Note 78 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 3)
Reading edition
In den nacht bereikte het gezelschap het dorp en allen zochten dadelijk hunne hangmatten op. Den volgenden morgen droegen zij hun vrouwen op, de korven met krabben te gaan halen, die zij aan den waterkant hadden achter gelaten78. De vrouw van den luiaard, die de mand met palmpitten had gehaald, vroeg haar man, waar zijn krabben waren, en ontving ten antwoord, dat zij ze zou vinden op den bodem der manden en dat zij had te wachten, totdat de andere vrouwen de korven geledigd zouden hebben. Zij deed dit, maar toen zij geen krabben zag, ging zij met de korven naar haar moeder en liet haar zien, welk soort krabben haar man had thuis gebracht. De oude vrouw was daar weinig over gesticht en zei tot haar dochter: „Gooi het zoodje in een grooten pot, en kook het net zoo lang, tot de harde schillen barsten.” Alle vrouwen echter deelden van haar voorraad aan de teleurgestelde ieder een mand met krabben uit, maar op voorwaarde, dat zij er niets van aan haar man zou geven.