa (door andere schrijverNote 129 · Den volgenden morgen trok zij de stoute schoenen aan en toog zij met haar moeder op weg, de richting naar de hut inslaand, waar de meester wNote 130 · In den nacht bereikte het gezelschap het dorp en allen zochten dadelijk hunne hangmatten op. Den volgenden morgen droegen zij hun vrouwen opNote 131 · Onze vriend voelde zich echter niet op zijn gemak, nu den naam te hebben, ook bij de jacht op alle andere dieren steeds geluk te hebben, omdNote 132 · Toen hij nu zoo lang beneden aan den boom stond te wachten, zag hij een lange rij vogels naar hem toe komen, allen in geregelde volgorde naaNote 133 · Toen het goed dag was geworden, zag hij een vreemde gestalte naar zich toekomen. Het was Wau-oeta, die een vreemdsoortigen pijl in de hand hNote 134 · De pijl van Wau-oeta zag er, zooals ik zei, zeer vreemd uit. Hij was in drie of vier stukken gebroken83 en ieder stuk was gespleten. Wau-oetNote 135 · Maar dit aardsche paradijs veranderde, toen aan onze kusten schepen vol strijders verschenen, aan wier hoofd stond een man, genaamd Paira-oeNote 136 · Bij de beraadslagingen, die volgden, voerden de verschillende piaimannen het hoogste woord. En nadat zij door hunne bezweringen den slangengNote 137 · Paira-oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, doch hen niet vindende, kon hij hen ook niet dooden, integendeel was hij verplicht toNote 138 · Een verschrikkelijk gejubel weerklonk van alle zijden. Duizenden met veeren versierde Caraïben dansten den overwinningsdans en te midden derNote 139 · Lang geleden, voor nog Paramaribo was gesticht90, bevond zich ter plaatse, waar nu het Fort Zeelandia ligt, de hoofdplaats der Arowakken91. Note 140 · Het ontbrak Arimoribo niet aan krijgsvolk. Op zijn wenk greep heel de stam naar de wapenen. Dit mocht echter niet gebeuren, wanneer niet de Note 141 · Het sprak van zelf, dat de piaimannen onmiddellijk aan het werk gingen, want er was immers geen krachtiger middel van tegenweer dan de piai-Note 142 · Omtrent dezen tijd werd de zoo beroemde Jorobodie geboren, een Arowak, die zich zou onderscheiden door zijn onverzoenlijken haat tegen de blNote 143 · Zooals het mannen betaamt, wien men een buitengewone roeping toedicht, was ook Jorobodie in ieder opzicht een wonder van kracht en slimheid9Note 144 · De vaartuigen moesten verbeterd worden en het varen vorderde voortaan stuurmanskunst. De toestanden waren dus sedert Jorobodie’s leven wel hNote 145 · Maar helaas! hij kwam ten val en wel door een vrouw, die hij geschaakt had102 en waardoor hij den haat zijner natie op den hals haalde. Het Note 146 · De held was gevallen103.Note 147 · De Roodhuid stemde toe en vertrok met zijn beide geleiders. Maanden duurde de reis. Vele gevaren hadden zij te overwinnen, maar eindelijk stNote 148 · Om negen uur des avonds verschenen werkelijk de Kenaima’s105. Onhoorbaar als slangen kropen ze over den grond. Het gelukte hen echter niet, Note 149 · Maar nauwelijks op weg, bleek het, dat de Kalienja’s door talrijke Kenaima’s achtervolgd werden. De piaiman gelastte onmiddellijk, dat allenNote 150 · De koning bouwde nu een huis naast de plaats, waar thans de Sommelsdijksche kreek, die bij de Caraïben Paramoeloe heet, in de Suriname-rivieNote 151 · Onder de blanken ontstond nu een hevige paniek. Zij vluchtten naar alle richtingen; overal floten onzichtbare pijlen108, door onzichtbare stNote 152 · Konokokoeja leidde daarop de negers naar Pramaka, waar de blanken hen nimmer hebben kunnen bereiken, maar alvorens zich weêr in het bosch teNote 153 · Slechts een gewonde jongeling ontsnapte. Tot zijn stamgenooten teruggekeerd, gaf hij hun den raad, den strijd op te geven. Den volgenden dagNote 154 · Toen zij nu des morgens buiten kwamen, zagen zij, dat er van hun metgezel niets anders dan de beenderen was overgebleven. De vleermuizen hadNote 155 · Jaren verliepen er, gedurende welke Kenaime tot een schoonen jongeling opgroeide. Geen zijner stamgenooten overtrof hem in het zwaaien met dNote 156 · De oude moeder van Kenaime had nu sedert eenigen tijd groote hoeveelheden cassave verzameld, om paiwarri te bereiden, want er zou feest geviNote 157 · En sedert dien tijd hebben de kannibalen zich nooit meer aan de Coppename vertoond.114Note 158 · Op zekeren dag opende de Aarde zich in het Westen, waar haar mond is. De Aarde brak open en de Cussitaws traden uit haar mond te voorschijn1Note 159 · Ten laatste kwam er een vuur uit het Noorden116, dat rood en geel was. Dit mengden zij met het vuur, dat zij van den berg hadden genomen en Note 160 · Zij vonden hier ook vier117 planten of wortels, die voor hen hunne deugden bezongen en openbaarden. Ten eerste: Pasaw, de ratelslangwortel; Note 161 · In dien tijd leefde er nu een groote vogel, blauw van kleur, met een lange staart en vlugger dan de arend. Deze vogel verscheen iederen dag Note 162 · Zij kruisten het pad nu in de richting der zonopkomst en kwamen bij een volk en aan een stad, Coosaw geheeten. Hier bleven zij vier jaar. DeNote 163 · Daar de leeuw gewoon was, om de zeven dagen een uit het volk te dooden, bleven zij, nadat zij het beest hadden gedood, nog zeven dagen op deNote 164 · Op deze plaats is een berg, Moterell geheeten, die een geluid maakt als een trom121. Zij denken, dat het volk daar nu woont. Aan alle kantenNote 165 · Zij wierpen steenen in de rivier om haar te kunnen overgaan, namen de stad, waarvan de bewoners platte hoofden hadden, en doodden allen op tNote 166 · Sedert dien tijd leven beide stammen eendrachtig samen. Één deel vestigde zich aan de eene oever der rivier, een ander deel aan de andere. D
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings