← Table of contents
Mythen en sagen uit West-Indië

II. West-Indische neger-folklore. (continued 2)

Reading edition

Heer Spin kwam met een zwarten bril op, en groette het gezin.—Zie blz. 287.
Heer Spin kwam met een zwarten bril op, en groette het gezin.—Zie blz. 287.

Heer Spin kwam met een zwarten bril op, en groette het gezin.—Zie blz. 287.

„Het is immers hongersnood, ik ben toch wel gek, voor andermans genoegen mijn longen uit te schreeuwen”.

Moeder eend wist niet, wie de geestelijke was en had hem hoog opgenomen.

Heer Spin verging van honger; hij liet zich daarom door het oudste kind den waterput aanwijzen, doch doodde het onderweg, at een gedeelte op en nam de rest mede naar huis.

Zoo deed hij dag aan dag, tot het geheele gezin op deze wijze verdwenen was.

Heer Spin ging toen overal preeken, maar toen hij het al te bont maakte, werd hij afgeranseld en verminkt.

De dieren hebben hem weggejaagd uit hun midden, waarom hij zijn intrek heeft genomen onder de menschen.

De kippen hebben wraak genomen, want zij eten iederen spin op, die zij tegen komen.

No. 11. Heer Spin als roeier.

Heer Spin ging in dienst bij een dorpshoofd als roeier op een boot, waarvan de bemanning uit 4 roeiers en een stuurman bestond.

Het Hoofd zei:

„Zoo gaat het niet, ik moet jelui namen weten”.

Elken dag zond het dorpshoofd een schotel met lekkere spijzen voor de bemanning van zijn boot.

Wanneer de bode aankwam, zei hij tot Spin:

„Tjari gi dem soema” dezelfde woorden, die zijn meester hem had gezegd.

Heer Spin nam geregeld het eten aan, daar de bode zijn naam noemde; hij at dan alles zelf op en zag er welvarend uit.

Eens op een dag wilde het dorpshoofd een reisje maken. Hij keek de uitgehongerde roeiers aan en zei:

„Hoe komt het, dat jelui niet roeien?”

„We zijn te zwak”.

„Zwak! Eten jelui dan niet?”

„Neen”, antwoordden drie der roeiers.

„En ik zend iederen dag voedsel!”

„Dat is zoo, maar anansi ontvangt het”.

„Is dat waar?”

„Eten jelui dan niet samen?”

„Neen, ik eet alleen, want U zendt het aan mij alleen”.

„Volstrekt niet! Ik zeg aan den bode: tjari gi dem soema”.

„Dat doet hij ook”.

„En je beweert, dat het voor jou alleen is”.

„Natuurlijk, voor wie anders?”

„Voor jelui allen”.

„Dat wist ik niet”.

„Wat wist je niet?”

„Dat de andere drie zoo heeten”.

„Wat?.… Wat?.… Ik begrijp je niet?”

„Ik heet immers: tjári gi dem soema, niet waar?”

„Ik heb me het voedsel niet toegeëigend! Uwe Excellentie heeft het aan mij alleen gezonden. U moet voortaan duidelijker instructies geven en zeggen, dat hetgeen U zendt bestemd is voor ons vieren of vijven, en niet tjári gi dem soema, want dat ben ik! Indien U het weêr doet, neem ik het ook weêr aan! Hebt U me verstaan?”

De drie roeiers en de stuurman gaven heer Spin een geducht pak slaag. Hij vluchtte en liet zijn kleedingstukken achter. Toen is hij gaan schuilen in hoeken en gaten en durft zich thans niet meer te vertoonen te midden der andere dieren.

De kakkerlak en zelfs de vliegen spotten met hem.

„Ik zal me wreken”, dacht heer Spin. Hij hing overal netten op, op eenigen afstand van den grond, om zijn vijanden te vangen.

Sedert dien tijd maakt de spin ijverig jacht op kakkerlakken en vliegen, en doodt ze, waar zij ze maar vinden kan.

No. 12. Spin neemt Tijger gevangen.

Brutale Spin ging op zekeren dag vriend Tijger bezoeken.

„Wat voor nieuws?”

„Niets”.

„Zeg mij toch, Spin, zou jij in staat zijn den tijger te berijden?”

„Of ik in staat ben een tijger te berijden? Wel natuurlijk! Ik zal jou berijden, zoodra je me maar de gelegenheid geeft”.

„Dat lieg je, kwast”.

„En ik zeg je, dat ik je op stal zal brengen en je gevangen zal nemen.—Neem je de weddenschap aan?”

„Zeker”.

„Wel, morgen ochtend om acht uur rijd ik je, zonder uitstel”.

Den volgenden morgen, omstreeks half acht, stond Heer Spin in Gouverneurs-uniform gereed en zette zich in het gras naast den weg, waar Tijger voorbij moest gaan. Toen hij hem aan zag komen, begon hij in het gras te rollen en te roepen, dat hij buikpijn had.

Tijger sprak hem aan:

„Jij zoudt me immers op dit uur berijden, niet?”

„Dat heb ik gezegd, dat is zoo, maar zonder na te denken. Jij kent mij toch met mijn bluffen. Hoe zou ik dat kunnen, ik arm, krachteloos dier, jou als rijdier gebruiken! Wees wijzer, heb medelijden met mij, ik verga van pijn, mijn aars* is heelemaal uitgekomen”.

De Spin had een rijstzak bij zich met hoofdstel, leidsels, zadel, enz. er in.

„Bekijk dezen zak, ik kan hem niet eens dragen, hoe zou ik jou kunnen berijden?”

Spin lag bewusteloos neêr.

„Vriend Tijger, kijk niet naar mij, luister niet naar mijne woorden, maar heb medelijden met mij, anders ga ik hier sterven; laat me op je rug gaan zitten”.

Tijger, die medelijden kreeg met hem, stond het hem toe.

Spin had veel moeite, om er op te komen.

„Mijn aars”, schreeuwde hij, „mijn anus doet me zoo’n pijn! Sta me toe, vriend, iets zachts op je rug te leggen, anders loop ik gevaar, dat mijn darmen geheel uitkomen”.

„Zooals je wilt”.

Spin zadelde Tijger, dat het de moeite waard was. „Men kan niet zitten zonder steun, niet waar vriend?”

„Houd dit priemetje in je bek. Vlug wat, wil je soms de baas gaan spelen voor mijn goedheid?”

„Welneen, vriend”.

„Gauw dan, want ik moet weg”.

Spin besteeg Tijger, die in galop wegholde.

Hij had zijn zin gekregen; hij zweepte Tijger, sloeg hem met de sporen, bracht hem voor het huis van het dorpshoofd en zei tegen den knecht:

„Neem mijn paard en breng het op stal”.

Men deed, wat hij vroeg, en Tijger werd in den stal opgesloten.

„Heb ik je niet gezegd, dat ik je zou berijden en gevangen nemen? Nu zit je in de kooi en je hebt er je zelf ingebracht, ezel die je bent” en heer Spin ging heen.

No. 13. Heer Spin en Hond.

Zeker dorpshoofd, heel goed met heer Spin bekend, nam zich voor, hem eens aan de kaak te stellen.

Hij liet twee koeien, een vette en een magere, in een stal plaatsen, die geheel gesloten was. De magere koe werd met trommelkoord, de andere met naaigaren vastgebonden; de twee uiteinden werden door een gaatje, dat in een der planken geboord was, heengestoken.

Heer Spin en vriend Hond werden daarop door het Hoofd uitgenoodigd.

„Ik heb twee koeien op stal”, zei deze, „een vette en een magere: de eene is vastgebonden met trommelkoord, de andere met naaigaren; neemt elk een van de uiteinden en ge moogt de koe, die er aan vastgebonden is, hebben”.

Heer Spin vloog naar den stal en nam het trommelkoord; Hond, die later kwam, moest zich met het naaigaren tevreden stellen.

Anansi meende, dat een flink beest niet met naaigaren vastgebonden kan worden en verheugde zich een goeden slag geslagen te hebben; doch toen de stal geopend werd, moest aan hem de magere en aan Hond de vette koe gegeven worden.

Heer Spin was daarmeê echter niet tevreden en stelde Hond voor, te verwisselen.

„Vriend, wees tevreden met je lot, ik voor mij ruil niet.”

„Goed, laat het dan zoo blijven; ik wil ook niet meer ruilen, ik ga mijn koe slachten”.

Heer Spin gaf aan Hond de lever en een stukje vleesch. Daarna togen zij samen op weg.

„Jij bent toch een onverdraagzame kerel, men kan met jou nooit eens een mop tappen”.

Hond liet zich dit niet zeggen en nam de lever weêr in zijn bek.

Eenige oogenblikken later begon heer Spin weêr:

„Geef me de lever terug”.

Hond deed andermaal wat hem gevraagd werd.

„Ik zal van mijn leven nooit meer een grap met jou hebben. Wat ben je dom!” zei Anansi.

Weder nam Hond de lever terug, ging toen wat drinken en slikte de lever in. Spin bemerkte het.

„Vriend, tot dusverre heb ik geschertst, maar nu is het ernst; geef me de lever terug, anders krijgen we ruzie”.

Doch Hond kon niet spreken, en knorde:

„Ik heb haar bij vergissing ingeslikt”.

„Bij vergissing ingeslikt! Ik moet die lever terug hebben, al zou je je eigen koe moeten slachten; ik moet haar terug hebben”.

Hond slachtte daarop zijn koe en gaf Anansi het gevraagde stuk. Daarop liep hij weg en maakte hij een groot gat, waarin hij zich verschool, om heer Spin zijn onhebbelijkheid betaald te zetten.

Toen Anansi aankwam, begon hij te knorren en liet hij de tanden zien. Heer Spin dacht, dat het de aarde was, die lachte; zette zijn koeroe-koeroe* neêr en sprak:

„Ik verzoek mijn vader, mij door te laten”.

Hond begon dof te blaffen.

„Gij verlangt zeker een stuk vleesch, niet?”

Heer Spin gooide een stuk vleesch naar beneden, doch Hond begon nog harder te blaffen. Anansi werd doodsbang.

„Wil je nog een stuk?”

Heer Spin wierp weêr een stuk, hetgeen hij herhaalde tot hij niets meer had. Toen liep hij naar het dorpshoofd, deelde hem het voorgevallene mede. Het hoofd wist, dat Anansi een leugenaar was, en geloofde het verhaal niet.

„Indien ik lieg, wil ik mijn hoofd verliezen”, riep Anansi.

Twintig soldaten gingen daarop met hem mede, maar ze zagen slechts een grooten kuil.

Toen men heer Spin gevangen wilde nemen, vluchtte hij in een reet en kwam er nooit meer uit.

Al is men nog zoo slim, toch kan men nog wel eens beetgenomen worden. Het spreekwoord zegt:

„Boontje komt om zijn loontje”.

No. 14. Tijger’s verjaardag.

Toen de verjaardag van den woudkoning naderde, werden alle dieren door hem uitgenoodigd, om dien dag met hem te komen doorbrengen.

Om twaalf uur zetten de dames en heeren zich aan tafel. Anansi stond op en nam het woord:

„De plaatsen zijn niet goed geregeld; het is niet zooals het zijn moet”.

„Hoezoo?” zei Tijger.

„Dat is niets, dat kan gemakkelijk hersteld worden”, zei Tijger.

„Ga hier zitten, naast je vriend Haan; er is nog een plaats open”.

„Dank je, dank je wel”, antwoordde Kakkerlak.

„Gaat nu niet twisten”, vermaande Tijger. „Indien gij reden hebt om te vechten, vecht dan, maar niet hier, en wees gerust, vriend Kakkerlak; de haan zal je niets doen; hij heeft geen enkele reden. Kijk me niet aan als een woedende stier; ik heb hem niets gezegd”.

„Hm!” zuchtte Kakkerlak.

„Prosit! heeren, op de gezondheid van Tijger”, begon heer Spin zijn rede, waarin hij alle goede hoedanigheden van zijn vriend deed uitkomen.

Daarna begon hij te eten en hitste hij den haan net zoo lang op, tot deze Kakkerlak oppikte.

Dit is de oorsprong van de vijandschap tusschen de kippen en de kakkerlakken. Anansi is er de oorzaak van. Toen de kippen hem echter leerden kennen, onderging hij hetzelfde lot.

No. 15. Spin voert den Dood in.

In vroeger tijden leefde de Dood niet onder de menschen, maar heer Spin lokte hem uit het bosch.

Op zekeren morgen ging Anansi als gewoonlijk naar het woud met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug en ging den Dood opzoeken:

... en ging den Dood opzoeken.—Zie blz. 295.
... en ging den Dood opzoeken.—Zie blz. 295.

… en ging den Dood opzoeken.—Zie blz. 295.

„.….”

„Ik groet U vriend!”

„.….”

„.….”

„Ik heb een mooie dochter, vriend, ik zal ze je tot vrouw geven!”

„.….”

Heer Spin vulde zijn koeroe-koeroe* en vertrok. Thuis gekomen, vertelde hij zijn vrouw, dat hij een vriend had gevonden, die alles voor hem over had, en dat hij hem zijn dochter Akoeba tot vrouw wilde geven.

Den volgenden dag herhaalde heer Spin zijn bezoek.

„Ik groet je, vriend Dood!”

„.….”

„Akoeba laat je groeten!”

„.….”

Heer Spin vulde weêr zijn koeroe-koeroe en ging weêr heen. Zoo kwam hij iederen dag terug, tot al het gedroogde vleesch op was. Den dag daarop kwam hij met zijn dochter Akoeba, die hij zijn vriend wilde voorstellen. Ook nu weêr had hij zijn korf meêgenomen.

„Dag vriend!”

„.….”

„Akoeba is je komen bezoeken!”

„.….”

„Akoeba groet je!”

„.….”

„Wil je haar dan niet hebben?”

De Dood stond op en velde haar met één slag neêr; daarna achtervolgde hij heer Spin, dien hij ook tot zich wilde nemen. Deze echter liep veel vlugger, en bereikte zijn huis schreeuwende:

„Schuilt! Daar komt de Dood!”

Niemand begreep hem, want de Dood was destijds niet bekend. Heer Spin verschool zich in een beslagruimte, en de Dood trad zijn woning binnen, waar hij zijn gansche gezin neêrvelde.

Toen de Dood weêr vertrokken was, kwam heer Spin uit zijn schuilplaats te voorschijn en zong hij:

Héli kóndre sa sóengoe!

Alla soema sa déde!

No. 16. Spin wedt, Tijger te berijden.

Men vertelt, dat op zekeren dag het dorpshoofd aan heer Spin gevraagd zou hebben of hij Tijger zou kunnen berijden.

„Wel zeker!”

„Waarlijk?” vroeg het Hoofd, niet kunnende begrijpen, dat Spin slim genoeg zou zijn, om Tijger te bemeesteren.

„Wacht een oogenblik”.

Spin ging naar huis en vroeg zijn vrouw:

„Heb jij soms die bedorven eieren, die niet zijn uitgebroed, weggegooid?”

„Neen!”

„Waar zijn ze dan? Ik zoek me dood en vind ze niet”.

„Nooit kan je iets zoeken of je moet me uitschelden!”

„Haal ze dan!”

„Liever had je me alle bedorven eieren meêgebracht! Ik vraag er één en je brengt er een half dozijn mede”.

Spin nam een ei en begaf zich naar de woning van vriend Tijger. Toen hij het huis naderde, stak hij het ei in den mond tegen zijn wang en hield zich ziek.

„Goeden morgen, vriend, wat scheelt jou? Ben je ziek?”

Toen bemerkende, dat zijn mond rook, vroeg Tijger:

„Wat scheelt er toch aan, vriend Spin, je mond stinkt”.

„Dat geloof ik graag, want ik heb hier iets in den hals; precies weet ik niet, wat het is, maar het moet een abces zijn”.

Anansi zuchtte en zakte ineen. Tijger hielp hem opstaan en liet hem plaats nemen op een bank.

„Vriend Tijger, gaat ge naar de stad?”

„Ja, maar voorloopig nog niet”.

„Hm.….”

„Had je mij misschien iets te vragen?”

„Ja”.

„Wat dan, mijn vriend”.

„Ik wilde je vragen, of je het misschien zou willen doen”.

„Zeg het gerust; ik wil je graag van dienst zijn, want ik beklaag je in dezen toestand”.

„Wel, ik wou je verzoeken, als je naar de stad ging, me op je rug te nemen, want ik kan niet loopen. Ik ben niet zwaar, dat weet je”.

„Met genoegen, vriend. Laten we dan dadelijk gaan; misschien tref je den dokter nog thuis op dit uur”.

Heer Spin was zóó zwak, dat Tijger hem buitenshuis moest leiden en hem op zijn rug plaatsen.

„Zit je goed?”

„Ja, maar je ruggegraat doet me pijn; zou ik er een kussentje op mogen leggen?”

„Zeker”.

Spin zette het zadel vast.

„Zit je nu goed?”

„Ik schommel een beetje. Ik vrees, dat ik zal vallen, als je begint te loopen. Zou je dit touwtje niet in je mond kunnen houden? Het is ook niet alles voor een zieke, om te zitten zonder steun”.

„Zeer zeker niet, vriend”.

Spin hield de leidsels vast, toen Tijger begon te loopen.

„Wacht nog even; geef me eerst een zweep om de vliegen weg te jagen”.

Tijger begon te draven, Spin stuurde hem recht op de woning van het dorpshoofd aan, zweepte Tijger, dat hij ervan kraakte en iedereen klapte in de handen.

No. 17. Verhaal uit het leven van vriend Spin.

Alvorens het verhaal te beginnen zal ik U een raadsel opgeven:

De deur van het kantoor was gesloten, er werd uit het kantoor geld vermist; zoo niet de bediende, dan is mevrouw een schurk.…

Broeders, laat ons het hierbij laten.

„Maar man, begin dan toch, de avond gaat geheel verloren”.

Eertijds, d.i. sedert onheugelijke tijden, toen de dieren nog spraken.…

Nu ga ik U een verhaal doen van vriend Spin en vriend Olifant.

Wij weten allen, dat vriend Olifant niet iemand is om meê te spotten, en dat hij een krachtig en sterk dier is.

Op zekeren morgen kwam vriend Spin, verregaand onbeschaamdweg vriend Olifant voorstellen, om met hem een weddenschap aan te gaan, wie van hen beiden de sterkste zou blijken te zijn.

Olifant dacht er niet verder over na, of hem misschien ook een strik gespannen werd. Hij sprong op, stak zijn langen snuit in de lucht en lachte zóó hartelijk, dat de kleine tandjes, die God de Heer hem gaf, om zijn oogen en ooren schoon te maken, te zien kwamen.

Vriend Spin draaide zijn knevels op, streek zijn baard, likte zich de lippen en ging heen, om de list, die hij zou aanwenden, Olifant het af te winnen, te overpeinzen. Tienmaal sloeg hij zich voor het hoofd en stampte hij met zijn grooten zwaren schoen tegen den grond, om een middel te bedenken, om dezen grooten woudbewoner beet te nemen. Toen het schemerde, ging vriend Spin aan het strand en floot hij, om de grootste visch van de Spaansche groene zee tot zich te roepen; deze visch heet Walvisch.

Een kwartiertje daarna begon de zee onstuimig te worden en schoten de golven als bergen omhoog, terwijl deze opspoten als een vulkaan, die uit zijn kraters lava en asch werpt.

Walvisch kwam aan wal.

Vriend Spin schrikte vreeselijk en beefde van zijn hoofd tot zijn teenen; een rilling ging door zijn leden, en met tranen in de oogen verzocht hij Walvisch, hem aldus aansprekende: „Ik ben een arm klein ding te midden van alle andere schepselen en ben toch in een bittere verzoeking gevallen. Ach, moeder der zee, gij alleen kunt mij helpen en niemand anders ter wereld”.

„Spin, jou kwajongen, je zanikt; sedert je me aan wal geroepen hebt, doe je niets dan smeeken en tot nu toe heb je niets gezegd”.

„Eerwaardige, ontferm u over mij, rampzalige! Ach, daar God het wil, zal ik beginnen:

Vriend Olifant ontmoette mij op een hoek van Quatre-Bras, juist op de plek, waar de slag het hevigst was, die daar door vriend Napoleon werd geleverd.

Wij spraken over dien slag en hij verdiepte zich in herinneringen, toen, omdat vriend Olifant Engelschman is, hij plotseling woest en driftig werd. Hij wilde mij slaan, maar gelukkig voor mij, dat ik klein ben, want ik maakte me uit de voeten en verborg me. In mijne verontwaardiging heb ik gescholden op alle grooten der aarde en der zee”.

„Jou kwajongen, voor mij hebt gij geen eerbied; ik zal je dat betaald zetten”.

Wij allen weten, hoe slim Spin is.

Hij ging toen ook met Walvisch een weddenschap aan, zeggende: „Wel groote bewoner der zee; ik ga een lang en sterk kabeltouw leenen; daarvan zult gij het eene eind om uw middel slaan en het andere zal ik, aan wal blijvende, om mijn middel binden; dan zullen wij op een gegeven teeken aan het trekken gaan; brengt gij mij in zee, dan.… doch breng ik je aan land dan … is hij, die het wint de sterkste van ons beiden.

Maar vóór alles, sta mij toe, van mijn vrouw en kinderen afscheid te gaan nemen”.

Moeder Walvisch dacht er ook niet verder over na en zei: „ja, het is goed.

„Twee dagen na heden zullen wij den strijd aanbinden te omstreeks drie uur, drie minuten en eenige seconden”.

Hierdoor vond Spin tijd en gelegenheid, om naar Olifant toe te gaan en dezen onbeschaamdweg uit te dagen.

Olifant, ofschoon geen onbeduidende, sprong op en zei: „het is goed, jou vagebond van een kleinen kwajongen, ik zal je doen zien, wie sterker is”.

Olifant vroeg: „op welke wijze zullen wij de weddenschap aangaan?”

„Olifant, ik zal een kabeltouw om uw middel binden en gij zult midden in het bosch blijven, terwijl ik aan het strand zal gaan staan, met het andere eind van het touw om mijn middel gebonden, en dan zullen wij op een te geven teeken naar elkander toe gaan trekken en hij, die den ander naar zich toetrekt, zal overwinnaar zijn en het recht hebben te eischen, wat hem gelieft”.

Welnu, Broeders en Zusters, wat denkt ge, dat Spin gedaan heeft? Hij wacht af tot op het oogenblik, dat met Walvisch was overeengekomen. Toen gaat hij met een tros kabeltouw van 100 meter lengte naar Walvisch toe en bindt dit om diens middel, keert terug en bindt het aan het andere eind om Olifant’s middel, plaatst zijn broeder, overeenkomstig een met hem gemaakte afspraak, in het midden, om het sein tot den strijd te geven en verwijdert zich in de richting van het strand, zijn broeder toeroepende, dat hij alleen te roepen had: „het is tijd”.

Toen het uur van den strijd gekomen was, riep de broeder van Spin: „het is tijd”.

Olifant en Walvisch begonnen nu, in tegenovergestelde richting zich bewegende, te trekken: Walvisch in zee en Olifant op land, zoodat geen van beiden den andere kon zien. Dit heen en weêr trekken duurde geruimen tijd, zonder dat deze twee gevaarten elkander konden zien of op elkander iets winnen.

Olifant was hierover verbaasd en kon er zich geen denkbeeld van vormen. Tot zijn geluk kwam zijn jonge zuster daar langs, die zag, dat het kabeltouw van het water uit getrokken werd en dat de zee zeer onstuimig was.

Spin, die ook geen gek was, bemerkte hoe het zusje van Olifant dit alles gadesloeg, en, uit vrees dat zij dit haar broeder zou gaan mededeelen, maakte hij zich onmiddellijk uit de voeten. Hij vluchtte het bosch in en ging zich verbergen in het skelet van een olifant; want hij voorzag, wat hem te wachten stond.

Het zusje van Olifant ging naar haar broeder toe en zei tot dezen: „Jou gek, het is niet Spin, maar Walvisch in de zee, die aan het touw trekt en daardoor is voor jou de kans op winnen verkeken”. Onmiddellijk daarop zond Olifant aan Walvisch een boodschap, hem daarbij alles mededeelende. Onmiddellijk ontdeden zij zich beiden van het kabeltouw.

Zij dienden een klacht in tegen Spin bij het Boschgerecht; maar Spin, slimmer dan beiden te zamen, had zich den tijd benuttigd, om een huwelijk aan te gaan met de Prinses van het land, zoodat hij niet meer voor het Boschgerecht kon worden betrokken.

Welnu, Broeders en Zusters, leert hieruit, dat het niet aangaat dat grooten der aarde zich met hun minderen inlaten.

Vriend, nu de beurt aan jou!

No. 18. Anansi als Amerikaan verkleed.

Heer Spin was getrouwd met ’Ma Akoeba. Hij werd gezegend met een twaalftal kinderen en moest hard werken, om zijn gezin te kunnen onderhouden. Moeder de vrouw, die een liefhebster was van pluimvee, hield er een heele fokkerij op na.

Spin, door zorgen ter neêr gedrukt, stelde alles in het werk, om er wat van machtig te worden. Het mocht hem echter niet lukken. Toen bedacht hij de volgende list.

Heer Spin wist, dat zijn echtgenoote bang was voor blanken, voornamelijk voor Amerikanen, die zij voor gevaarlijke menschen hield.

Hij deelde haar nu mede, dat een Amerikaansch kapitein ’s avonds om zeven uur zou komen soupeeren, en zei haar, dat alles dan klaar moest zijn.

Even over zessen ging heer Spin uit om te wandelen, en klokslag zeven kwam hij als Amerikaan verkleed terug.

„Good evening”.

De kapitein at naar hartelust; en toen hij klaar was, zei hij op woesten toon tegen ’Ma Akoeba:

„Zeg tegen Anansi als hij thuis komt, dat ik op hem ben blijven wachten, maar dat ik eindelijk ben weggegaan, toen hij niet kwam opdagen; morgen kom ik weêr en dan hoop ik hem aan te treffen. Bedank hem vast voor het goede onthaal.”

’Ma Akoeba, niet beter wetende, groette hem vriendelijk, waarna hij vertrok.

Heer Spin ontdeed zich van zijn Amerikaansch kostuum, en kwam na een half uur weêr thuis.

’Ma Akoeba, nog niet bekomen van den schrik, deelde haar echtgenoot het voorgevallene mede en verzocht hem, den volgenden dag niet uit te gaan, uit vrees voor den Amerikaan.

„Waarom bang te zijn, kind, hij is toch een mensch als jij.

„Je hebt hem toch goed onthaald, hoop ik?”

„Mensch, je kent je wereld niet, anders had je je wel duizendmaal bedacht, voor je zoo iets zei”.

„Hoe? Ken ik mijn wereld niet”, antwoordde Akoeba bits, die niet op haar mondje gevallen was.

„Je begrijpt toch wel, dat hij niet zooveel gegeten zou hebben, als het hem niet gesmaakt had, dat is juist een aanbeveling voor je, moedertje! Hij is een echte Amerikaan; het spijt me geducht, dat ik niet thuis was. Heeft hij niet naar whisky gevraagd?” voegde Spin er bij.

„Neen, maar doe me een genoegen en breng dien man niet meer in huis”.

Heer Spin zette de list voort en verscheen elken avond als Amerikaan verkleed, tot hij op een zekeren dag met een tamarinde-zweep werd afgeranseld.

... tot hij op zekeren dag met een tamarinde-zweep werd afgeranseld.—Zie blz. 305.
... tot hij op zekeren dag met een tamarinde-zweep werd afgeranseld.—Zie blz. 305.

… tot hij op zekeren dag met een tamarinde-zweep werd afgeranseld.—Zie blz. 305.

Anansi, die geen pijn kon verdragen, schreeuwde het uit en riep „’Ma Akoeba, sla me niet, ik ben immers maar Anansi, je echtgenoot”.

’Ma Akoeba geloofde hem niet en sloeg maar door. Als iemand het tooneel gezien had, zou hij medelijden gehad hebben met heer Spin; want op het laatst kreeg hij een zóó harden zweepslag over het middenlijf, dat hij haast in tweeën gesneden werd. Van dit oogenblik moest de spin met een in tweeën gekloofd lichaam loopen.

No. 19. Heer Spin en de Waternimf.

Heer Spin was de beste vriend van de waternimf.

Eens ging hij haar in de rivier opzoeken op het oogenblik, dat zij bezig was haar maal klaar te maken.

„Ga voort met koken, ik eet bij U van daag”.

„Dat kan wel; deze korrel rijst is genoeg voor ons beiden. Maar, een oogenblik, heer Spin, ik ga bij den slager wat vleesch halen”.

Nauwelijks was de waternimf vertrokken, of heer Spin deed er nog twee rijstkorrels bij; en ziet, de inhoud van den pot begon te koken en vermenigvuldigde zich zoodanig, dat de rijst over den rand heen liep.

Heer Spin begon te eten tot hij niet meer kon.

Toen zette hij den pot op zijn hoofd en liep hij weg.

„Die pot zal op je hoofd blijven zitten, tot de smid hem er afslaat”.

Toen heer Spin weêr honger kreeg, trachtte hij te vergeefs den pot van zijn hoofd te krijgen. Eindelijk liep hij tegen een boom, de pot sprong in tweeën, maar de bodem bleef vastzitten. Men kan dit thans nog zien, wanneer men den kop der spin bekijkt.

No. 20. Anansi, Hert en Kikvorsch.

Hert en Kikvorsch waren vrienden. Zij gingen wel eens samen uit, doch niet dikwijls.

Eens toen Hert in een weelderig woud aan het eten was, kwam vriend Kikvorsch uit zijn poel, groette zijn vriend, vroeg naar zijn gezondheid en waar hij heen ging.

„Waarom vraag je me dat?”

„Wel, ik verga van honger en wilde eens gaan uitzien; misschien zouden we samen wat versch vleesch kunnen vinden”.

„Hm!”

„Kijk.… kijk.… daar.… een.… ee.… een.… sch.…. schaap,” stotterde Kikvorsch en stelde zijn vriend voor, het te slachten.

„Ik wil niets met jou te maken hebben, je mond kan nooit stilstaan”.

„Wat.… wat.… zeg je?”

„Wat of ik zeg. Heb je me niet gehoord? Zit er nog water in je ooren?”

„Ik ben toch niet gek! Denk je soms, dat ik me zou verraden en jou er bij? Neen, hoor, dan ken je me niet”.

Kikvorsch haalde Hert over en samen slachtten zij het schaap.

„Nu opgepast, hoor”.

Zij liepen samen verder en ontmoetten heer Spin.

In de woning van heer Spin gekomen, verzocht Kikvorsch hem om wat water.

„Wat ruiken jullie lekker; het schijnt, dat de heeren gesmuld hebben”, zei Spin.

Kikvorsch keek zijn vriend aan, terwijl zijn mond slechts open en dicht ging volgens gewoonte.

„Wat scheelt je, vriend?”

Spin viel hem in de rede met:

„Misschien wil hij wat zeggen”.

„Neen hij heeft dorst, daarom slaat zijn mond zoo”.

Zoo trachtte vriend Hert het te plooien.

„Neen, neen, hij heeft wat op het geweten, ik zie het aan zijn gezicht … Kijk, hij wordt bleek!”

Hert begreep, dat alles nu verloren was.

„Man, wat scheelt je toch, ben je gek? Waarom sla je je bek als een dolle gans?”

„Waarom word je toch kwaad? Ik sla mijn bek, pah.… pah.… pah.… maar ik zeg immers niet, dat we het schaap geslacht hebben”.

„Heb ik het niet gezegd”, riep Spin uit.

Hij gaf Kikvorsch wat water en joeg hem op staanden voet weg.

Tódo vluchtte naar een afgelegen plek. Van dien tijd af houdt hij zich steeds schuil, uit angst voor heer Spin. Heeft hij honger, dan kwaakt hij, doch vinden kan men hem niet.

Dit alles is de schuld van heer Spin.

No. 21. Heer Spin als landbouwer.

In het dorp, waar heer Spin woonde, werden perceelen uitgegeven tot uitbreiding van den kleinen landbouw.

Tijger was als hoofd van dat dorp aangesteld geworden; hij gaf elk dier, tot zelfs Konijn en Spin, zijn stuk land, op voorwaarde echter, dat ieder eenige uren aan de bebouwing van zijn akker zou besteden.

Daar ontmoette hij Konijn en Tijger; en na zich te hebben neêrgezet, begon hij op een oud houweel te slaan, al zingende:

Timekoe, timekoe!

Tijger, Konijn en alle andere dieren dansten dan tot ze er bij neêrvielen, doch op het laatst werd het zóó slim, dat velen wegbleven, ook Konijn.

Doch Tijger bemoeide zich met de zaak. Eenige dagen daarna kwam Konijn hem mededeelen, dat hij een abces in den mond had. Er verliepen zoo eenige dagen, zonder dat Konijn kwam opdagen, tot Tijger, het wachten moede, besloot, zelf Konijn te gaan halen. Onderweg ontmoette hij een oude vrouw, die hem vertelde, dat Konijn niet ziek was, maar een ei in den mond hield, op aanraden van heer Spin.

Tijger trad de woning van Konijn binnen, groette hem en vroeg hem, wanneer hij zijn arbeid dacht te hervatten.

„De dokter komt mij morgen opereeren!” antwoordde Konijn.

Maar Tijger, wel beter wetende, gaf hem zulk een slag, dat het ei uit zijn mond viel. Konijn maakte zich uit de voeten en kroop in een hollen boom. Tijger nam toen een langen bamboestok, waaraan hij een haak bevestigde, en trachtte zich op deze wijze van Konijn meester te maken.

Trof de haak Konijn, dan schreeuwde hij:

„Doe je best, haal op!”

Trof de haak het hout, dan klonk het jammerlijk van uit den boom:

„Je doet me pijn, ach! ik ga dood!”

Eindelijk slaagde Tijger er in, Konijn te vangen.

„Nu ga je sterven!” brulde Tijger.

„Vergiffenis meester, erbarmen!”

„Ik zal je in ’t vuur gooien!”

„O dank! dank! dan vind ik mijn geheele familie terug! Dank, dank, ja, gooi me in ’t vuur!”

„Dan ga ik dood! Neen, liever in het vuur”.

Tijger nam Konijn op, en wierp hem in de kapoewéri.

„Dom dier”, snauwde Konijn Tijger toe, „weet je dan niet, dat ik zou sterven in het vuur, ezel!”

Tijger droop beschaamd af en ontmoette heer Spin.

„Schaam je je niet, dat je je hebt laten beetnemen door een konijn? Ik heb het nooit willen gelooven, maar nu weet ik, dat je een ezel bent”, zei Spin.

Sedert dien dag zijn Tijger en Konijn geslagen vijanden en Heer Spin is de oorzaak van hun tweedracht.

No. 22. Anansi en de Bliksem.

Spin en Bliksem waren goede vrienden; zij bezochten elkaar dikwijls.

Eens, toen zij elkaar ontmoetten, ving heer Spin met deze woorden aan:

„Waarde vriend, ik weet dat Gij het goed meent met mij, evenals ik met U. Ik heb een klein verzoek, en vreesde dat Gij het mij kwalijk genomen zoudet hebben, indien ik aan een andermans deur was gaan aankloppen. Daarom wil ik U niet voorbijgaan en het verzoek eerst tot U richten”.

„Spreek, ik houd niet van dralen! Wat ik doe, moet heel gauw geschieden, dat weet Ge zelf het best”.

„Wel, ik heb wat geld noodig”.

„Hoeveel?”

„Ongeveer 10,000 gulden”.

„Wanneer krijg ik het terug, als ik het U leen?”

„Na verloop van een jaar”.

„Goed. Hier zijn 10,000 gulden. Als ik ze vandaag over een jaar niet terug heb, verpletter ik je”.

„Ge krijgt het vast terug, misschien eerder nog”.

„Dus, Anansi, vandaag over een jaar?”

„Uiterlijk, ja misschien vroeger”.

Toen het jaar op een dag na verstreken was, haalde heer Spin een groote hoeveelheid aardvruchten op zijn veld, bracht ze ’Ma Akoeba en gelastte haar, een flinke hoeveelheid er van klaar te maken.

„Ik ga even naar het bosch, ik kom aanstonds terug”, zei Anansi.

De twee vrienden bezochten elkaar gewoonlijk te middernacht. Heer Spin wist dus, dat Bliksem des nachts zou komen en daar hij geen geld had, bedacht hij een list.

Door het bosch gaande, zag hij een haas*, die bezig was aardvruchten uit te graven.

„Jongen, dat beetje geld, dat je vader je nagelaten heeft, heb je ook al door de vingers gemaakt; moet je nu je verdere leven doorbrengen met stelen? Je maakt me beschaamd. Als je honger hebt, kom dan meê naar huis. Je oude heer zal je toch zeker wel eens over mij gesproken hebben?”

„Nooit, Oom. Wel heeft hij ons verteld van dien Spin, die de menschen zoo weet beet te nemen”.

„Ja, dat is een gladde kerel; ik wil ook niets meer met hem te maken hebben. Ik ben verplicht geweest, hem de deur te wijzen; hij zou iemand in het verderf kunnen storten. Er bestaan geen twee zooals hij op aarde”.

Heer Spin bracht zijn nieuwen neef thuis en zei tegen ’Ma Akoeba:

„Hier is de zoon van wijlen mijn broeder, geef hem een bord eten”.

Het uur van de terugbetaling naderde met rassche schreden. Om kwart voor twaalf ging Anansi de haas, die op de galerij was blijven slapen, wakker maken.

„Aanstonds komt iemand mij iets brengen. Het is een mijner buitenvrouwen. Antwoord jij dan, als ze: Anansi roept, maar zorg er voor, dat je tante niets merkt.”

Toen het twaalf uur sloeg, naderde Bliksem het huis van Anansi. Hij klopte: kokoko! en riep:

„Anansi!”

Het arme haasje, dat niet wist wat gaande was, zei:

„Ja”.

„Het geld!”

„Welk geld?”

En met één flikkering werd de onschuldige gedood.

Den volgenden dag vernam Bliksem van zijn zoon, dat Anansi nog levend was.

„Wat! Anansi nog levend! En ik heb hem gisteren avond zoo’n zwaren slag toegebracht. Ik zal van nacht teruggaan en hem toonen wie ik ben”.

Heer Spin vernam dit alles. Muren en deuren hebben immers ooren en de spin leeft in beslagruimten!

Hij ging weêr naar het woud en ontmoette Hert.

„Jij doet niet anders dan stelen, schaam je je niet? Ga met me meê naar huis, en eet met mij”. Hert ging mee.

Toen zij thuis waren gekomen, zei Spin:

„Blijf hier slapen, je kunt dan morgen weggaan, je bent hier toch bij bloedverwanten, niet waar?”

Even vóór twaalf uur ging Spin Hert wakker maken en verzocht hem voor hem te willen antwoorden, indien iemand kwam en „Anansi” riep.

Vijf minuten vóór twaalf kwam Bliksem met flikkerende stralen aan de deur kloppen, terwijl Spin en zijn vrouwtje rustig in Morpheus’ armen lagen.

„Anansi!”

„Ja”.

Bliksem sloeg het edel hertje met zijn harde hand verpletterd neêr.

Den volgenden dag sprak Bliksem tot zijn zoon:

„Nu, heb ik hem goed getroffen?”

„Wel neen, Papa, het was Anansi niet”.

„Wie dan?”

„Hert”.

„Ik zal van nacht weêr naar hem toegaan”, antwoordde Bliksem opgewonden, vol verbittering, dat hij Anansi maar niet kon treffen.

Dit hoorende, begaf heer Spin zich op weg, om Schildpad te bezoeken, die hij in het water aantrof.

„Vriend, pas op, je krijgt nog buikpijn, kom aan wal! Heb je het niet koud?”

„Ja”.

„Kom dan met me meê naar huis en breng een paar dagen bij ons door. Ware vriendschap vergaat niet en de eene hand moet de andere afwasschen, niet waar?”

Na deze toespraak kon Schildpad onmogelijk weigeren. Hij vergezelde zijn vriend naar huis, at, en begaf zich daarna op de galerij, om er de nacht door te brengen.

Arme Schildpad, van den keizer geen kwaad wetende, antwoordde „ja” op de vraag van Bliksem en werd oogenblikkelijk zijn slachtoffer.

Maanden achtereen liet Spin deze list duren.

Toen echter geen enkel dier zich meer bij hem aan huis dorst te wagen, ging hij zijn neef Vos opzoeken.

„Dag, beste neef, hoe gaat het jou, jongen?”

„Ik ben wel, Oom”.

„Sedert den dood van je vrouw, mijn nicht, heb je blijkbaar de heele familie den rug toegekeerd”.

„Wel neen, waarde Oom”.

„Dat is moeilijk vooruit te bepalen. Ik heb vrouw en kinderen.….”

„Heb je een vrouw en kinderen! Hm! je bent door en door gemeen! Je hebt mij niet eens als familielid gerekend, niets laten weten, noch van je huwelijk, noch van de dooppartij der kinderen.

Vos dacht: op een trouwpartij valt veel lekkers te eten; bij een dooppartij ook; zoo’n gulzigaard! Maar hij krijgt me niet! Gelukkig heb ik alles gehoord, ik ga niet met hem meê—hij zal zelf antwoorden, als Bliksem komt.

„Neen, dank U, slimme Oom”.

„Wat! Slimme Oom! Had jij zoo durven spreken tegen wijlen je vader? Ik ben de eenigste in uw midden, die zorgen kan en zorgen moet, dat de familie blijft bestaan”.

„Nu, goed, ik ga meê, maar ik ga niet naar binnen”.

Zij begaven zich op weg, maar oom Spin wist neef toch over te halen naar binnen te gaan en ook den nacht bij hem door te brengen.

Om half twaalf kwam Spin zijn neef verzoeken, voor hem te willen antwoordden, indien men hem kwam roepen.

„Wel neen, Oom, dat doe ik niet, ik ben toch niet gek. Als men mij roept, dan eerst antwoord ik, anders niet.”

Heer Spin kon hem niet overtuigen.

Vos groef haastig een gat onder het huis, om zich daarin te kunnen verschuilen.

Bliksem kwam:

„Anansi! Anansi!”

„Antwoord toch, Oom!”

„Neen, jij moet antwoorden; ik kan niet—ik ben zoo schor.”

„Dat is wel heel plotseling gekomen”.

„Treuzel niet, antwoord maar … ja”.

„Neen, dat doe ik niet”.

Vos krop in het hol. Bliksem barstte los, aan donder gepaard en vernietigde de gansche familie Spin.

No. 23. Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben.

Hij ging naar het paleis, teneinde den Koning zijn voornemen mede te deelen.

Maar vóór de poort van het paleis gekomen, begon hij met den mond een zuigende beweging te maken, net als iemand doet, die door het gebruik van pepers den mond gebrand heeft. Ook in bijzijn van den Koning bleef Anansi deze beweging herhalen, waarmeê hij wou doen uitkomen, dat dit zoo een gewoonte van hem was.

Toen de Koning vernam, waarvoor Ba’ Anansi gekomen was, zei hij minachtend: „nu al sta je zoo „sssh”, „sssh” te maken, wat zal je straks doen, als je pepers eet?”

Ba’ Anansi verklaarde hierop: „daar moet U niet op letten, mijn Koning, want het is een oude gewoonte van mij, die ik door het vele peper eten aangeleerd heb”.

De Koning gebood daarna zijn ondergeschikten, een groote mand met pepers te brengen, waarna hij Ba’ Anansi verlof gaf, met de proef te beginnen. Ba’ Anansi zette zich ook naast de mand neêr en het gelukte hem, al de pepers daarin op te eten. Natuurlijk brandden de pepers hevig en koelde hij ook voortdurend den mond af met frissche lucht, zoo „sssh, sssh”. Maar telkens als de Koning dit opmerkte, beweerde Ba’ Anansi, dat het zijn oude gewoonte was, gelijk hij reeds gezegd had. Ook werkten de pepers slecht op Ba’ Anansi’s spijsvertering, zoodat hij zich dikwijls moest verwijderen. Het gevolg van al dat pepereten was, dat Anansi een hevige darmontsteking kreeg en de endeldarm voor een deel uit zijn lichaam trad en veel geleek op een groot, rood gezwel.

Ba’ Anansi liet den Koning niets van dit alles merken. Hij zei slechts, dat de peperproef hem zijn gewoonte om zoo „sssh, sssh” te maken, geheel had afgeleerd, en dat hij er ook een grooten afkeer van pepers door had gekregen, waarom hij ze nooit meer zou eten. De Koning vond dit zeer begrijpelijk; hij prees Ba’ Anansi als den moedigsten man van het land. Hij gaf hem met pleizier zijn dochter ten huwelijk en een rijken bruidschat.

Na het huwelijk bracht Ba’ Anansi de prinses naar zijn woning, die hij met ’s Konings geld zoo weelderig mogelijk had ingericht. En daar deed hij al wat zijn koninklijk vrouwtje maar verlangde. Zij leefden dan ook geruimen tijd gelukkig met elkander.

Doch Ba’ Anansi ging elken morgen vóór zonsopgang uit en keerde niet eerder weêr, dan wanneer de zon reeds hoog aan den hemel stond.

Als de prinses informeerde, waar hij was geweest, antwoordde Ba’ Anansi steeds ontwijkend en gaf hij tevens te kennen, dat hij niet wou nagegaan worden.

Door nieuwsgierigheid gedreven, volgde de prinses op zekeren morgen Ba’ Anansi ongemerkt op diens geheimzinnigen tocht, ten einde hem te bespieden. Ba’ Anansi liep regelrecht naar het zeestrand en beklom daar een hoogen rots, waar hij zich uitkleedde en zijn zitvlak naar de opkomende zon toekeerde, ten einde de verzwering zoo te kunnen genezen.

Haastig kleedde Anansi zich weêr aan, klom van den rots en voegde zich schijnbaar kalm bij de prinses, zeggende: „Wat doe je zoo doen, mijn prinsesje, wil je voor niemendal de geheele buurt in opschudding brengen met je gegil?”

De prinses verklaarde toen, dat zij bij het zien van het groote, roode gezwel hevig geschrokken was en dacht, dat hem een ongeluk was overkomen. Anansi antwoordde: „maar mijn schat, als een man groot is, moet zijn zitvlak er zoo uitzien; vraag het maar aan je vader, als je me niet gelooft”. Hij bezat intusschen de zekerheid, dat Zijne Majesteit op reis was.

De prinses, die niet wist, dat de Koning afwezig was, begaf zich naar het paleis, ten einde haar vader te vragen, of Anansi wel de waarheid had gesproken.

Nauwelijks was zij verdwenen, of Ba’ Anansi nam een korteren weg door het bosch naar ’s Konings woning, waar hij vóór zijn vrouw aankwam.

Als schoonzoon van den Koning liet men Ba’ Anansi overal in het paleis toe, zoodat hij zonder moeite in ’s Konings slaapkamer kwam. Daar ging hij op het bed liggen en bedekte zijn geheele lichaam met dekens, behalve de roode plek in kwestie, die duidelijk te zien was.

Toen begon hij het gesnork van den Koning na te bootsen. Anansi wist, dat de Koning er een hekel aan had, in den slaap gestoord te worden en dat zijn vrouw dit, uit eerbied voor haar vader, ook niet zou doen.

Zoo wachtte Ba’ Anansi op de prinses. Deze trad even later ook de kamer binnen, waar zij hardop tot zich zelf sprak, zóó dat Ba’ Anansi het duidelijk verstond: „Ach, mijn vader slaapt, maar kijk, hij heeft net zulk een roode plek als Ba’ Anansi. Ik behoef hem niet wakker te maken. Anansi had dus gelijk en ik zal hem verontschuldiging moeten vragen voor mijn wangedrag”.—Zoodra de prinses zich verwijderd had, sprong Ba’ Anansi het bed uit, kleedde zich aan en snelde langs den korteren weg naar huis terug, waar hij voor het venster plaats nam.

Na een poosje kwam de prinses aanzetten en vroeg hem weenend om vergiffenis. „Vergeef mij, mijn schat Ba’ Anansi, dat ik je gewantrouwd heb, ik zal het nooit meer doen, maar in mijn onschuld heb ik niet kunnen gelooven, dat dit zoo bij alle mannen was.”

Daarop beloofde Ba’ Anansi zijn prinses te zullen vergeven, mits zij den Koning niets van het voorgevallene vertelde. Het paste een dochter niet, met den vader over zulke dingen te spreken. De prinses zwoer daarop, dat zij geen woord meer over het gebeurde zou reppen.

Toen omhelsde Ba’ Anansi zijn prinses en het geschil werd zoo in der minne opgelost.

No. 24. Hoe Anansi aan schapenvleesch wist te komen.

’Ma Akoeba, de vrouw van Spin, was eigenares van verscheidene eenden en kippen, die ze trouw verzorgde. Maar de trots van haar kweekerij was een groot schaap, vet als een varken en met een vacht, zoo wit als een ijsbeer. Ieder, die ’Ma Akoeba een bezoek bracht, bewonderde het mooie dier.

Doch de gulzige Anansi, die graag zich te goed had gedaan aan de vette schapenbouten, schold steeds op het dier.

„Zoo’n schreeuwleelijk heb ik nog nooit gezien”, zei hij. „Het schaap blert den ganschen dag als een baby, die geen melk genoeg krijgt. Als ik jou was, vrouw, slachtte ik het schaap”.

Maar ’Ma Akoeba wilde daarvan niets weten.

Al maanden pijnigde Anansi zijn hersens er meê, op welke manier hij het schapenvleesch toch zou kunnen bemachtigen.

Eindelijk, na een zeer onrustigen nacht, had hij zijn plan gemaakt.

Hij stond ’s morgens niet op en kreunde in zijn bed als een oude zieke man. Hij liet zijn lichaam trillen, zoodat zijn vrouw dacht, dat hij koorts had.

„Wat scheelt je toch?” vroeg ze. „Je doet zoo vreemd. Heb je koorts?”

„Neen”, antwoordde Anansi, „maar ik voel me verschrikkelijk ellendig. Ik ben zenuwachtig en benauwd en deed den heelen nacht geen oog dicht”.

„Wat kan ik voor je doen”, vroeg ’Ma Akoeba.

„’t Beste zal zijn, dat je den Loekoe-man* raadpleegt. In het bosch, onder den grooten Kankantrie*, zal je dien aantreffen.”

Anansi’s vrouw beloofde te gaan. Nog nooit had ze den wonderdokter gezien, maar wel kende ze vele verhalen over wonderbaarlijke genezingen, die hij had verricht.

Vóór ’Ma Akoeba vertrok, vroeg Anansi haar nog of ze zoo goed wilde zijn, de kinderen meê te nemen. „Ze zijn zoo druk, en ze zouden me nog meer van streek brengen, als ze hier zonder toezicht bleven”. Ook dat beloofde ze.

Pas was de familie Spin vertrokken of Anansi sprong uit bed en kleedde zich als een oude wonderdokter.

Den ouden hoogen hoed trok hij tot diep over de oogen, en de lange jas hing tot bijna op den grond.

Zoo snel hij kon, nam hij den kortsten weg naar den heiligen boom en zette zich daar in peinzende houding neêr.

Een oogenblik later kwamen ’Ma Akoeba en de kinderen er aan. Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man en het Spinvrouwtje zei klagend: „Och Heer, geef me raad. Gij weet alles en ik in mijn domheid weet niet, wat ik aanvangen moet. Anansi is doodziek. Zijn heele lichaam schokt en van benauwdheid kan hij niet slapen. Wilt gij mij het middel noemen, dat mijn man herstellen kan?”

Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man ...—Zie blz. 320.
Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man ...—Zie blz. 320.

Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man …—Zie blz. 320.

De wonderdokter sprak eerst geen woord. Hij bleef zitten in dezelfde peinzende houding, waarin hij ’Ma Akoeba had aangehoord.

Dan eindelijk antwoordde hij: „Ja vrouwtje, de toovergoden hebben mij bekend gemaakt met de ziekte van uw man. Wees niet ongerust, Anansi is eigenlijk niet ziek. Een sterk verlangen is het, dat hem pijnigt. Kunt ge daaraan voldoen, dan wordt hij spoedig de levenslustige slimmerd, die hij zijn heele leven is geweest”.

Aandachtig had ’Ma Akoeba geluisterd en pas was de wonderdokter uitgesproken, of ze vroeg bijna smeekend: „O, wijze Heer, noem mij dat, waarnaar mijn man verlangt, opdat ik spoedig aan zijn wensch kan voldoen, als ’t me ten minste mogelijk is”.

En op een ernstigen toon antwoordde de wonderdokter: „Vrouwtje, aan Anansi’s verlangen is niet moeilijk te voldoen. Hij smacht naar schapenbout, vet schapenvleesch is ’t eenige, dat hem zeker en spoedig genezen kan. Zie daaraan te komen en uw man zal herstellen”.

Met eerbiedige dankbaarheid vervuld, keerde ’Ma Akoeba naar haar woning terug.

Maar de huichelachtige Anansi zorgde zijn vrouw voor te zijn. Hij ontdeed zich thuis haastig van zijn vermomming en kroop weêr in bed.

Zonder Anansi te waarschuwen, slachtte het vrouwtje haar lievelingsschaap. Ze braadde het zóó heerlijk, als ze maar kon en bracht het Anansi.

No. 25. De geschiedenis van Fini Foetoe, Bigi bere en Bigi hede.

Haar kleinkinderen heetten Fini foetoe (spillebeen), Bigi bere (dikbuik) en Bigi hede (groot hoofd).

De oude vrouw hield veel van haar kleinkinderen en deed alles, wat in haar vermogen was, om ze tot nuttige leden der maatschappij groot te brengen.

Zij had echter veel verdriet van hare lievelingen, daar zij onverbeterlijke snoepers en dieven waren, trots hun jeugdigen leeftijd.

Eens op een morgen moest de oude vrouw naar de markt gaan, om als gewoonlijk hare produkten te gaan verkoopen. Daar zij echter op haar grondje een prachtigen dokoen-boom had met overrijpe dokoens*, welke zij bestemd had, om als geschenk den granman aan te bieden, riep zij hare drie kleinkinderen, voor zij van huis ging, bij elkaar, waarschuwde hen ten strengste, om niet te snoepen van de dokoens, daar bij ongehoorzaamheid hun een ongeluk zou overkomen.

De kinderen beloofden plechtig, te zullen gehoorzamen, waarna de grootmoeder gerust ter markte ging.

Nauwelijks was de oude vrouw vertrokken, of de kleine bengels wierpen begeerige blikken naar de rijpe dokoens en na fluisterend met elkander gedelibereerd te hebben, besloot men, dat Bigi hede, die als een geoefend klimmer bij de broêrtjes bekend stond, in den boom zou klimmen en eenige prachtige dokoens zou plukken en voor de anderen naar beneden zou werpen.

Zoo gezegd, zoo gedaan: fluks beklom de kleine dikhoofdige rakkert den boom en begon hij, in plaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen en de een na de andere op te peuzelen.

... en begon hij, inplaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen ...—Zie blz. 322.
... en begon hij, inplaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen ...—Zie blz. 322.

… en begon hij, inplaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen …—Zie blz. 322.

Nadat het smulpartijtje in den boom een poosje geduurd had, vroeg eensklaps Bigi bere aan Bigi hede of het goed smaakte.

Deze had echter zijn mond vol en daar hij niet kon antwoorden, schudde hij met zijn dikken kop zóó hard van ja, dat zijn hoofd van den romp viel en holder-de-bolder naar beneden viel.

Dit ziende, begon Bigi bere zóó hard te lachen, dat zijn buik, die al tamelijk dik was van het smullen, als een bom uiteenbarstte. Fini foetoe, dit ziende, schrok zóó hevig, dat hij het op een loopen zette, de dokoens vergetende. Aan een breede sloot gekomen, sprong hij er over, doch hij kwam daarbij zóó hard neêr, dat hij zijn beide spillebeentjes brak.

De grootmoeder, thuis komende, hoorde in de verte reeds het gekerm van Fini foetoe. Zij liet den jongen naar het hospitaal brengen, waar de beentjes werden afgezet. De doode lichamen van Bigi hede en Bigi bere werden zorgvuldig gekist, en, na mass’ra Krebs gewaarschuwd te hebben, werden zij begraven onder den dokoenboom op het grondje van hun grootmoeder.

Fini foetoe leefde nog jaren lang, maar hij moest op krukken loopen. Na den dood der grootmoeder liet hij den dokoenboom omhakken.

No. 26. Legende van Leisah I.

Wie vindt het niet vervelend, ziek te zijn!

Vroeger waren al onze vaders hanen.….

Nu, een moeder had drie dochters; en de vader van die meisjes was een haan, die in de struiken nabij het huis woonde. Wanneer Moeder voeder had voor Vader, zong ze driemaal:

Vader kwam dan te voorschijn en na den inwendigen mensch versterkt te hebben, verdween hij weder in het struikgewas.

Op zekeren dag zou Mama inkoopen gaan doen in de stad. Het oudste der meisjes, Mina geheeten, zou dien dag voor Vader zorgen. Het jongste kind werd naar school gezonden, en de twee anderen gingen lekkernijen koopen met het geld, dat de moeder had gegeven, om eten voor Vader te koopen.

Toen nu Vader vroeg, waar zijn middageten gebleven was, antwoordde Jet, de tweede dochter, dat Mina bezig was met koken. Vader verdween toen weêr in zijn struik.

De beide meisjes gingen nu beraadslagen, wat ze zouden doen. Eindelijk kwamen ze overeen, Vader te slachten en hem Moeder als spijs voor te zetten.

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Mina zong driemaal:

Kakkadoedel, kakkadoedel!

Iffi joe biérti, kom mi da!

Vader verscheen als gewoonlijk. Hij werd gevangen genomen en geslacht. Inmiddels kwam het jongste kind uit school en vond hare zusters druk bezig, in een kuil achter de keuken veêren te begraven. Zij mocht Moeder niets vertellen van hetgeen zij gezien had. Vader werd in de soep gekookt en de kinderen smulden naar hartelust.

Toen Moeder thuis kwam en naar Vader vroeg, antwoordde Mina:

„Eenige makkers zijn Vader komen halen, om te gaan kaarten”.

Toen was Moeder gerust. Ze kreeg haar aandeel van de soep, maar kon toch niet eten. Het was alsof ze een voorgevoel had, dat het Vaders vleesch was.

Het jongste dochtertje had evenwel verklaard, dat toen ze thuis kwam, Mina en Jet bezig waren veêren te begraven in een kuil achter de keuken.

Moeder vatte toen argwaan. Ze vroeg Mina of hetgeen ze haar als maal had voorgezet Vaders vleesch niet was. Mina antwoordde natuurlijk ontkennend.

Doch toen Vader weken wegbleef en maar niet terugkwam, werd Moeder boos op Mina.

Leisah, de jongste, ten einde raad, liep naar de rivier en zong:

Mamà kári mi Leisah,

Moeder liep haar na, maar zij kon haar kind nog slechts bij het haar grijpen. Leisah verdronk en Moeder behield eenige strepen in de palm harer hand.

Arme Leisah!

Sedert dien tijd hebben alle menschen strepen in de palm van de hand.

No. 27. Legende van Leisah. II.

Er wordt verhaald, dat in zeker dorp twee echtelieden woonden, die dol waren op kinderen, maar er zelf geen hadden.

We moeten trachten, op welke wijze dan ook, aan een kind te komen, zeiden zij.

Eens kwam een oude vrouw bij hen aan huis, vroeg de vrouw naar haar welstand en naar dien van haren echtgenoot. De vrouw des huizes antwoordde met droevige stem:

„Wij zijn, met Godswil, wel”.

„Wat scheelt U dan, Mevrouw?” vroeg de oude.

De vrouw des huizes deelde hare grieven mede, waarna de oude vrouw haar een wees van acht dagen in handen gaf.

Het kind behoorde tot de vrouwelijke kunne en kreeg den naam van Jacoba. Zij werd opgevoed als kind des huizes. Toen zij twaalf jaar was, moest ze voor huishoudelijke bezigheden beginnen te zorgen, hetgeen zij met vlijt deed.

Eens wandelden de twee kinderliefhebbers langs het strand. Daar zagen ze een meisje onbeheerd liggen en zij vroegen haar het een en ander.

Daar zagen zij een meisje onbeheerd zitten ...—Zie blz. 326.
Daar zagen zij een meisje onbeheerd zitten ...—Zie blz. 326.

Daar zagen zij een meisje onbeheerd zitten …—Zie blz. 326.

Het kind werd naar huis medegenomen en kreeg den naam van Leisah. Spoedig werd zij het troetelkindje, waarom Coba, hierover jaloersch, haar begon uit te schelden.

De vondelinge begon te kwijnen van verdriet, omdat Coba haar aanhoudend plaagde en treiterde.

Van dat alles vermoeid, zong zij het navolgende, waaruit haar voornemen bleek:

Papà kári mi Leisah,

Mamà kári mi Leisah,

Coba kári mi Skóema.

De arme Coba werd weggejaagd, maar Leisah hield niet op met treuren, en op zekeren dag keerde zij terug naar de plaats, waar zij gevonden werd.

Haar pleegmoeder liep haar na als een pijl uit den boog, maar kon haar niet inhalen.

Leisah was reeds in het water gesprongen, toen haar moeder aankwam. Wel werd zij nog bij het lange haar gegrepen, maar door de zwaarte zakte zij hoe langer hoe dieper en werd zij onder de golven begraven. Zoo was Leisah weêr naar haar land teruggekeerd, omdat zij uit schuim geboren was. De moeder, die haar troetelkind eindelijk had moeten loslaten, hield de striemen van het haar in de hand.

No. 28. Verhaal van het land van „Moeder Soemba”.

Er wordt verhaald, dat in een dorp een moeder met hare dochter woonde en dat zij tot buren een moeder en dochter hadden, die zeer wangunstig waren.

Eens kwam een oude vrouw bij Akoeba en gaf haar een kalebas ten geschenke, zeggende:

„Ik ben een arm mensch; ik bezit niets op aarde, dat waarde heeft om het U als geschenk aan te bieden; daarom hoop ik, dat ge deze kleinigheid aan zult nemen, alsof het een kostbaar geschenk van een rijk man was. Maar, mijn kind, deze kalebas moet gewasschen worden in het land van ’Ma Soemba, opdat hij U gehoorzame.

Dat land is niet ver van hier, maar de wegen, die daarheen leiden, zijn schier onbekend, daar er geen andere menschen wonen, dan ’Ma Soemba zelve, die den sleutel aller tooverformulieren in handen heeft.

Het is niet gemakkelijk, ’Ma Soemba te naderen, als men niet vooraf is ingelicht door betrouwbare personen.

Ge gaat van hieruit rechtdoor, tot daar, waar de weg zich in tweeën splitst: de eene kant is schoon, de andere vuil.

Beloop den vuilen weg; aan het einde zult gij ’Ma Soemba vinden. Zij zal U spreken en indien zij U iets vraagt, moet ge gehoorzamen, dan zal ze Uwe kalebas wasschen, hoor, jonge dame!

Wanneer ge vreemde dingen ziet onderweg, spot er niet mede, maar zing het lied, dat ik U zal leeren, nadat ge gevraagd zult hebben, om voorbij te mogen gaan”.

Na verloop van een week ondernam Akoeba de reis, naar de aanwijzingen der oude vrouw. Toen zij een eind op weg was, zag zij twee kankantries*, die aan het vechten waren.

Zij hielden op en het meisje ging voorbij, zingende:

Doegwèh a doegwèh, o!

Zij liep door en zag twee voeten vechten. Ze verzocht en kreeg verlof, door te gaan, onder het zingen van haar lied.

Iets verder trof Akoeba twee mátta’s* vechtende aan. Zij vroeg om door te mogen gaan, hetgeen haar werd toegestaan, toen ze met haar lied een aanvang maakte.

Eindelijk kwam zij aan het punt, waar de weg zich in tweeën splitste; de eene zijweg was schoon, de andere vuil en onbegaanbaar.

Zij betrad den weg, die haar was aangewezen en zag vóór een huis een vrouw, ’Ma Soemba, vol wonden en schurft zitten.

„Wat kom je hier doen!” vroeg zij aan het meisje. „Wees zoo goed en wasch mij mijn rug af; er is water achter het huis”.

Akoeba waschte haar rug schoon, waardoor zij hare handen vol bloed kreeg van de vele open wonden.

„Wasch je handen af en geef mij je kalebas, dan zal ik haar voor je wasschen!” vervolgde de vrouw.

’Ma Soemba waschte de kalebas en gaf haar Akoeba terug.

„Keer nu naar huis terug en je zult je loon ontvangen. Bewaar je kalebas goed en vrede zij verder met U”.

Het meisje vertrok en was na eenige uren weder thuis.

Of haar onderweg, bij het naar huis gaan, iets overkwam, wordt niet verteld.

Haar moeder wachtte haar met ongeduld en vroeg, of zij succes had gehad.

„Ja!” antwoordde Akoeba.

Na eenige dagen kwam Afi haar vriendin bezoeken, terwijl deze juist bezig was, haar kalebas te probeeren, waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.

... waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.—Zie blz. 329.
... waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.—Zie blz. 329.

… waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.—Zie blz. 329.

Het wangunstige buurmeisje vroeg haar naar de herkomst, daar zij al dat moois ook wel graag zou willen hebben.

Akoeba vertelde hare vriendin alles en leerde haar ook het lied.

Den volgenden dag, reeds vóór zonsopgang, ondernam Afi den tocht.

Toen zij de verschillende karikaturen tegenkwam, dreef zij den spot er meê.

Deze vervloekten haar, zeggende:

„Loop en gij zult vinden!”

Zij bereikte de splitsing van den weg en daar begon zij hare vriendin op de onbehoorlijkste wijze uit te schelden.

„Zij dacht mij wat op de mouw te spelden, maar ik ben wijzer, dan ze denkt. Het is uit wangunst, dat ze mij heeft gezegd, dien vuilen weg te loopen. Zij wil niet, dat ik in haar geluk zal deelen. Ja! Zoo zijn de menschen!—Maar ik neem dien schoonen weg.”

’Ma Soemba verzocht haar, haar te willen wasschen, maar de juffer begon haar uit te schelden.

„Geef me Uwe kalebas, dan zal ik haar uitwasschen; vrees niets”, zei de vrouw.

Doch juffer Afi bedankte haar niet eens, doch zei slechts: „Geef mij mijn kalebas terug, want je maakt haar weêr vuil met jou handen”.

Vol blijdschap kwam zij weêr thuis bij moeder, die haar dadelijk vroeg, of alles in orde was.

„Zeker, Mama, onze buurvrouw wilde mij misleiden, maar ik ben wijzer dan ze denkt.

Ik ben klaar gekomen en zal haar bewijzen, dat niet alleen zij in ’t bezit is van een wonderkalebas”.

Toen zij nog denzelfden dag het voorwerp raadpleegde, weigerde het; het gaf geen resultaat. Haar vriendin ried haar toen aan, de kalebas slechts in geval van nood te gebruiken. Doch Afi antwoordde, dat ze geld noodig had en begon andermaal haar kalebas te raadplegen. Toen kwam er allerlei ongedierte uit te voorschijn, dat haar doodde.

Zoo wordt het spreekwoord weêr bewaard:

No. 29. Boen no habi tangi.

Ondank is ’s werelds loon! Dat wil zeggen: boen no hábi tangì.

Er was eens een koning, die een zoon had, dien hij naar Holland had gezonden, om te gaan leeren.

Doch toen de jongen terugkeerde, zei hij op zekeren dag:

„Vader, ik wil gaan wandelen, maar liefst alleen”.

„Het is goed, mijn jongen, gij kunt gaan”.

Den volgenden dag vertrok de jongen, en toen hij achter in den tuin kwam, zag hij daar een dorren vijgeboom, die hem vroeg:

„Mijnheer, is het waar, dat ondank ’s werelds loon is?”

„Ik weet het niet”.

„Ja, het is waar, dat ondank ’s werelds loon is, want zie, ik heb aan uw vader vruchten gegeven; hij heeft mijne vruchten op brandewijn gezet en ze gestoofd. En nu ben ik oud geworden; ik kan niet meer bloeien en nu wil hij mij tot brandhout maken”.

De jongen erkende de waarheid dier woorden en antwoordde:

„Gij hebt gelijk”.

Toen trok de jongen verder en ontmoette een druivenboom, die den jongen dezelfde vraag deed, en toen hij zijn wandeling vervolgde, kwam hij langs een groot vuur met een slang er in, die blijkbaar in angst verkeerde. En ook de slang vroeg aan den jongen, of het waar is, dat ondank ’s werelds loon is. De jongen antwoordde niet, maar greep een stok en nam de slang uit het vuur; doch nauwelijks had hij het dier gered of het kroop tegen hem op en slingerde zich om zijn hals. De slang wilde hem dooden.

„Van daag”, riep de jongen uit, „zie ik toch, dat ondank ’s werelds loon is, want, kijk, ik heb u uit het vuur genomen en nu wilt ge mij dooden”.

Doch daar kwam juist een awari* voorbij, die dezelfde vraag tot den jongen richtte, waarop deze antwoordde:

„Ja, het is waar, ondank is ’s werelds loon, want zie, ik heb de slang uit het vuur genomen en nu wil ze mij dooden”.

„Ga mij wijzen”, hervatte Awari, „hoe gij de slang uit het vuur hebt weggenomen”.

De slang kronkelde zich weêr om den stok en Awari gooide hem in het vuur.

Daarop vervolgde Awari tegen den jongen:

„Laten wij heengaan en laat de slang in het vuur blijven”.

„Goed, doch dan moet gij met mij meê naar huis gaan; want ik wil mijn vader en moeder wijzen, wie mij van den dood gered heeft”.

„Neen, dat doe ik niet, ik ben geen mensch; ik ben maar een dier”.

Doch de jongen drong aan en zei: „ga meê”, waarop Awari medegegaan is.

Thuis gekomen bij zijn vader en moeder, sprak de jongen tot Awari:

„Wel, Awari, wat wilt gij nu tot belooning hebben?”

„Niets wil ik hebben, maar als gij mij elken morgen een kip wilt geven, dan ben ik tevreden”.

De koning zeide:

„Het is goed; kijk, hier heb ik een hok vol kippen; elken morgen kunt ge er een komen halen”.

Maar dat beviel de koningin in het geheel niet; zij riep haar kokkin en sprak tot haar:

„Morgen moet ge de awari dooden, want zoodoende raak ik al mijn kippen kwijt”.

Den volgenden morgen kwam Awari, om de beloofde kip te halen, toen de kokkin met een emmer water aankwam, die zij over de awari omkeerde. En natuurlijk was Awari dood.

Hevig ontsteld en met heftige gebaren kwam de jongen toesnellen en toen hij daar zijn redder dood zag liggen, riep hij uit:

„Het is toch een waar spreekwoord: boen no hábi tangì”.

No. 30. Geschiedenis van Kopro Kanon*.

Er was eens in een dorp een vrouw, die drie zoons had, waarvan de oudste Mininimi heette, de tweede Krimintaria en de jongste Kopro Kanon.

Mininimi kom njam!

Krimintaria kom njam!

Arme Kopro Kanon was stokmager en stonk van vuil. Zijn moeder wilde niets van hem weten. Ach! Arme Kopro Kanon!

De twee oudste knapen zagen er rond uit van dikte.

De duivel, die menschenvleesch lust, had zijn oogen op hen gericht en wachtte met ongeduld een gunstig oogenblik af, om hen te vangen.

Hij was juist op wacht, toen hij hoorde, op welke wijze de knapen geroepen werden. Den volgenden dag kwam hij ter plaatse terug en zong het lied met een heel grove stem.

Kopro Kanon had zijn broeders lief en zei hun:

„Gaat niet, want dat is de stem uwer moeder niet. Het komt mij voor, de duivel te zijn”.

Zij waren hem gehoorzaam.

De duivel, die begreep, dat zijn zware stem de oorzaak was, dat de jongens niet tot hem kwamen, ging toen bij een smid, om zijn tong te laten vijlen.

De duivel ... ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen.—Zie blz. 333.
De duivel ... ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen.—Zie blz. 333.

De duivel … ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen.—Zie blz. 333.

De smid verbood zijn cliënt, bakoven* te eten, als zijn tong gevijld was, daar zijn stem anders weêr grover zou worden.

„Ik zal aan Uw bevel voldoen”, antwoordde Joost hem.

Doch geen tien minuten van de smederij zijnde, ontmoette hij een vrouw, die bakoven rondventte. De gulzigaard kon zijn lust niet bedwingen en vroeg haar:

De bakove ging in één hap naar binnen.

Satan ging toen weêr de wacht houden en zong het lied met donderende stem.

De ongelukkige Kopro Kanon waarschuwde zijn broeders weêr om niet te gaan, daar het slechts des duivels stem kon zijn, die zoo dreunend en dof klonk.

De verdelger der wereld ging terug naar den smid, zonder eenig succes te hebben gehad. Zijn stem was veranderd, daar zijn tong door bakove vergiftigd was. De smid zei hem:

„Als iemand onder behandeling van een dokter is, moet hij diens voorschriften opvolgen; anders loopt hij gevaar. Denk niet, dat een patiënt den dokter kan foppen, neen, hij fopt zich zelf!”

„Maar, waarom zijt gij zoo hatelijk tegen mij?” vroeg Satan.

„Omdat ge vol leugens zit, vent. Ge spreekt tegen uw geweten.”

„Ben ik dan een leugenaar?”

„Een gevaarlijke ook. Denkt ge soms, dat ik niets anders te doen heb, dan ieder oogenblik te zitten hameren en vijlen in uw bek?”

Na een flinke bestraffing begon de smid weêr te vijlen.

„Zing het lied nog eens, opdat ik U keure.”

De duivel zong.

„Hoe is het nu, goed niet waar?”

„Dank U vriendelijk, tot wederdienst”.

Satan ging naar zijn bestemming en begon met een altstem te zingen, waardoor de twee knapen zijn slachtoffer werden. Toen de moeder hun riep, antwoordde Kopro Kanon met droevige stem:

Mininimi no de,

Krimintaria no de,

De moeder ging toen naar Kopro Kanon, voedde hem van toen af en verzorgde hem goed. Zij kwam te sterven en Kopro Kanon begroef haar.

Wie kinderen heeft, mag het eene niet boven het andere voortrekken, maar moet van allen evenveel houden.

No. 31. De Meermin of Watramama.

De Watramama is half mensch, half visch; zij heeft een zacht-gele tint als een Indiaansche, een schoon gezicht, prachtige donkere oogen en lang zwart haar.

Men zegt, dat er menschen zijn, die de kunst verstaan, haar kam te stelen, terwijl zij bezig is zich te kammen. Als de Watramama den dief gevonden heeft, eischt zij haar kam terug en belooft in ruil een aanzienlijke waarde aan geld. De dief echter paait haar met allerlei beloften, en gebruikt haar om zoo te zeggen als een melkkoetje. Telkens komt de Watramama terug en zij brengt steeds meer geld mede, tot zij eindelijk het geluk heeft, haar kam terug te krijgen. Wil de dief den kam niet teruggeven, dan is hij verloren. Want de eerste keer, dat hij over het water gaat, slaat zijn vaartuig om.

De man had vrouw en kinderen en toen de vrouw hem steeds met geld thuis zag komen, vroeg zij naar de herkomst. Hij liet zich niet uit, doch toen zij sterker aandrong en hij het, om de waarheid zeggen, niet meer kon uithouden, vertelde hij haar alles en ook wat de gevolgen hiervan zouden zijn.

Eens op een dag begaf de visscher zich naar een plantage, maar nog eer hij op de plaats zijner bestemming was aangekomen, was hij verdwenen.

Zij had hem gewaarschuwd met niemand te spreken over hetgeen hij bij haar hoorde of zag, maar Skroero-ki voldeed niet aan dat verzoek, en toen hij weêr op den rivierbodem daalde, kwam hij niet meer aan de oppervlakte terug.

Visschers, die hun bedrijf uitoefenen, vangen de Watramama wel eens in hun netten.

Doch ze laten haar dan weêr gaan, daar ze anders gevaar zouden loopen, om met boot en al in de diepte te verdwijnen!

No. 32. De Boa in de gedaante van een schoonen jongeling.

In zeer ouden tijd leefde een zeer mooi meisje. Haar schoonheid was even beroemd, als haar trotschheid bekend was.

Van heinde en verre kwamen voorname jongelingen haar ten huwelijk vragen, maar geen hunner keurde zij waardig genoeg, om haar echtgenoot te worden.

Hare schatrijke ouders hadden daarover veel verdriet en zij spoorden haar aanhoudend aan, om toch een dezer jongelingen te kiezen, daar zij haar gaarne gehuwd wilden zien.

Maar het meisje hield staande, dat zij niet anders zou trouwen dan met den man, dien zij lief had en dat zij er tot dusverre geen gezien had, die hare liefde waardig was.

Op zekeren dag nam een reuzenslang, een boa*, een menschelijke gedaante aan, kleedde zich als een schoone jongeling aan en begaf zich naar de woning van het meisje.

Nauwelijks hief zij hare oogen op hem of zij werd zoodanig bekoord door zijn schoonheid, dat zij bijna flauw viel. Zij riep: „Vader, moeder, hier is de man, dien ik bemin; en met hem wil ik trouwen”.

De ouders waren natuurlijk zeer verheugd, dat hun schoone dochter eindelijk iemand naar haar zin gevonden had en alles werd zoo spoedig mogelijk in gereedheid gebracht. Niets was kostbaar genoeg, om het jonge paar te verschaffen.

De huwelijksfeesten duurden acht dagen lang. Zoo’n pracht was te voren nooit gezien geweest.

Eindelijk moesten de jonggehuwden naar hunne nieuwe woning trekken, die zoo prachtig mogelijk ingericht was.

Bij het afscheid nemen beloofden de ouders, dat zij den volgenden morgen naar den welstand van het echtpaar zouden komen informeeren.

Zeer vroeg begaven zij zich daarheen, maar hoe ontstelden zij, toen zij, bij het huis komende, een zwakke stem hoorden kermen: „Pa!! Ma!! een zeker ding is bezig, mij in te slikken”.

Hierop werd met een grove zware basstem geantwoord: „Wij zijn aan het spelen”.

De ouders klopten toen aan deuren en vensters, maar er werd niet opengedaan … het angstig gekerm: Pa! Ma! ik word ingeslikt” hield niet op, gevolgd door het ruwe antwoord: „Wij zijn aan het spelen”.

Eindelijk zei de Vader: „Er is wat met ons kind gebeurd, want zij roept om hulp”,… en met alle kracht trapte hij de deur open, en, door zijne vrouw gevolgd, vloog hij naar de slaapkamer, waar de Boa, die zijn ware gedaante weêr aangenomen had, bezig was, het meisje in te slikken.

De Vader greep naar een grooten stok, verbrijzelde de ruggegraat van de slang, en trok zoo snel mogelijk zijne dochter, die reeds half verslonden was, uit den wijden mond van het dier, terwijl hij daarna met een houwer zijn kop afhakte.

Het meisje, dat langen tijd lam bleef door de persing van het monster, herstelde zeer langzaam, maar trouwde nimmer, want zij was huiverig geworden en vreesde, dat in elken knappen man een boa verscholen was.

Vandaar het spreekwoord:

No. 33. Het huwelijk van Aap.

De aanklaagster, de verdachte en de getuigen ondergingen een scherp verhoor, waardoor wettig en overtuigend kwam vast te staan, dat Ba’ Tigri zich had schuldig gemaakt aan een doodzonde en daarom den verschrikkelijksten dood behoorde te sterven, welke het dierenbrein maar kon bedenken.

Eindelijk stond er een dier op, dat beweerde, hem een paar dagen te voren te hebben ontmoet, keurig aangekleed, en in een zelfs voor zijn doen buitengewoon vroolijke stemming. Kees-Keesi had aan spreker verteld, dat hij verloofd was en op weg was naar Apenstad, waar hij het mooiste, liefste en zachtzinnigste apinnetje zou gaan trouwen, dat ooit den huwbaren leeftijd had bereikt. Sedert had niemand meer iets van hem gehoord of gezien.

Op de vraag van Poema, waar hij van daan kwam en hoe hij in dien toestand was geraakt, antwoordde Kees-Keesi opgewonden, en terwijl de woorden hem haast in de keel bleven steken: „Van mijn bruiloft. Ik ben, moet jullie weten, sedert gisteren getrouwd, en mijn vrouw, die beweerde, dat ik te veel naar de bruidsmeisjes keek, heeft mij in dien toestand gebracht, waarin jelui mij nu ziet”.

De vrouwelijke dieren glimlachten om het verhaal van Kees-Keesi, beweerden medelijden met hem te hebben; de mannelijke noemden hem botweg een stommeling, omdat hij zich louter uit ijdelheid, zonder de gevaren te overdenken, in altijd durende slavernij had begeven.

De zaak tegen Tígri zou nu verder voortgang kunnen hebben. Kees-Keesi werd op de hoogte gebracht der beraadslagingen en ten slotte uitgenoodigd een straf te bedenken, evenredig aan de door Ba’ Tígri gepleegde misdaad. Kees-Keesi bedacht zich niet lang, want nauwelijks waren de tot hem gesproken woorden geuit, of hij sprak deze gedenkwaardige woorden: „Geachte vergadering, laat Ba’ Tígri trouwen”.

En aldus werd besloten.

DE ANANSI-TORI DER SURINAAMSCHE BOSCHNEGERS.

Dat bij de nakomelingen der eertijds naar de bosschen gevluchte plantageslaven, de Boschnegers, die met de Indianen het schaarsch bevolkte binnenland van het Nederlandsche deel van Guyana bewonen, een duidelijker uitkomende Afrikaansche volkstraditie zal worden aangetroffen, dan bij de West-Indische stads- en plantage-negers, behoeft den lezer na de inleidende beschouwingen betreffende de Surinaamsche neger-folk-lore niet meer duidelijk te worden gemaakt.

In ieder opzicht is de Boschneger nog een echte Afrikaan, hoe hij ook zijn oorspronkelijke taal verloren heeft. Door de eeuwen lange afzondering te midden der oerwouden, waarin de Boschnegers in hunne kampen (dorpen) langs de rivieren hebben geleefd, wordt echter niet alleen het veel grooter aantal woorden verklaard, die nog in de Boschneger-taal zijn overgebleven en die deels van de Goud- en Slavenkust-talen, de Ewe-, de Tsji- en de Yoruba-talen kunnen worden afgeleid, deels van de Kongo-talen zijn overgebleven, maar is ook het grooter aantal van het Engelsch en het Portugeesch afgeleide woorden begrijpelijk.

Dat ook de Boschnegers hunne anansi-tori’s, als herinneringen aan hunne Afrikaansche afkomst, zouden bewaard hebben, en dat deze mondelinge overleveringen eene grootere oorspronkelijkheid zouden vertoonen, dan die der stads- en plantagenegers, wier vertellingen zich met een steeds grooter wordend Europeesch element vermengd hebben, lag voor de hand. Juist om deze grootere oorspronkelijkheid, die van de mondelinge litteratuur der Boschnegers verwacht mocht worden, is het zeker te betreuren, dat van de folk-lore dezer van de Indianen in elk opzicht zoozeer afwijkende boschbewoners (Ph. en C. a.) zoo weinig bekend is geworden.

Het eenige, wat, voorzoover mij bekend is, over dit onderwerp in het licht is gegeven, zijn een negental dierenfabels, allen eigenlijke anansi-tori’s, die de Bisschop der Hernhutter-missie in Suriname, F. Stähelin, door een zijner negerhelpers heeft laten opteekenen en die verschenen zijn in de Hessische Blätter für Volkskunde (Jaargangen 1908 en 1909).

In deze vertellingen legt de Neger wederom getuigenis af van zijn zeldzaam improvisatie-talent, zijn groot waarnemings- en combinatievermogen, van zijn degelijke menschenkennis, zijn kinderlijk-naïven aard en van zijn buitengewonen zin voor humor.

Zelfs in den slaventijd, toen de negers door wreede plantage-directeuren en opzichters, doch ook door Nederlandsche soldaten, niet zelden onverdiend, de afschuwelijkste pijnigingen en mishandelingen moesten verduren, en soms op de meest wreedaardige wijze ter dood werden gebracht, schijnt de scherts en de zin voor humor den neger niet te hebben verlaten.

Wanneer, om een paar voorbeelden te noemen, de slaven besloten hadden, hun wreede meesters te ontvluchten en in de bosschen een veilige schuilplaats te zoeken, werd den vorigen avond bij de uitvoering van een dans het volgende gezongen:

Den volgenden morgen was de gansche slavenmacht gevlucht (Ph.).

Prins Hendrik, zegt de schrijver, door den Gouverneur begeleid, vatte natuurlijk den zin van het lied niet, dat de negerslaven bij den dans zongen en hij verkeerde in dit opzicht in het geval der meeste Blanken, die zulke feesten bijwoonden. Bijna niemand stelde zooveel belang in de scherts en den geest der slaven, dat zij moeite deden, uit hunne geïmproviseerde zangen te begrijpen, wat er in hun gemoed omging. En de Gouverneur zal het toen ook wel niet begrepen hebben wat de negers zongen. Maar al had hij het begrepen, dan nog zou hij het den Prins niet hebben uitgelegd, toen zij zongen:

Joe sóri hem da boen

Eindelooze malen herhaald, moest dit lied Prins Hendrik duidelijk maken, dat de Gouverneur eenzijdig was in zijn voorstelling. Konden de negerslaven aan hun verkropt gemoed op ironischer en beschaafder wijze lucht geven, dan zij het in dezen zang deden?

De vertelling, die in den oorspronkelijk uit de Boschneger-taal overgebrachte Duitschen tekst geen opschrift draagt, heb ik betiteld:

Hoe Heer Spin door zijn bekwaamheid als geneesheer de mooie dochter van den Landvoogd wist te krijgen.

Er leefde eens een wonderschoon, lieftallig meisje, de eenige dochter van den Gouverneur. Vooral om haar schoonheid had zij tal van bewonderaars, die haar tot vrouw wenschten. Het waren niet alleen menschen, die om haar hand dongen, maar ook allerlei dieren, visschen en vogels. Spin behoorde natuurlijk ook tot de partij!

Alle mededingers zouden zoo gelukkig zijn, het mooie meisje hun vrouw te mogen noemen, maar geen van allen was het nog gelukt, aan den eisch harer ouders te voldoen. Alleen hij, zoo hadden deze bepaald, zal onze dochter tot vrouw hebben, die ons den tand van een olifant ten geschenke geeft. Ook aan Heer Spin was deze voorwaarde gesteld, maar hij, listiger dan de andere vrijers, liet zich er niet door afschrikken en moedeloos maken, doch begon dadelijk bij zichzelf te overleggen, hoe hij in het bezit van een olifantstand zou kunnen komen. Slimme Spin had spoedig zijn plan gemaakt, en zette zich dadelijk aan den arbeid, om het uit te voeren. Hij zocht een schop en een lang, dik touw te krijgen, en begaf zich daarna met zijn gereedschap op een hoogen berg. Hier aangekomen, legde hij het touw neêr, en begon hij met zijn schop tot aan den voet van den berg een weg aan te leggen, dien hij zóó breed maakte, als hij dacht, dat de Olifant lang was. Toen hij er mede gereed was, trok hij er op uit, op zoek naar een olifant.

Al heel gauw ontmoette hij er een, die op de wandeling was. „Vriend Olifant”, begon Spin dadelijk, „hoe is het? Willen we samen niet wat gaan spelen—je weet wel, ons oud spel boven op den berg?” Hoewel Olifant zich niet herinneren kon, ooit met Spin gespeeld te hebben, vond hij het toch wel prettig, en antwoordde hij: „Goed, laten we wat gaan spelen”.

Boven gekomen, nam nu Spin het touw en zei tot Olifant: „Hier, neem dit touw, en bind het stevig om mijn lichaam heen; dan moet je mij een duwtje geven, en laat je mij op den weg, dien ik heb gegraven, den berg afrollen. Als ik beneden ben aangekomen, moet je hard naar beneden hollen, en zoo gauw mogelijk het touw losmaken”. Zoo gezegd zoo gedaan. Olifant verheugde zich koninklijk, toen hij Spin den berg zag afrollen. Toen Olifant beneden was aangekomen en zijn speelkameraad bevrijd had, zei deze: „Dit spelletje vind ik kostelijk, jij ook niet, vriend Olifant? Nu ben jij aan de beurt, dus laten we samen weêr naar boven gaan!” Zoo deden ze, en toen ze weêr boven op den berg waren aangekomen, zei Spin: „Zoo vriend, ga nu op den grond liggen, dan bind ik jou”. Olifant deed wat Spin hem bevolen had, en toen snoerde Spin het touw zóó stevig om zijn vier pooten, dat hij er niet een van bewegen kon. Daarna liep Spin, zoo snel hij kon, nog eens den weg heen en weêr, om te zien of de weg in orde was. Maar slimme Spin deed het, om op verschillende afstanden groote steenen langs den weg te kunnen rollen, waar de kop van Olifant zou moeten passeeren.

Toen Spin er meê klaar was, zei hij tot Olifant: „Ziezoo, mijn beste vriend, nu kan jij er op losgaan”, en op het zelfde oogenblik gaf hij hem een zóó krachtigen stoot, dat hij dadelijk in beweging kwam. Toen Olifant echter aan het rollen was, stootte hij telkens zóó hard tegen een der langs den weg liggende steenen, dat ten slotte een zijner groote tanden afbrak. Haastig liep nu Spin naar beneden, en pakte den afgebroken tand.

Intusschen was Olifant beneden aangekomen en woedend riep hij in zijn benarden toestand Spin toe, dadelijk naar beneden te komen en hem te bevrijden. Maar Spin schreeuwde hem toe: „Neen, vriend Olifant, dat zal ik wel laten; ik verlang er heusch niet naar, om me door jou te laten vermoorden; want dat zou je stellig doen; je begrijpt immers heel goed, dat ik het spelletje maar verzonnen heb, om in het bezit van een van je mooie tanden te kunnen komen!”

Spin nam nu een dikken stok, en sloeg net zoo lang op Olifant los, tot de dood volgde. Nu pas nam Spin den tand op, verpakte hem goed in een hoop gras, en begaf hij zich met zijn kostbaren last op weg naar den vader van het mooie meisje. Eindelijk zag hij, vermoeid en wel, diens woning vóór zich liggen—en na een kwartier zwoegens was zijn doel bereikt. Wat klopte zijn hart van vreugde bij de gedachte, dat hij het schoone meisje nu spoedig de zijne zou mogen noemen!

Voordat Spin echter op de woning toetrad, zag hij zich genoodzaakt, even in het struikgewas ter zijde van den weg te gaan en het kostbare pak zoolang neêr te leggen. Juist kwam toen een man, „Blindeman” bijgenaamd, voorbij, die, toen hij het pak zag liggen, en er een olifantstand uit te voorschijn haalde, zijn schat op nam, en er, zoo snel hij kon, mede op de woning van den Gouverneur toeliep. Hij immers behoorde ook onder de vrijers van zijn dochter. Toen hij binnentrad en den mooien tand aan de ouders liet zien, gaven zij dadelijk hunne toestemming tot het huwelijk.

Kort daarna kwam ook Spin aan de woning, maar niettegenstaande zijn woede en zijn volhouden, dat Blindeman hem had bestolen, en dat de tand zijn rechtmatig eigendom was, het hielp hem niet, en hij moest, verdrietig, voor Blindeman het veld ruimen. Men schold hem op den koop toe nog voor leugenaar en bedrieger uit.

Eenige dagen daarna werd de Gouverneur ziek, en slimme Spin wist van zijn toestand gebruik te maken, om toch zijn doel te bereiken. Des nachts, toen de zieke in een diepen slaap lag, sloop hij heimelijk in de zieke-kamer, en maakte hij met een geldstuk zijn aars* dicht, zoodat zijn stoelgang moest ophouden. De toestand van den zieke verergerde hierdoor snel. De omstanders deden alles wat in hun vermogen was, om den stoelgang te bevorderen, maar alles was vergeefs, en de zieke werd hoe langer hoe zwakker.

Toen de nood het toppunt had bereikt, en niemand meer raad wist, verscheen plotseling Heer Spin, die aanbood den zieke te genezen, onder voorwaarde, dat men alles wat hij verlangde, blindelings zou toestaan, en dat men beloven zou, hem tot loon alles te zullen schenken, wat hij maar vragen zou.

Nadat de verontruste verwanten zijn verlangen hadden goedgekeurd, liet hij dadelijk een vuur aanleggen, vroeg toen om een groote tobbe met water en twee steenen, om de tobbe er te kunnen opzetten. Daarna nam hij allerlei kruiden en wierp die in het water. Bij de pogingen, om de tobbe op de twee steenen te zetten, kon ze maar niet blijven staan. Spin echter wist raad en riep, dat hij, als derde steunpunt voor de tobbe, het hoofd van Blindeman wilde hebben.

Hoe vreeselijk het ook was, de eenmaal gedane belofte moest gehouden worden en men sloeg het hoofd van „Blindeman” af, en bracht het aan Spin. Toen nu de tobbe vast boven het vuur stond, liet Spin den zieke er boven plaatsen, en terwijl hij hem met den inhoud van de tobbe goed waschte, viel eindelijk het geldstuk door de hitte naar beneden—en onmiddellijk trad de zoo lang uitgebleven stoelgang op, hetgeen den zieke in korten tijd deed herstellen.

De vreugde over Spins succes was zóó groot, dat Spin, toen hij als loon de dochter tot vrouw vroeg, zij ook met vreugde aan hem gegeven werd.

Moraal: Wie een ander besteelt, krijgt vroeg of laat de verdiende straf.

NEGER-VERTELLINGEN UIT HET WEST-INDISCHE EILANDENGEBIED.

Curaçaosche Negervertellingen. Cuenta di Nansi.

Ook op de physische en geestelijke eigenschappen der bewoners hebben beide factoren, na eeuwenlange inwerking, een belangrijken invloed uitgeoefend.

De oorspronkelijke bevolking van Curaçao en andere eilanden zal hier buiten beschouwing moeten blijven, daar reeds in 1634, toen de Nederlanders zich van het eiland meester maakten, nadat het sedert 1527 een Spaansche bezitting was geweest, er slechts 1415 Indianen over waren gebleven, die er ten slotte, evenals op de meeste West-Indische eilanden, geen nakomelingen van zuiver ras hebben achtergelaten.

De negers, tot welke wij ons hier dus zullen moeten bepalen, en die er na den vrede van Munster als slaven zijn ingevoerd, hebben zich na hunne vrijverklaring op veel uitgebreider schaal met de overige bewoners vermengd, zoodat kleurlingen er de onvervalschte negers ver overtreffen, welke laatsten grootendeels buiten Willemstad, de hoofdstad van het eiland, worden aangetroffen.

De Curaçaosche negers zijn tengevolge van het droge klimaat en door de grootere inspanning, die van hen vereischt wordt, om aan den kost te komen, tot krachtig gebouwde, taaie, voor zwaren arbeid geschikte menschen geworden. De, hoewel niet onvruchtbare, doch dorre bodemgesteldheid dwingt hen tot werken en door den werkzamen aard van den Curaçaoschen neger en door zijn gewilligheid, ook buiten de slavernij plantage-arbeid te verrichten—in tegenstelling van den Surinaamschen neger, die weinig behoeft te doen, om te eten te hebben en die plantage-arbeid, vroeger in slavernij verricht, een schande vindt—zou het eiland bij behoorlijke watervoorziening tot hoogere welvaart gebracht kunnen worden, waar onder hen nu veelal armoede moet heerschen (Ko).

Is dus aan den eenen kant de oorspronkelijke werkzame aard van den neger op Curaçao veel minder verloren gegaan dan in Suriname, aan den andere kant heeft zijn langdurige aanraking met Spaansch sprekende naburen in zijn doen en laten wijzigingen tot stand gebracht, die ook op zijn uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hunnen invloed hebben doen gelden.

Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zoo goed als alle negers en kleurlingen van het eiland tot de katholieke kerk zijn overgegaan, mag het niet bevreemden, dat de dierenfabel nog meer dan in Suriname onder vreemden invloed verbasterd is.

De omgangstaal op Curaçao is niet het Neger-Engelsch (tegenwoordig beter Neger-Hollandsch genoemd), doch het papiamento, dat een patois is, gevormd uit een mengsel van gebroken Spaansch en Portugeesch en van verbasterde Nederlandsche en Engelsche woorden, die dikwijls zoozeer verminkt zijn, dat men het oorspronkelijke woord moeilijk meer herkennen kan. Behalve deze elementen, komen er nog woorden van Indiaanschen en Afrikaanschen oorsprong in voor, die echter ver in de minderheid zijn.

Het papiamentsch, dat een zeer lange geschiedenis achter zich heeft, is gaandeweg de volkstaal geworden, die voor het Nederlandsch in de kolonie niet heeft kunnen wijken en waarvan de Neger, kinderlijk als hij uit zijn aard is, zich gaarne bedient, wegens de kernachtige, naïve wijze, waarop hij er zich in kan uitdrukken en wegens de vele zoetvloeiende woorden, die het hem mogelijk maken, ze door verschillende stembuigingen meer te zingen, dan te spreken (Ko.).

Wat nu de Neger-vertellingen betreft, die op Curaçao Cuenta di Nansi (= vertellingen van Spin) worden genoemd, ook in deze, oorspronkelijk uit Afrika, meer in het bijzonder van de Goudkust-negers afkomstige dierenfabels treedt nansi nimmer zelf verhalend op. Ook hier zijn het voorvallen uit zijn leven, die door een ander verteld worden. Speciale, daarin zeer bedreven vertellers worden op Curaçao „hinchado di cuenta” genoemd.

Weinig is er tot nu toe aangaande dit onderwerp in het licht gegeven, hetgeen te betreuren is, daar het verzamelde materiaal het mogelijk zou gemaakt hebben, de wijzigingen te leeren kennen, die door vreemden invloed in een zelfde uit Afrika afkomstige dierenfabel tot stand zijn gekomen.

Wij zijn slechts aangewezen op enkele cuenta di nansi, opgenomen in het derde jaarverslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap te Willemstad, waarvan de verzamelaar vermoedelijk J. H. J. Hamelberg was, en uit welke een hier als voorbeeld moge dienen.

Pogingen, om hier te lande bij Oud-Curaçao’ers onuitgegeven cuenta di nansi machtig te worden, mislukten, omdat, hoewel het bestaan dezer overleveringen bij het meerendeel niet onbekend was, niemand in staat was, mij een voorbeeld te verschaffen. Dat een in een katholieke inrichting aldaar opgevoed negermeisje zelfs van deze negervertellingen nimmer gehoord had, illustreert wel genoegzaam de veranderingen, die het volkseigen onder den invloed der missie ondergaat.

Veel minder moeilijk bleek het mij echter, bij Oud-Surinamers de verzameling anansi-tori’s uit te breiden—eene ervaring, die in overeenstemming is met het mij medegedeelde feit, dat er in Suriname over het algemeen een intiemer verhouding bestaat tusschen het zwarte en het blanke element, dan op Curaçao.

Op een keer, dat Nansi op het open veld rondliep, kwam hij langs een tamarinde*. Opkijkende, om te zien of er geen rijpe vruchten aan den boom waren, die hij voor zijn vrouw zou kunnen plukken voor het bereiden van tamarinde-water en tamarinde-pap, zag hij een man in den boom zitten. Het gezicht van den man was geheel bedekt met een doek, die van zijn voorhoofd tot zijn knieën afhing, en hij was bezig pinda’s* te eten uit een bak, dien hij op zijn schoot had. „Dat is zeker een vreemde geschiedenis”, zei Nansi, „maar laat ons zien, of ik ook niet eenige pinda’s kan eten, zonder dat die oude heer het merkt; zijn gezicht is toch heelemaal bedekt”.

Stilletjes klom Nansi den boom in en ging tegenover den pinda-eter zitten, die zijn komen niet scheen op te merken, daar hij met eten voortging. Nansi gluurde in het bakje en zag, dat er nog veel pinda’s in waren; hij wachtte, totdat de man zijn hand uit het bakje haalde, en toen stak hij zelf de hand er in, haalde een handvol pinda’s er uit en begon te eten. En zoo staken zij om beurten de hand in het bakje, totdat er slechts één pinda over was. Had Nansi zich nu tevreden gesteld met hetgeen hij reeds op had, en zich weêr uit den boom laten zakken, dan was alles goed afgeloopen; maar hij stak de hand in het bakje, om de laatste pinda er uit te halen.

Hoe dat zoo gebeurde, begreep hij zelf niet, maar op hetzelfde oogenblik stak ook de man zijn vingers in het bakje. De twee handen ontmoetten elkander—en Nansi voelde vijf sterke vingers zijn hand omsluiten. Wat Nansi ook deed om zijn hand te bevrijden, het hielp niet. Op het laatst begon hij den man te smeeken, hem los te laten. „Daar komt niets van in”, zei de man, „je hebt mijn pinda’s zitten opeten, zonder dat ik je er verlof toe gegeven had: nu laat ik je niet gaan. Mijn beenen kunnen mij niet meer dragen; daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen. Wij zullen voortaan bij elkaar blijven. Klim uit den boom en draag mij naar je huis”. Hoe kwaad Nansi ook was, hij was verplicht te doen wat de man vroeg, omdat hij de overtuiging had, dat, als hij weigerde, hij met zijn sterke vingers gewurgd zou worden.

... daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen.—Zie blz. 355.
... daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen.—Zie blz. 355.

… daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen.—Zie blz. 355.

Zoo klom dan Nansi uit den boom en toog huiswaarts. De schrik van zijn vrouw, Shi Maria, en van haar kinderen, toen zij Nansi met den man op zijn rug zagen binnenkomen, was niets, vergeleken bij hun droefheid, toen zij hoorden, dat de man niet van plan was, Nansi’s rug te verlaten. Maar ook dat beteekende weinig bij hetgeen nog stond te gebeuren.

Toen het etenstijd was en Shi Maria het eten opbracht, dat zij heel lekker had klaar gemaakt, om Nansi een kleinen troost in zijn ellende te geven, deed de man plotseling den mond open en zei: „Temekóe-Temebè!” Op hetzelfde oogenblik was het, alsof zoowel Nansi als Shi Maria en de kinderen met lamheid geslagen werden; geen van allen kon een vin verroeren. De man ging toen zitten en at zich den buik vol; slechts enkele ellendige stukken liet hij voor de anderen over.

De man was nauwelijks in slaap, of Nansi ging bij God, wien hij verzocht, hem een middel aan de hand te doen, om den man kwijt te raken; want zijn krachten begonnen zichtbaar af te nemen. God zei tegen hem: „zoodra de man zegt „Temekóe-Temebè” moet ge onmiddellijk het laatste woord Temebè herhalen; dan zal het de man zijn, die machteloos wordt, zoodat ge hem zult kunnen dooden. Maar let wel: op je weg naar huis zal je drie vruchtboomen zien, een guave*, een zuurzak* en een schopappelboom*. Eet geen van die vruchten, omdat, als je het wèl doet, je inplaats van het woord, dat ik je geleerd heb, den naam van de vrucht, die je gegeten hebt, herhalen zult”.

Welgemoed ging Nansi huiswaarts, maar al weêr bedroog hem zijn gulzigheid, evenzoo als zij hem in den tamarindeboom parten gespeeld had; hij bereikte nauwelijks den guaveboom of hij nam er een vrucht van, en at die op.

Het is wel niet noodig te zeggen, dat alles gebeurde, zooals God voorspeld had: toen de man de gebruikelijke woorden had uitgebracht, wilde Nansi het woord zeggen, dat God hem geleerd had, maar in plaats van „Temebè”, riep hij „guave!”

„Hoe is het mogelijk, dat je zoo dom kon wezen: ga maar weêr bij God en vraag het woord te mogen weten, dat je zeggen moet”, zei Shi Maria, toen hij maar niet op het woord kon komen.

Nog eenmaal ging Nansi bij God, die hem hetzelfde als den vorigen keer herhaalde, maar weêr at hij onderweg een van de verboden vruchten; wel was hij den guaveboom voorbij geloopen, zonder een vrucht er van te plukken, maar hij bezweek voor de verleiding van een zuurzak: hij nam er van en at de vrucht. Dezelfde geschiedenis als met de guave herhaalde zich: Nansi riep „zuurzak” in plaats van „Temebè”.

Nansi kon zich de haren uit het hoofd rukken van kwaadheid, maar er viel niets anders te doen, dan voor de derde maal bij God te gaan.

Shi Maria wanhoopte reeds; want zij wist, dat Nansi’s gulzigheid hem weêr er toe zou brengen, een van de vruchten te eten. Dit begreep ook Nansi’s jongste spruit, die even bij de hand was als zijn vader: daarom zon hij op een middel, om bij God te gaan met zijn vader, zonder dat deze er iets van merkte; hij besloot nl. de gedaante van een klis aan te nemen, en hechtte zich aan ’s vader’s broek, toen Nansi weêr bij God ging.

Bij God komende, vertelde Nansi zijn ongeluk: met een flinke berisping, zooals hij zulks verdiend had, kreeg Nansi voor de derde maal te hooren, wat hij doen en voornamelijk wat hij laten moest. Ook het zoontje hoorde alles.

Wat Shi Maria verondersteld had, gebeurde: Nansi at weêr een vrucht: twee van de drie boomen ging hij voorbij maar de schopappels waren zóó verlokkend, dat hij er een vrucht van plukte en deze opat.

Op etenstijd geschiedde weêr hetzelfde; maar toen Nansi riep: „schopappel!” schreeuwde zijn zoontje boven vaderlief uit: „Temebè!” en op hetzelfde oogenblik werd de man volkomen machteloos. Nansi smeet hem nu op den grond, en doodde hem. Maar in plaats dat Nansi nu voldaan was, daar hij immers van den man bevrijd was, nam hij een mes, sneed een stuk vleesch uit ’s man’s lichaam en at het op. Nauwelijks was het vleesch in zijn keel verdwenen, of zijn mond veranderde in een snoet, zooals de varkens dien heden ten dage hebben; want toen ter tijd hadden de varkens mooie snoetjes.

Notes in this chapter

Note 1 · Heer Spin zei „Tjari gi dem soema”.142Note 2 · Vleermuis riep: „Kot-kóti mofo”.143Note 3 · Kikvorsch zei: „Tódo”.144Note 4 · Hond antwoordde: „San mi sa taki”.145Note 5 · „Ja, patron”.146Note 6 · Boen no habi tangi.147Note 7 · „Mati dagoe148 geef me de lever terug”, zei anansi en Hond deed het.Note 8 · Heer Spin, de huisvriend van Tijger, verzuimde niet, aan het feest deel te nemen; wel is waar was hij dien dag niet goed geluimd, daar KakkeNote 9 · „De zaak, waarop ik U wijzen wilde, is deze. Kakkerlak gaat eenvoudigweg zitten, waar het hem belieft, en wel tusschen Hert en onzen vriend Note 10 · „Denk je misschien, dat ik hem verteld heb, hoe je steeds kwaadspreekt van hem, welke blaam je op zijn naam hebt geworpen, of dat je een deuNote 11 · Iffi joe díki wan hólo gi wan trà, joe srefi de fadòn na ini.152Note 12 · „Odi mâti Déde!”153Note 13 · „Hm!” dacht heer Spin, die een brabakóto154 met gedroogd vleesch zag staan, „dat is een goed teeken. Vriend, kan ik wat van dat gedroogde vlNote 14 · Anansi wawán sa tan!155Note 15 · ’Ma Akoe’156 bracht haar man drie bedorven eieren.Note 16 · „Hm! ik versta me niet met den kapitein.157 Hij heeft zeker weêr de eene of andere weddenschap aangegaan, en nu komt hij me zoo maar uitscheNote 17 · „Odi màti tígri”158 sprak Spin door den neus en met gesloten tanden.Note 18 · Zoo heeft heer Spin zijn weddenschap gewonnen. Daarom: lóekoe boen, Anansi kóli joe.159Note 19 · „Nàvoen kaptin”.160Note 20 · ’Ma Akoeba maakte een kósi161 en zond haar dochter naar binnen om het licht aan te steken.Note 21 · „No, no, no, me git sore hai,”162 schreeuwde de kapitein.Note 22 · „Ja zeker en hij heeft goed gegeten ook. Er is niets overgebleven dan de beentjes van de gebraden dóksi.163 Hij komt me voor, een gulzigaardNote 23 · Onderweg kwam hij de watra-mama164 tegen, die hem vervloekte, zeggende:Note 24 · „Ja”, antwoordde tódo.165Note 25 · Deze was zeer verheugd, zijn vrienden te zien en noodigde hen uit, om de wijd en zijd bekende ’Ma Akoeba166 te gaan begroeten.Note 26 · „Wel neen, màti Anansi”167 antwoordde Hert.Note 27 · Hert wilde ook wegloopen, maar helaas! Zijn gewei bleef in het web vastzitten. Hij werd gevangen genomen en in een hok gezet. En van toen afNote 28 · Heer Spin stond ’s morgens om vijf uur op, bewerkte zijn perceel tot zeven uur, en begaf zich daarna naar het land van zijn granmàn.169Note 29 · Mi a no joe boi!170Note 30 · „Neen, ik wil je geen genoegen doen, ik zal je in de kapoewéri171 gooien”.Note 31 · „Joe boi hei172, wil jij je heele leven doorbrengen met stelen? Weet je niet, dat ik je oom ben?”Note 32 · „Odi mi Om!”173Note 33 · Heer Spin had echter niet verzuimd, zijn gast te vragen, voor hem te willen antwoorden, in geval dat iemand hem kwam roepen. Sekrepattoe174*Note 34 · Tante Akoeba175 laat je groeten en vraagt, wanneer je eens bij ons komt zitten”.Note 35 · „Mati kraboe-dâgoe*, joe no wani loekoe joe tanta?”176Note 36 · Eer tien tien177. De Koning wilde zijn reine, onschuldige dochter alleen ten huwelijk geven aan den man, die zonder dat het hem kwaad deed, Note 37 · Toch was er één, die moedig de peperproef wilde doorstaan, teneinde met de prinses te kunnen trouwen. Deze was Ba’178 Anansi.Note 38 · Nauwelijks had de prinses het groote, roode gezwel in de zon zien schitteren, of zij riep van schrik: „Mijn Jezus179, Ba’ Anansi, wat is er Note 39 · De gulzigaard at het geheel op en liet zelfs de kindertjes toekijken, die met hunkerende oogen den eenen hap na den anderen zagen verdwijnenNote 40 · Er leefde eens eene oude vrouw, die een grondje bezat, even buiten de stad. Zij voorzag in haar levensonderhoud door het verkoopen van de prNote 41 · Ik ten minste vind het verschrikkelijk. Ja, ziek zijn, dat is wat. Maar geen ongeluk zoo groot of er is geluk bij. Mijn néne182 komt mij dikNote 42 · Kakkadoedel, kakkadoedel!185Note 43 · Iffi joe biérti, kom mi da.186Note 44 · Papà kári mi Leisah,187Note 45 · Mina kári mi Skoema!188Note 46 · Skoema mi na, Skóema mi sa tan!189Note 47 · Het eerste meisje was allemansvriend; zij werd door iedereen bemind en heette Akoeba190 (Jacoba).Note 48 · Akoeba nam haar buurmeisje Afi191 tot vriendin aan, maar deze benijdde haar in alles.Note 49 · Doegwèh a doegwèh, o!192Note 50 · Mi de bégi mi papà, mi passà193Note 51 · Op het einde gekomen, trof zij ’Ma Soemba aan, bezig obia194 te koken.Note 52 · Ba’ sóekoe, ba’ fínni, ba’ tjári.195Note 53 · Zij had Mininimi en Krimintaria lief, maar Kopro Kanon niet; daarom werd hij verwaarloosd en zat hij vol schurft196 en jaws*. Als het etenstNote 54 · Kopro Kanon tan de!197Note 55 · „Joe no séri mi toe sensi bakóeba?”198Note 56 · Kopro Kanon wawán de.199Note 57 · Er wordt verteld, dat het water beheerscht wordt door de Watramama.200Note 58 · De Watramama houdt verblijf in kreken. Zij komt nooit anders te voorschijn dan om hare kleinen te zoogen of om zich het haar te kammen met dNote 59 · Er was eens iemand die, door een kreek varende, gekerm hoorde. Toen hij voortparelde, bemerkte hij de Watramama, die in gevaar verkeerde en Note 60 · De Watramama had hem verboden met iemand hierover te spreken; anders zou zij hem moeten straffen.203 Maar ach! het zwakke geslacht, dat de mNote 61 · Men zegt, dat het gevaarlijk is, de albino’s die nog al eens onder de negers voorkomen, en Watramama-pikien204 genoemd worden, veel over hetNote 62 · In den slaventijd was er een jonge neger-albino, Skroero-ki205 genaamd, die dikwijls op den rivierbodem neêrdaalde, om allerlei voorwerpen tNote 63 · „Abóma wéri krósi”206. Wanneer een meisje vele huwelijksaanzoeken afslaat, kan zij wel eens in handen vallen van een nietswaardige, die doorNote 64 · Er heerschte opschudding in de dierenwereld. Alle wouddieren waren opgeroepen, om een dag na volle maan op de groote savanne* te verschijnenNote 65 · Poema* stelde voor, hem den hongerdood te laten sterven, Tapir* wilde hem eerst radbraken, daarna ophangen, Sneki209 voelde er meer voor, heNote 66 · Eensklaps echter hoorde men Sabakoe*, de schildwacht211, roepen: „daar komt Kees-Keesi aan”, en werkelijk, enkele minuten later trad hij de Note 67 · De meermalen genoemde missionaris, Pater C. van Coll vertelt ons (Co. a.) slechts, dat bij een sterfgeval de verwanten en vrienden, wanneer Note 68 · Máss’ra, tamára joe no sa si wi móro, miauw.213Note 69 · Dr. W. R. van Hoëvell vertelt nog een ander typisch voorbeeld van den fijnen geest van den Neger, wanneer hij in zijn reeds aangehaald boek Note 70 · Joe móesoe sori hem da ógri toe!215Note 71 · Om nu tot de Boschneger-anansi-tori’s terug te keeren, zoo heb ik voor dezen bundel een spinvertelling gekozen, waarin de herinnering aan AfNote 72 · Begeven wij ons in gedachte naar het West-Indische eilandengebied en zoeken wij er naar voorbeelden uit de op schrift gebrachte mondelinge oNote 73 · In vier dagen varens bereikt men per stoomschip uit Paramaribo het vóór de Venezuelaansche kust liggende eiland Curaçao218, dat èn door dezeNote 74 · Maar hoe ook vreemde, meer in het bijzonder katholieke invloed op de volkstraditie van den neger op Curaçao moge hebben ingewerkt219, zijn oNote 75 · Na de toelichtingen bij de Surinaamsche anansi-tori’s mag hier ten aanzien van de cuenta di nansi met de opmerking volstaan worden, dat ondeNote 76 · Zoo ging het dagen en dagen lang voort. Dag aan dag werden Nansi, zijn vrouw en kinderen al treuriger en magerder. Hoe bij de hand Nansi ook
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings