I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.
Reading edition
Inleidende beschouwingen.
In de bevolking van Amerika was toen reeds het proces eener ontwikkeling in uiteenloopende richtingen in vollen gang en had het Roode Ras* zich reeds uit den staat van barbaarschheid weten op te heffen—was reeds lang de kiem gelegd tot een moraal, welke een ieder, die in de Indianen-ziel heeft weten door te dringen, met den grootsten eerbied heeft vervuld, en die in velerlei opzicht tot voorbeeld mag strekken aan een groot deel der menschheid van het hedendaagsche Europa.
Zooals overal, waar natuurvolken met het blanke element in nauwere aanraking komen, heeft de nadeelige invloed van de toenemende blanke bevolking zich op de kinderen van het land, de Indianen, doen gelden. Doch niettegenstaande dezen invloed, die niet alleen uitroeiing op groote schaal met zich bracht—van de eenmaal zoo aanzienlijke Indianenbevolking der West-Indische eilanden is zoo goed als niets meer overgebleven—maar ook een ontaarding van het ras met zich sleepte, is er nog veel van het schoone, dat de Indiaan in moreel opzicht boven zijn blanke overheerschers verheft, overgebleven, en heeft hij door het van geslacht op geslacht oververtellen van zijn mythen- en legendenschat de grondstellingen van zijn verheven zedenleer voor zijne nakomelingen—de moraal van zijne onderdrukkers ten spijt—weten te bewaren en zijn wij in staat, ook den belangstellenden Nederlandschen lezer daarvan te laten genieten, hoezeer ook zijne mondelinge overleveringen den invloed der latere binnendringers, zoowel van Blanken als van Negers, hebben ondervonden.
Het grootste deel van het materiaal, waarover ik voor deze verzameling kon beschikken, is afkomstig uit een tijd, toen de Indianen reeds lang aan vreemde invloeden blootgesteld waren geweest.
De wreede tijden der Spaansche veroveraars (conquestadores), toen het meest vreedzame en het meest daarvoor toegankelijke deel der Indianen, vooral op het West-Indische eilandengebied, op ruwe wijze vernietigd was geworden, zijn voor het mythen-onderzoek weinig vruchtbaar geweest; en in de daarop volgende periode, toen het overgebleven deel, nog het talrijkst in Guyana’s uitgestrekte oerwouden, de aanraking ondervond van blanke zendelingen, deels der Katholieke, deels der Hernhutter missies, zijn de mondelinge overleveringen, hetzij door missionarissen, hetzij door wetenschappelijke reizigers, die de groote waarde van het vergelijkende mythen-onderzoek toen nog niet konden vermoeden, bij verschillende stammen te boek gesteld, zoodat wij het oorspronkelijk element in de mythen en legenden uit die tijden veelal vertroebeld vinden door het later daarin gebrachte Christelijke element.
Vooral de mythen en legenden der Benedenlandsche Indianen, die wij aan den arbeid van W. H. Brett (Br.), voor Engelsch Guyana en van C. van Coll (Co.), voor Nederlandsch Guyana—beiden Katholieke zendelingen,—en aan den arbeid van de gebroeders Penard (P.a.), voor Suriname te danken hebben, geven ons, zooals Dr. Herman ten Kate, een der beste Nederlandsche Indianen-kenners, terecht heeft opgemerkt (K.b.), een duidelijk beeld van de groote veranderingen, die de verhalen onder den invloed der blanken, vooral der zending, hebben ondergaan.
Ook de toenemende aanraking der Indianen met de Negerbevolking, die meer en meer het woongebied der Indianen binnendrong, heeft niet nagelaten, hier en daar het oorspronkelijke Indiaansche element in de mondelinge overleveringen te versluieren.
Bij eene kennisneming der in dezen bundel bijeengebrachte verzameling zal menig lezer herhaaldelijk ook aanknoopingspunten ontdekken met de mythen-schat der Oude wereld en het is zeker de groote verdienste van Paul Ehrenreich (E.) geweest, het hoogst waarschijnlijk te hebben gemaakt, dat de mythenschat der Zuid-Amerikaansche Indianen het overblijfsel is van een oeroude vroeger over het geheele gebied der Nieuwe wereld verspreide groep van overleveringen, en dat aan den anderen kant een in jongere tijden uit het Noorden langs de Stille Zuidzee komende groep van mythen- en sagenelementen er mede gemengd is geworden, die gedeeltelijk tot in het Oostelijk Halfrond vervolgd kan worden.
Dit jongere mythenelement, dat het Noordwestelijk gebied van Noord-Amerika met deelen van Noordoost-Azië gemeen heeft, blijkt nog tot ver het Zuid-Amerikaansche gebied te zijn binnengedrongen en heeft, zooals begrijpelijk is, dezelfde wegen gevolgd als de stoffelijke bezittingen van het Indiaansche ras, zoodat de groote mythenstroomingen uit het Oostelijk Halfrond met de uitkomsten der Archeologische en Ethnologische onderzoekingen in overeenstemming gebracht konden worden. Het grootste deel der in dezen bundel opgenomen mythen, sagen en legenden der Indianen van West-Indië zijn ontleend aan het belangrijke werk van Walter E. Roth (R.), getiteld „An inquiry into the animism and folk-lore of the Guiana Indians”, een bij uitstek deskundig onderzoeker, die meerdere jaren Commissaris en Beschermer was van de Indianen in het Pomeroen-district van Engelsch Guyana, en wiens onderzoekingen zich ook hebben uitgebreid tot de Indianen van Venezuela, Suriname en Fransch Guyana.
Hoewel wij met den Nederlandschen onderzoeker, Prof. Dr. J. P. B. de Josselin de Jong (J.), moeten erkennen, dat het bijna onmogelijk is, in een der Europeesche talen weêr te geven, wat er in het gemoed van den Indiaan omgaat, wanneer hij in kinderlijk naïeven verhaaltrant het diep-gevoelde gemoed, dat uit vele zijner vertellingen spreekt, tracht bloot te leggen, hebben wij toch gemeend, in dezen bundel de beschaafde schrijftaal te moeten bezigen, teneinde den lezer, wien het vooral om den inhoud te doen is, beter het verhevene, dat het denken der oorspronkelijke bewoners van West-Indië kenmerkt, te laten gevoelen.
Het bijzondere karakter, dat de mythen, sagen en legenden der Zuid-Amerikaansche Indianen vertoonen en waardoor zij zich van den rijken schat, op dit gebied in Noord-Amerika bijeengebracht, onderscheiden, is aan de weelderige tropische natuur van Guyana’s binnenlanden toe te schrijven, zoo geheel verschillend van de landschappen, te midden waarvan de Noord-Amerikaansche stammen verblijf houden. De groote ontwikkeling van het riviernet doet het nl. begrijpelijk voorkomen, dat het tooneel der verhalen voornamelijk de rivieren zijn, aan wier met tropisch oerwoud omzoomde oevers het Indiaansche leven zich in hoofdzaak afspeelt. Daar in dit gebied meren ontbreken, bedoelt de verteller, wanneer hij van meren spreekt, overstroomde rivieroevers.
Terwijl ik mij bij eene keuze voor deze verzameling in de eerste plaats heb laten leiden door het streven, bij den lezer belangstelling te wekken voor het Indiaansche zieleleven, heb ik er in de tweede plaats zooveel mogelijk zorg voor gedragen, dat de voornaamste natuur- en cultuurvoortbrengselen, die het bestaan der Indianenbevolking van tropisch Amerika beheerschen, in deze verzameling vermelding vinden.
De vertellers waren vrouwen en mannen, doorgaans ouden van dagen, van de drie voornaamste stammen van Guyana: de Caraïben, de Arowakken en de Warraus (door de letters C., A. en W. achter den titel van elk verhaal aangeduid), die de zwakke overblijfsels zijn van vroeger talrijke en machtige stammen, welke deel uitmaken van de groep der z.g. Benedenlandsche Indianen van Guyana, die volkenkundig met de dieper in het binnenland wonende z.g. Bovenlandsche Indianen en met de bijna geheel uitgeroeide oorspronkelijke bevolking van de Groote en Kleine Antillen tot eenzelfde gewest mogen gerekend worden, dat ook het stroomgebied der Orinoco en der Amazone omvat en zich tot de Paraguay-rivier uitstrekt.
De talen, die in dit gebied gesproken worden, behooren tot drie verschillende taalstammen, het Caraïbisch, het Arowaksch en het Warrausch.
De Caraïben, die zich zelf Kalienja* noemen, en wier stamland vermoedelijk Centraal-Brazilië is geweest, hebben zich in vroeger tijden door hun oorlogzuchtigen aard onderscheiden. De meer vredelievende Arowakken, die van oudsher in cultuur hooger stonden en als de uitvinders der hangmatten en de verspreiders der maïs- en tabakscultuur werden beschouwd en als bekwame pottenbakkers bekend stonden, zijn de eerste bewoners der lage landen van het tegenwoordige Venezuela en Guyana geweest en vormden ook op de West-Indische eilanden de oorspronkelijke bevolking. De Warraus eindelijk, die de eerste kolonisten als de vervaardigers van voortreffelijke vaartuigen hebben leeren kennen, schijnen zich van het Westen uit te hebben verspreid en eerst later Nederlandsch Guyana te zijn binnengedrongen. Van dezen zijn in het westelijk deel van Suriname nog slechts weinigen overgebleven, terwijl Engelsch Guyana nog talrijke nakomelingen van dezen zoo belangwekkenden stam tot woonplaats strekt.
De nauwere aanraking, die deze stammen van oudsher met elkander hebben gehad—tegenwoordig treft men Caraïbische en Arowaksche nederzettingen (kampen of dorpen), door elkander langs verschillende beneden-rivieren van Guyana aan—maakt het begrijpelijk, dat meerdere verhalen, zij het in gewijzigden vorm, bij deze drie stammen verteld worden.
Dat deze oude overleveringen niet steeds het leven der tegenwoordige stammen uitbeelden, behoeft geen nader betoog. De verheven moraal echter, die deze primitieve, door sommige waarnemers zoo slecht begrepen stammen daarin hebben neêrgelegd, mag, zooals bekwamer beoordeelaars genoegzaam hebben bewezen, nog als die van den oorspronkelijken Indiaan beschouwd worden, voor zoover nl. de aanraking met de Europeesche „beschaving” niet reeds haar noodlottig werk heeft gedaan.
Voor vele lezers heb ik het nuttig geoordeeld, aan de namen van planten en dieren en van cultuurbezittingen eene korte toelichting toe te voegen, die, omdat velen ook in de Negervertellingen voorkomen, in een afzonderlijk, alphabetisch gerangschikt register aan het slot van dezen bundel zijn vereenigd en naar welke door een * in den tekst verwezen wordt.
Inhoud der verhalen
De mondelinge overleveringen der Indianen van West-Indië behooren tot verschillende met bepaalde namen aangeduide rubrieken.
In de tweede plaats komen in deze verzameling z.g. sagen voor, die beschouwd moeten worden als bij het volk opgekomen verhalen, welke een historischen grondslag hebben, en waarin de geest van het volk, de beteekenis van een feit of van een persoon en de indruk, dien deze op het voorgeslacht hebben gemaakt, blijven voortleven. Wij treffen er ook z.g. Heldensagen onder aan, die, veelal sterk geïdealiseerd, de geschiedenis bevatten van groote voorvaderen, nationale helden, en waarvan de waarheid in den tijd, toen zij ontstonden, door niemand in twijfel werd getrokken. Deze heldensagen bevatten dikwijls mythische elementen, die zich langzamerhand als werkelijk gebeurde feiten ontwikkeld hebben, waardoor de Heldensage in hare oorspronkelijke gedaante een integreerend bestanddeel der scheppingsmythe vormt. In deze sagen worden de mythische voorvaderen van het volk met de cultuurbrengers gelijkgesteld.
Terwijl de sage min of meer historie is, zijn de sprookjes uitsluitend uitingen der volksfantasie. Evenals de mythen en sagen zijn vele sprookjes voortgekomen uit het volksgeloof, dat beheerscht wordt dooreen uitgebreid bijgeloof, te voorschijn geroepen door de menigte geheimzinnigheden der natuur. Vooral in het tropische oerwoud, waarin zelfs de ontwikkelde mensch te midden der overweldigende natuur door die geheimzinnigheden wordt aangegrepen en waarin ieder, die er in doordringt, zich overgegeven voelt aan bovenaardsche machten, moest bij den primitieven mensch wel de meening ontstaan, dat alles wat hij waarneemt, waaronder veel, dat hij niet begrijpen kan, door bezielde wezens wordt voortgebracht. Zoo is het niet te verwonderen, dat het Indiaansche leven nog geheel beheerscht wordt door het geloof aan talrijke geesten (door het Animisme), die er deels op uit zijn, kwaad te stichten en den dood kunnen veroorzaken, deels de levenden tegen onheilen kunnen beschermen.
Niet zelden zijn de sprookjes minder goed herkenbare uitloopers van de tot de Mythen-categorie behoorende Kosmogonie en de Heldensage.
Ook z.g. dierenfabels komen in deze verzameling voor. De fabel is in het algemeen een verhaal uit het natuurleven, vooral uit dat der dieren, dat toepasselijk gemaakt is op de menschen. De fabel dient tot leering van het volk en veelal wordt de moraal aan het einde van het verhaal opzettelijk uitgesproken. Vaak dienen de dierenfabels om tegenstrijdige eigenschappen in het licht te stellen, zooals sluwheid en domheid; handigheid en onbeholpenheid of om nuttige eigenschappen, die door slechte worden tegengewerkt, naar voren te brengen, zooals geslepenheid en geringe nauwgezetheid, brutaalheid en onbetrouwbaarheid enz.
Een bepaalde groep van dierenfabels behoort, evenals vele sagen, zoowel naar wezen als naar inhoud tot de kosmogonische natuur-mythe. Daar de primitieve natuurmensch tusschen mensch en dier geen onderscheid maakt, kunnen de dragers der mythische handeling zoowel menschelijke als dierlijke wezens zijn, die naar willekeur in elkander kunnen overgaan. In de dierenfabels treden dikwijls dieren op, die niet zoozeer door grootte en kracht indruk op de menschen maken, dan wel door bijzondere eigenschappen, die voor hen in het leven van groote waarde zijn, o.a. sluwheid, slimheid en door welke zij er vaak als brengers van waardevolle cultuurbezittingen, als z.g. cultuurhelden in optreden.
Een aantal dierenfabels hebben slechts een zuiver verklarend karakter, voor zoover zij de eigenschappen der dieren uit voorvallen en verschijnselen uit den voortijd willen trachten te verklaren. In deze fabels nemen de dieren niet, zooals bij de eerstgenoemde fabels, zinnebeeldig de rol van menschen over, doch zij zijn in wezen zelf menschen.
Zoowel in de dierenfabels als in de sprookjes heeft de scheppende fantasie vrij spel en deze wordt bij de natuurvolken nog sterk beïnvloed door bijgeloovige voorstellingen, die de omgeving, waarin het volk leeft, sterk in de hand werkt.
Uit deze korte beschouwingen blijkt wel, dat een scherpe onderscheiding tusschen mythen, sagen, dierenfabels en sprookjes niet altijd mogelijk is, evenmin als sagen en legenden altijd scherp uit elkander te houden zijn.
Oorspronkelijk noemde men legende een dichterlijke voorstelling van een of andere kerkelijke overlevering, de levensbeschrijving van een heilige, in het algemeen het verhaal eener gebeurtenis, die betrekking heeft op geloof en godsdienst, en doorgaans een wonder bevat. Gedurende de godsdienstoefeningen moesten deze verhalen worden voorgelezen (vandaar de naam legende = wat gelezen moet worden). Later paste men dezen naam ook toe op overleveringen van gebeurtenissen, die met geloof en godsdienst in geenerlei verband staan.
Ehrenbreit heeft er terecht op gewezen, dat, wanneer de mythe als primitieve natuurbeschouwing wordt opgevat, die door de fantasie in beeld gebracht is, zij toch niet als de uiting eener primitieve godsdienst mag worden aangemerkt, omdat zij geheel onafhankelijk is van godsdienstige voorstellingen en motieven en nog uitsluitend beheerscht wordt door vrees voor geesten en natuurdemons en door een geloof aan toovermiddelen, die den kwaden invloed dezer machten kunnen neutraliseeren.
De „godsdienst” der Indianen behoort nog tot het zuivere animisme*. Hunne mythische voorvaderen en fabelachtige stamhelden mogen in geenendeele als Goden beschouwd worden, daar zij, afgezien van een genealogischen band, geen betrekking meer tot de menschen hebben.
Het geloof aan een Godheid, aan één enkel Opperwezen, gedragen door een dienst, die door een bijzonderen priesterstand wordt uitgeoefend, die zich boven den arbeid van de z.g. tooverkunstenaars of geestenbezweerders verheft, komt, volgens de meeste schrijvers, bij de Indianen niet voor en strookt ook niet met de oorspronkelijke denkwijze der Indianen. Wanneer mededeelingen van sommige schrijvers deze meening schijnen te logenstraffen, hebben zij Indianen op het oog gehad, wier godsdienstige begrippen reeds onder Christelijken invloed gewijzigd zijn.
Wel erkennen de meeste stammen een z.g. Grooten Geest, die de Caraïben Tamoesi (= de oude), Tamoesi Kabotana (= de oude in de lucht) of Makoenaima (= de onbekende) en de Arowakken Wa Murreta kwonei (= onze maker), Wa cinaci (= onze vader) of Ifilici wacinaci (= onze grootvader) noemen, en door de Warraus met Konowato (= onze maker) wordt aangeduid; doch in geen dezer namen ligt, zooals Im Thurn (T.), Dr. H. ten Kate (K.), Ehrenbreit (E.), Walter E. Roth (R.) en anderen uitdrukkelijk verklaren, het denkbeeld van een Albestuurder, van een God ten grondslag. Veeleer zijn deze Goden de dooden van iederen stam, die in de herinnering van het volk voortleven en als de traditioneele stichters der stammen, als hunne Nationale Helden moeten beschouwd worden. Aan deze nationale helden wordt bij de wereldschepping een bijzondere rol toegekend, waardoor deze voorvaderen vanzelf tot cultuurhelden worden.
Een vermenschelijking, een personificatie van natuurverschijnselen, behoeft, zoo betoogt Ehrenbreit terecht, op zich zelf nog geen godsdienstig bewustzijn te onderstellen, dat door een geloof aan godheden, die de natuur en de menschheid beheerschen, wordt gedragen.
Een ontwikkeling tot hoogere eeredienstvormen, en daarmede een scherper naar voren treden uit de menigte onbestemde natuurgeesten van wezens van goddelijk karakter, die aan vaste functies gebonden zijn, is overal, en in het bijzonder in Amerika, aan den landbouw gebonden, wanneer deze wordt uitgeoefend onder omstandigheden, die den arbeid van den mensch waardeloos kunnen maken.
In tropisch Zuid-Amerika, waar de landbouw der primitieven nog eenvoudige hakbouw is, die naast de jacht en visscherij den Indiaan van het noodige voorziet, komt een vrij groote regelmaat in de atmosferische neerslagen voor. Droge en natte seizoenen wisselen elkander regelmatig af, zoodat het denkbeeld van de inwerking van bovenaardsche machten, die regelend in de natuur optreden, bij hem niet kon opkomen. Hier was het voldoende, door tooverij de dierengeesten te beïnvloeden, ter verzekering eener goede opbrengst van de jacht en de visscherij. Het naïve denken van den natuurmensch ziet in alle natuurverschijnselen, in overeenstemming met zichzelf, zelfstandig handelende wezens en op alle verschijnselen, die hij in de natuur waarneemt, draagt hij animistische, d.i. in zijn geloof aan geesten wortelende voorstellingen over.
De mythologie der Indianen houdt zich dus streng aan de natuurverschijnselen. Slechts zon en maan zijn voor den Indiaan tot persoonlijke godheden geworden, terwijl allerlei metereologische krachten, verschillende dieren, opvallende verschijnselen in het niet-organische rijk, zooals rivieren, zeeën, bergen, rotsen, als godheden van lageren rang en van een onbepaald karakter worden beschouwd.
De lezer zal van deze verzameling Indiaansche mondelinge overleveringen, geloof ik, met grooter belangstelling kennisnemen, zij zal hem ook een grooter genot schenken, wanneer hij bovenstaande korte beschouwingen overdenkt. Hem zal ook de inhoud van vele verhalen niet meer zoo vreemd toeschijnen, wanneer hij zich voor oogen houdt, dat deze natuurmenschen, die van hun zuiver menschelijk standpunt uitgaande, de dingen om zich heen waarnemend, de natuurverschijnsels ook slechts op een zoodanige wijze weten uit te drukken, die aan hunne eigen handelingen ontleend zijn.
Dat een dichterlijke aard en een filosofische aanleg aan den Indiaan niet ontzegd mogen worden, daarvoor zal deze bundel ten bewijze kunnen strekken.
Mogen sommige schrijvers wel wat overdreven hebben, wanneer zij de Indianen een volk van dichters en wijsgeeren noemen, zeker is het, dat er onder hen groote dichters voorkomen, dat zij, in het algemeen gesproken, dichterlijk en wijsgeerig zijn aangelegd en dat, waar het er in de „beschaafde” wereld met de moraal niet beter op wordt, die van de Indianen aan een ieder, die in hun gemoed poogt door te dringen, eerbied afdwingt.
„Het is niet mijn wensch nog langer te leven
Daar ginds in het land van mijn blanken genoot.
Bij d’ Indianen te blijven mocht mij zijn gegeven,
Tevreden, gelukkig zou ’k zijn tot mijn dood.
Mijn kind’ren zie groeien, aan faunen gelijk,
Kan ’k blij van gemoed zijn, het lichaam vol kracht
Het verhalen van de avonturen hunner Goden of Nationale Helden behoort bij alle Indianen stammen van oudsher tot de eerste wederkeerende plichten, die tegenover het nageslacht trouw moeten worden nagekomen.
In Noord Amerika werden daarvoor de lange winteravonden gebruikt, en de verteller wist dan meestal door zijn bijzonder talent tranen en lachbuien bij het jonge volk te wekken en de harten der krijgers van het heilige vuur te doen doordringen, vooral wanneer het noodzakelijk geacht werd, op het oorlogspad te gaan.
Hoewel deze tijden sedert de verspreiding der blanken over hunne woongebieden voorbij zijn, wordt toch nog van hunne mythische Helden en Goden gaarne verteld. In het leven van de oorspronkelijke menschheid is er misschien niets, wat zoozeer op een poëtisch aangelegd gemoed werkt als zich een vertelavond in een Indiaansche hut voor te stellen, wanneer de oude wijze man in zijn eenvoudige, onopgesmukte taal van een der Nationale Helden vertelt, die den Zonnegod overwon en de seizoenen en de dagen in het leven riep.
Zoowel de Noord- als de Zuid-Amerikaansche Indianen bezitten tal van verhalen, waarin mythische Helden als hoofdpersonen optreden. Uit den lijvigen bundel, die Walter E. Roth (R.) in het licht heeft gegeven en die, uit de drie Guyana’s afkomstig, voor het meerendeel door hem ter plaatse zijn opgeteekend, kies ik in de eerste plaats:
De Geschiedenis van Haboeri (No. 1), een der mythische helden der Warraus, die door hen den „vader der uitvindingen” wordt genoemd. Aan dezen cultuurheld dankt de Warrau zijn zoo voortreffelijke vaartuigen (korjalen), waarom hij hem in dit verhaal eert. Behalve dat wij hier ook reeds met willekeurige transformaties van menschen in dieren en omgekeerd kennis maken, en er de herhaaldelijk in hunne vertellingen voorkomende verklaring van de eigenschappen van diersoorten in aantreffen, wordt er ook van een der vele bij verschillende stammen heerschende meeningen omtrent den oorsprong van het menschdom in gewag gemaakt.
Hier wordt deze n.l. op de aarde gedacht, en daar de Indianen in het algemeen zich geen ontstaan kunnen denken uit iets, wat te voren niet bestond, zoo gelooft de Warrau, dat de mensch, of liever de eerste voorvader van zijn stam, hetzij uit verschillende dieren, hetzij uit een of andere plant (in No. 1) of ook wel uit rotsen, steenen of rivieren is te voorschijn gekomen.
De Caraïben daarentegen nemen aan, dat de mensch uit de lucht is neêrgedaald. Het verhaal, dat wij in No. 2 geven en uit Engelsch Guyana afkomstig is, behoort tot de z.g. mythencyclus der Caraïben, die zich scherp onderscheidt van die der Arowakken. Dit verhaal is niet alleen een der vele voorbeelden in de Indiaansche folklore, waarin dieren als brengers van cultuurplanten worden geschetst, maar het stelt ook de waarheid in het licht, die, hoeveel minder ook van toepassing op de Indianen-maatschappij, hier toch ook haar intrede schijnt te hebben gedaan (onder den invloed der blanken?) dat „ondank ’s werelds loon is”.
Hoe een zelfde mythe, met grootere of kleinere wijzigingen, bij verschillende stammen wederkeert, mag uit No. 3 blijken, waarin wij de zelfde mythe uit den mond van een Warrau-Indiaan weêrgeven.
Wanneer, zooals den lezer bij de kennisname van dit en andere Indiaansche verhalen zal opvallen, meermalen gesproken wordt van „vogels en dieren”, dan komt dit voort uit het geloof aan den oorsprong van de menschen in de lucht, waar zij nog geen andere dieren kenden dan vogels.
Ook in de mythen, die het ontstaan van het menschdom op de aarde laten plaats vinden, en waartoe de cyclus der Arowakken behoort, vinden wij nergens aanduidingen van een geloof uit niets, noch spontaan, noch door bemiddeling van den Grooten Geest.
De Arowakken-cyclus heeft als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond, dat ook wel eens in de gedaante van een mensch, n.l. als een steenen vrouw wordt voorgesteld.
In verband met de later te bespreken legenden, die op volksverhuizingen (migraties) betrekking hebben, is het de aandacht waard, dat in de scheppingsmythen van vele Indianen o.a. van de Navajoes en de Algonkins van Noord-Amerika, het bedoelde hol steeds in het Westen wordt gedacht, terwijl het niet minder treft, in bedoelde mythen het voorval met de dikke vrouw (zie No. 2 en 3) terug te vinden, die ook daar de oorzaak er van was, dat slechts een deel der menschen het aardoppervlak bereikte. Bij bovengenoemde stammen braken door de zwaarte der vrouw de zeer lange wortels af, die in het gat van den aardbodem groeiden, zoodat een aantal menschen weder in het hol terugvielen. Ook in de Migratie-legende van de Creek-Indianen van Georgia, die ik als bijvoegsel onder No. 48 aan dezen bundel heb toegevoegd, wordt van het ontstaan hunner voorvaderen uit een hol onder den grond verteld.
Bij talrijke stammen heerscht het geloof, in hunne mythen uitgedrukt, dat het menschdom uit verschillende dieren, planten, rotsen, steenen en rivieren ontstaan is.
De volgende mythe van dezen bundel (No. 4), getiteld: „De oorsprong der Caraïben”, doet de menschen uit dieren geboren worden. Zij schijnt van de Warraus afkomstig te zijn, die haar naar de Caraïben hebben overgebracht. Hier treffen wij dus het omgekeerde aan ten opzichte van de mythe, die het menschdom buiten de aarde ontstaan denkt. Voor de lezers, voor welke deze bundel bestemd is, geven wij de voorkeur aan de Caraïbische lezing.
Sommige stammen leiden het menschdom af, hetzij van een Mythischen Levensboom (zie blz. 20), hetzij van bepaalde boomen, bijv. de Zijdekatoenboom of de Kankantrie* en de Itapalm*. Volgens de Akawai- en Macoesi-stammen van Engelsch Guyana moet er een boom geweest zijn, waarin de Groote Geest, Makoenaima, omhooggeklommen is en met zijn steenen bijl stukken hout heeft afgeslagen, die in menschen en verschillende dieren veranderd zijn. Bij de Arowakken wordt bepaaldelijk de kankantrie als de oorsprong van menschen en dieren aangewezen. Ook bij hen zou Makoenaima stukken van takken en van den bast van dezen boom in de lucht, het water en op het land geworpen hebben en daaruit zouden dieren en ook mannen en vrouwen zijn voortgekomen.
De Maipoeres, een nu uitgestorven stam aan de Boven-Orinoco, geloofden volgens Von Humboldt, dat in oude tijden de geheele aarde onder water geraakt is, dat er een groote vloed* is geweest en dat slechts één man en één vrouw zich gered hebben op den top van den berg Tamanacoe; dat het paar, wanhopig over het verlies hunner verwanten en vrienden, om den berg heenwandelend, plotseling een stem hoorde, die den raad gaf, vruchten van den Itapalm* achter zich over het hoofd te werpen en dat, toen het dien raad opvolgde, uit de vruchten, die de man wierp, mannen voortkwamen, en uit die der vrouw vrouwen ontstonden.
Ook een ontstaan uit steenen vinden wij bij meerdere Indianenstammen als mythe verhaald. Bij de Makoesi-Indianen van Engelsch Guyana komt de traditie voor, dat Makoenaima een watervloed over de aarde zond en dat slechts één man zich heeft weten te redden, die daarna steenen achter zich wierp en dat op deze wijze de aarde weêr bevolkt werd. Deze traditie is hierom merkwaardig, omdat zij ook bij de Oude Grieken wordt aangetroffen. Bij hen was het Deucalion, die steenen achter zich wierp.
In No. 5 van dezen bundel, getiteld: „Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen”, vinden wij een der vele voorstellingen geschetst van de wijze, waarop het menschdom zijne cultuurgewassen verkreeg. Deze zijn volgens de Caraïben van een wonderboom gekomen, waarop zij groeiden, en terwijl het in No. 2 de Agoeti* was, die de menschen in het bezit van de maïs stelde, is het hier de Buniavogel*, een giersoort, die hen zelfs alles omtrent de cultuurplanten heeft medegedeeld.
Bij vele Indianenstammen, ook van Guyana, treft men sporen aan van een geloof aan een voortbestaan van het lichaam en de daarin huizende geesten. Zoo vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje (G.), dat een Ojana-vrouw hem vroeg, als hij terug mocht komen, voor haar een teremopüillatop (hetgeen beteekent een werktuig, dat een eeuwig leven kan bezorgen) te willen meêbrengen, opdat haar zoontje met het eeuwige leven gezegend zou worden.
Andere ontwikkelingstrappen van dit geloof aan een onsterfelijk lichaam treffen wij in verschillende mythen aan, die vertellen van het afwerpen der huid. De Indiaan gelooft, dat wie van huid verandert, het eeuwige leven heeft. „Toen Amalivaca* een tijdlang onder de Tamanacas* had geleefd, nam hij zijn korjaal, om de overzijde van het water, van waar hij was gekomen, te bereiken, en zong hem toe: „Gij zult van huid veranderen en daardoor, als slangen, eeuwig jong blijven”. Walter E. Roth, aan wien wij het voorgaande ontleenen, voegt er aan toe: „Toen Kororomanna* naar de aarde afdaalde, om te zien wat de Arowakken deden, vond hij ze zóó slecht geworden, dat hij hun het eeuwige leven ontnam, en het aan dieren gaf, die nu nog hun huid afwerpen” (slangen, hagedissen).
Het verhaal „De dochter van den Geestenbezweerder”, (No. 6) geef ik als een der vele voorbeelden van dit geloof. In een nog zeer primitief stadium van hun geloof aan een eeuwig leven laat de Indiaan het lichaam na den dood somtijds in steen veranderen, hetzij als een normaal iets, hetzij bij wijze van straf (No. 9).
In een hooger stadium van het geloof aan een voortbestaan na den dood wordt het lichaam vergankelijk gedacht, maar de geest of de geesten, die er in huizen en die bij den dood vrijkomen, onvernietigbaar. In alle deelen, waarin een slagader klopt, meenen de Indianen, zetelt een geest, van welke de in het hart huizende de voornaamste is.
De opvattingen, die verschillende Indianenstammen huldigen omtrent het verblijf dezer geesten na den dood, en de rol, die zij spelen, loopen zeer uiteen. Sommige stammen huldigen de meening, dat de geest van het hart na den dood hemelwaarts stijgt, om daar met andere gelijksoortige geesten te leven en ten slotte in een jong, nieuw lichaam te veranderen. Andere geesten gaan na den dood, hetzij naar het zeestrand en kunnen daar de booten van koers doen veranderen, hetzij naar het bosch of veranderen in dieren.
Dat in tal van dieren, volgens het geloof der Indianen, geesten huizen, blijkt niet alleen uit verschillende hunner mythen, sagen enz., maar ook uit hun geloof aan kwade en goede voorteekens en uit hunne talrijke bekoringsmiddelen, om de geesten dezer dieren gunstig te stemmen (zie later). Ook komen onder de Indianen talrijke sporen voor van een geloof aan geesten, die in planten huizen, (zie verder) ja, de geheele natuur wordt door de Indianen als bezield gedacht.
Nu eens kan een geest zich aan een ander lichaam verbinden, om een geestelijke vriend of een raadgever te worden, dan weêr kan hij in zijn nieuwe verblijf kwaad willen stichten. De geesten kunnen in de bosschen, velden en bergen blijven ronddolen, hun verblijf in boomen, steenen, onderaardsche holen opslaan, ja, ook wel met sterren, rivieren en de zee in verbinding treden.
De graad van onsterfelijkheid van den geest verschilt, te beginnen bij het primitieve geloof aan een ronddwalen om de plaats, waar de doode begraven is, tot aan het meer gevorderde geloof aan een overplanting, met of zonder dierlijke of menschelijke reïncarnatie.
De geest van een doode is altijd, ook bij de Indianen, een onderwerp van vrees. Bij doodenfeesten moet men dan ook den geest van den overledene gunstig trachten te stemmen, en hem vriendelijk toespreken.
Dance (D.) haalt een merkwaardig voorbeeld daarvan uit Engelsch Guyana aan:
Een Indiaansch kind was gestorven door de slechte gewoonte, om aarde te eten (aardeten* of geophagie). Toen het lijkje in een open doodkist lag, die de vader door een Creoolschen timmerman in de buurt had laten maken, naderde de grootmoeder van het kind kort vóór de begrafenis het kistje, en zich over het lijkje heenbuigend, sprak zij:
„Mijn kind, ik heb je altijd gewaarschuwd, geen aarde te eten. Ik heb je er nooit van gegeven, omdat ik wist, dat het slecht voor je was. Maar altijd zocht je het voor je zelf. Ik zeide je, dat het slecht voor je was. Nu zie je, heeft de aarde je gedood. Val er mij niet lastig om, want het was je eigen wil. Een boos iets bracht het in je hoofd, om ze toch te willen eten. Zie, ik leg je pijl en boog aan je zijde. Je kunt er je meê vermaken. Ik was altijd lief voor je. Wees ook lief voor mij en maak het mij niet lastig”.
Daarna kwam de moeder van het kind, en zei als in een treurzang:
„Mijn kind, ik bracht je ter wereld, om je alle goede dingen te laten zien en te laten genieten. Deze borst”, (daarbij toonde zij een harer borsten) „heeft je gevoed, zoolang je er behoefte aan had. Ik maakte mooie doeken om je te kleeden; ik verzorgde je en gaf je eten. Ik speelde met je en heb je nooit geslagen. Je moet ook goed voor ons zijn en nooit ongeluk over ons brengen”.
Toen trad ook de vader op het lijkje toe en zei:
„Mijn jongen, toen ik je zei, dat aarde je zou dooden, heb je niet willen luisteren, en zie, nu ben je dood. Ik ging uit en bracht een mooi doodkistje voor je meê. Ik zal moeten werken, om het te kunnen betalen. Ik heb een graf voor je gemaakt op een plek, waar je zoo dikwijls hebt gespeeld. Ik zal er je behaaglijk inleggen en wat aarde er bij doen, om ze te kunnen eten; want nu kan je dit geen kwaad meer doen, en ik weet, dat je er zooveel van houdt. Je moet geen ongeluk over mij brengen; maar zie naar hem, die je aarde deed eten”.
Het waren tot het Christendom bekeerde Arowakken die zoo spraken, waaruit blijkt, hoezeer het animistische geloof hen nog beheerschte.
Vele verhalen der Indianen hebben betrekking op z.g. Boschgeesten. Deze kunnen goede, maar meerendeels kwade hoedanigheden en bedoelingen hebben, zoodat zij doorgaans bij de Indianen in een kwaden reuk staan. Zij kunnen uit het lichaam van een doode, hetzij mensch of dier, of ook wel spontaan ontstaan, en vinden eindelijk een plaats, hetzij in het bosch, hetzij in een bepaalden boom of plant, zooals in No. 9, 11 en 29 kan blijken. Hunne namen loopen bij verschillende stammen zeer uiteen.
Bij Caraïben bestaat de overtuiging, dat zij zelf de oorzaak zijn van de kwade bedoelingen der geesten, zooals het verhaal „Hoe lichaamspijnen, dood en ellende op de wereld kwamen” (No. 7) leert.
Een bekende boschgeest der Arowakken heet Konoko Koeja, die Adda-Koeja wordt genoemd, wanneer hij in een bepaalden boom huist. Deze laatsten hebben niet zelden de gedaante van vogels. Op dezen geest heeft betrekking „Het hoofd van den boschgeest en de nachtzwaluw” (No. 8), waarin deze door alle Indianen gevreesde vogel uit het hoofd van den geest ontstaan wordt gedacht.
Gevaarlijk wordt het er voor gehouden, de geluiden der geesten na te bootsen, om hen te lachen, ja zelfs om hunne namen te noemen, zooals blijkt uit „De vrouw, die een Boschgeest nabootste” (No. 9). Doch het kan ook wel eens voorkomen, dat een aan een plant gebonden geest iemand tegen een anderen Boschgeest beschermt. Als voorbeeld van dit geloof is No. 10, getiteld: „De Geest van de schimmelplant redt het jonge meisje”, vooral hierom merkwaardig, omdat de Indiaan zich hier zelfs begeeft op het moeilijke gebied van de leer der plantaardige parasieten. In dit verband is ook No. 37 merkwaardig, omdat het hier de Geest van een den arm eens jagers bedekkende schimmelsoort is, die verantwoordelijk gesteld wordt voor diens weinige geluk op de jacht.
Buitengewoon rijk is de Indiaansche folklore aan mythen en legenden, die in verband staan met het geloof, dat bij alle stammen wordt aangetroffen, aangaande een innig verband tusschen menschen en dieren.
Oorspronkelijk waren volgens de meeste overleveringen menschen en dieren uit een zelfde „deeg” geboren en hadden zij, zooals een legende der Akawais, een Indianenstam in Engelsch Guyana, vertelt, van den Grooten Geest, door hen Makoenaima* genoemd, den raad medegekregen, in eensgezindheid te leven—een gebod, dat volgens de legenden door het verre voorgeslacht getrouw werd opgevolgd. Ongehoorzaamheid heeft in latere tijden, zooals de lezer in dezen bundel herhaaldelijk zal vermeld vinden, daarin verandering gebracht.
Dat volgens de Indiaansche folklore menschen en dieren op onbeperkte wijze in elkander kunnen overgaan, zooals boven reeds werd opgemerkt, is alleszins te begrijpen (No. 11 en 12, 16, 28). In vele gevallen werd de verandering van den mensch in een dier als een bestraffing opgevat, zooals wij zien in het mooie verhaal, getiteld: Hoe het ongeluk over de menschen kwam, of de geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe (No. 29).
Volgens de overtuiging der Indianen kan hun geestenbezweerder, de piaiman, voor wien immers niets onmogelijk geacht wordt, deze transformatie bij zich zelf en bij anderen te voorschijn roepen, geheel overeenkomstig die, welke door de geesten tot stand gebracht is.
Hoewel wij ons hier ter plaatse in dezen strijd niet kunnen mengen, mag toch worden opgemerkt, dat laatstgenoemde meening, om gelijksoortige verhalen bij verschillende volken te verklaren, in dit geval zeer onwaarschijnlijk is en dat vele Afrikaansche elementen, die in de Indiaansche folklore voorkomen, onmogelijk door een ontstaan, onafhankelijk eener aanraking met de negerbevolking, kunnen verklaard worden.
Wenden wij ons nu tot de plantenwereld, dan hebben wij reeds opgemerkt, dat volgens het oude geloof der Indianen, ook verschillende planten en boomen tot verblijfplaats van geesten kunnen dienen. Ook de transformatie van menschen in planten en omgekeerd, wordt nu en dan in de Indiaansche folklore aangetroffen. (Zie No. 1). Wel het meest bekende voorbeeld in Suriname van een boom, waarin geesten huizen, is de reeds genoemde Kankantrie* of Zijdekatoenboom, de hoogste, breedst vertakte en mooiste boom van Guyana’s oerwouden. Door de Boschnegers van Suriname worden aan dezen reus geregeld offers gebracht, ten einde de kwade geesten, die in den boom huizen, gunstig te stemmen.
Het is wel merkwaardig, dat dit geloof en deze gewoonte, die de negerslaven van Suriname uit Afrika hebben medegebracht, waar een verwante boom, de Adansonia digitata in de animistische voorstellingen der negers een zóó groote rol speelt, vóór de komst der Negers in Guyana reeds lang bij de Indianen bestond. Ook deze zullen, evenals Boschnegers en Stadsnegers, geen kankantrie omkappen.
Op dit verband tusschen dezen boom en de geestenwereld berust het geloof, dat zoowel bij Indianen (R. blz. 230) als Negers (C. e.) wordt aangetroffen, dat de Kankantrie na het ondergaan der zon wandeltochten onderneemt. Ook het voor den oningewijde vreemde feit, dat de Indianen in hunne verhalen de hutposten laten spreken (zie no. 1), vindt uit hun geloof aan in boomen huizende geesten een goede verklaring. Het verhaal, getiteld „Hariwali en de Wonderboom” (No. 16), evenals No. 30 „De kolibrie, die tabak brengt voor den eersten piaiman”, waarin van in de tabak huizende geesten sprake is, is in laatst genoemd verband zeker de aandacht waard.
Wij hadden het eerstgenoemde, met de geschiedenis van Haboeri, evengoed onder de Heldensagen kunnen opnemen, want Hariwali is de stamheld der Arowakken, die sommigen onder hen met Haboeri gelijkstellen. Evenzeer hadden wij het verhaal van Hariwali onder een afzonderlijke rubriek der Geesten van het water kunnen opnemen, omdat er van een watergeest in verteld wordt, die er in de gedaante van een bruinvisch in optreedt.
Hier mag er ook de aandacht op gevestigd worden, dat de vele bekoringsmiddelen, die de Indianen toepassen (zie blz. 36) en waarover de gebroeders Penard zoovele waardevolle mededeelingen hebben gedaan, ten grondslag liggen aan het bij de Indianen ingewortelde geloof aan een verband tusschen het plantenrijk en de geestenwereld.
In de Indianen-folklore vinden wij herhaaldelijk van transformaties van menschen in steen melding gemaakt, ook hier meermalen als straf voor begane overtredingen. Op dit geloof, dat ook in No. 9 voorkomt, heeft betrekking de legende, die aan den zooeven genoemden val is vastgeknoopt en die ik onder No. 17 heb opgenomen. Door den katholieken missionaris W. H. Brett (B.) is zij in dichtvorm opgeschreven, welke hij voor deze verzameling, waarin de invloed der zendelingen hier en daar duidelijk te bespeuren is, uitkoos, in overeenstemming met de wijze, waarop de nationale overleveringen in vroeger dagen met bijzondere stembuiging, meer gezongen dan verteld werden.
Ook het omgekeerde, nl. het geboren worden van menschen uit steen, komt in de Indianen-verhalen meermalen voor. Wij zagen immers reeds, dat de mythen-cyclus der Arowakken als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond heeft, dat in menschelijke gedaante, ook wel als een steenen vrouw wordt voorgesteld. (E. en K. b.).
De Indianen kennen ook een aantal Watergeesten (zooals den lezer reeds uit No. 16 bleek), waarover in W. E. Roth’s werk tal van mededeelingen voorkomen.
Nu eens hebben deze geesten een menschelijke gedaante, dan weêr komen zij in de gedaante van dieren voor, die in het water leven, of zijn zij half mensch, half dier. Bij de Caraïben heeten zij Okoyoemo, bij de Arowakken Orehoe en bij de Warraus Ho-aráoeni.
Volgens de Arowakken leven de Orehoes altijd in het water, en minstens één begeleid steeds een korjaal. Gebeurt er een ongeluk met een boot, dan is het altijd een Orehoe, die er de oorzaak van is. Deze hebben menschengedaante en verschijnen hetzij als mannen of als vrouwen. De vrouwen baden nu en dan op een zandbank in de rivier en kammen haar lang haar met zilveren kammen.
Bij andere stammen zijn deze Watergeesten overdag vrouwen en des nachts mannen. Volgens nog weêr anderen leven zij overdag op den bodem van het water, en komen des nachts uit het water en schreeuwen als kinderen.
De Okoyoemo der Caraïben hebben de gedaante van een Camoedi*, maar hij is veel grooter. Vandaar dat het, in geval van slangenbeet, verboden is, water te drinken of te baden, en het ook niet geraden is, dicht bij het water te komen.
Sommige dezer watergeesten zijn uit menschen, anderen uit visschen of vischachtige zoogdieren voortgekomen. Evenals de boschgeesten, zijn zij verantwoordelijk voor ziekten op de wereld. Daarom roept de geestenbezweerder, de piaiman, ook hen dikwijls op. Bij vele stammen worden nadeelige waterstanden der rivier aan hen toegeschreven, en het is daarom verboden over hen te spreken en hunne namen te noemen, zooals uit het verhaal: „Amanna en haar praatzieke man” (No. 18) blijkt.
Onder de vele woorden, die de Indiaan niet mag uitspreken,—die, zooals men dit noemt, taboe* zijn (zie blz. 37)—zijn er ook woorden, die niet op het water mogen gebruikt worden.
De groote hoeveelheid van zulke taboe-woorden bemoeilijkt, zooals te begrijpen is, de Indiaansche taalstudie niet weinig.
Alle Indianenstammen hebben talrijke mythen, sagen en legenden, die van hunne animistische voorstellingen omtrent alles wat zij aan den hemel waarnemen, duidelijk blijk geven. Het spreekt van zelf, dat Zon en Maan een groote plaats in hunne mondelinge overleveringen innemen. De Zon, de bron van licht en warmte, die doet leven en groeien; de Maan—de Indiaansche zon der slaap—, die des nachts het aardrijk verlicht en door zijn herhaalde vormveranderingen in het eenvoudige brein dezer natuuraanbidders allerlei phantastische voorstellingen deed geboren worden.
Bij alle stammen, zoowel van het Noordelijk als het Zuidelijk deel der Nieuwe Wereld, moesten deze hemellichamen, door hetgeen aangaande hun voor hen zoo geheimzinnig gedrag werd waargenomen, tot bezielde wezens worden, die als menschen handelen, strijd voeren, verslonden worden enz.
Gedurende een zonsverduistering, zoo wordt verhaald, (T.), renden bij de Arowakken de mannen met angstige kreten uit hunne hutten, daar zij in de meening waren, dat de Zon en de Maan aan het vechten waren. In Fransch Guyana is het geloof aangetroffen, dat bij zons- en maansverduisteringen een vreeselijk monster, dat zij probeeren met hunne pijlen te verjagen, bezig is de hemellichamen te verslinden.
Een voor dezen bundel geschikte mythe, die de Zon zelve tot onderwerp heeft, heb ik niet kunnen vinden. No. 19, getiteld: „de Zon en zijne tweelingzoons”, kan deze leemte eenigermate vergoeden.
Op een der West-Indische eilanden, nl. Haïti, is nog een scheppingsmythe bewaard gebleven, waarin van de geboorte van Zon en Maan, evenals de menschen volgens de Arowakschen cyclus, uit een hol in den grond verteld wordt. Dit eiland zou het eerst van alle landen geschapen zijn. Het hol, waaruit Zon en Maan geboren werden, ten einde de aarde van het noodige licht te voorzien, zooals het verhaal luidt, wordt door de bewoners nog aangewezen. Het bevindt zich op 7 tot 8 mijlen van Kaap François (nu Cape Haytien genoemd) en heet „la voûte á Minguet”. Het is ongeveer 50 meter diep en zeer smal. Door de bevolking werd het vereerd, en bij lang uitblijven van regen maakte men er bedevaarten heen, bracht er offers in den vorm van vruchten en bloemen en voerde er, onder begeleiding van zang, dansen uit.
„Evenals Zon en Maan stelt elke ster, die om een of andere reden de aandacht van den Indiaan trekt, een voorwerp op aarde voor. Voor een kenner staat de levensgeschiedenis van dieren en planten”, zeggen de Penards, „met vurige letters aan de hemel geschreven”. De namen, die de Indianen aan bepaalde sterren en sterrebeelden geven, zijn òf ontleend aan het, in een tijd, waarin zij verschijnen, veelvuldig optreden van dieren, òf aan het dan rijp worden van bepaalde vruchten. Ook hier laten de Indianen zich weêr kennen als uitmuntende natuurwaarnemers.
Sterren en sterrebeelden zijn volgens de Indianen geesten van menschen en dieren—deze voorstelling treffen wij aan in No. 3 getiteld: „De oorsprong van het menschdom”—; vallende sterren zijn geesten, die op de aarde nederdalen. Uit de vele verhalen, die betrekking hebben op hetgeen de Indianen aan den hemel waarnemen, hebben wij „de Zon en zijn beide tweelingzoons” (No 19) gekozen. Deze vertelling behoort tevens tot de zg. Heldensagen, want de bij verschillende stammen van Guyana tot de Helden behoorende tweelingzoons van de Zon: Pia en Makoenaima, treden er in op den voorgrond. Deze sage is een der voorbeelden van de groote veranderingen, die een verhaal na de overbrenging van den eenen stam op den anderen kan ondergaan. Van hetzelfde verhaal bestaat nl. een Warrau-, een Caraïbische en een Macoesi-lezing. Wij verkozen de tweede, en veranderden den titel, omdat de oorspronkelijke titel „De Zon, de Kikvorsch en de vuurstokken” niet meer voor de Caraïbische lezing past. In deze gedaante van het verhaal vindt de Held Makoenaima tegelijk met maipoeri* ten slotte een plaats onder de sterren.
Bij de Makoesi-Indianen, een der Indianenstammen van Engelsch Guyana, heeft de natuuronderzoeker Schomburgk op zijne reizen in dit land een legende opgeteekend, die betrekking heeft op een Komeet of Staartster, nl. de Komeet van Halley. Toen deze op een nacht aan den hemel verscheen, zegt hij, kwamen mannen, vrouwen en kinderen verschrikt uit hunne hutten loopen, en terwijl zij de armen naar den hemel uitspreidden, smeekten zij het vreemde lichaam den hemel te willen verlaten. Zij noemden het Ca-po-escima (= vuurwolk) of Wae-inopsa (= zon, die zijn stralen achter zich werpt). In deze legende, getiteld: Legende van den Vleermuisberg (No. 20) wordt de staartster voorgesteld als een oude vrouw, die een vuurstok (flambouw) draagt.
Talrijk zijn in de Indianen-folklore de voorbeelden van hun ingeworteld geloof aan slechte en goede voorteekens (Omens) en hoe hun gansche leven beheerscht wordt door dit geloof, heeft de lezer reeds kunnen afleiden uit hetgeen daarover voorkomt in No. 16 en No. 8.
De schildpad, die levend op de heete asch werd gelegd, en telkens er uit vandaan kroop, was een slecht voorteeken, dat de dood der vrouw beteekende. Evenzoo is het onheilspellend geluid van de nachtzwaluw een omen, dat ongeluk voorspelt. Want is deze vogel niet uit den kop van een gevreesden boschgeest voortgekomen (No. 8)? Niet minder onheilspeilend is het geluid van den uil (No. 21, No. 26 en No. 28) en daar voor zijn de Indianen in het bijzonder bang; en geen wonder! want onder de lugubere geluiden, die onmiddellijk na zonsondergang uit het oerwoud klinken (C. b.) is dat van den uil wel het meest angstaanjagende. Een uilensoort huist in oude holle boomen op een afstand van een rivier en van daaruit klinkt zijn zang (!), die begint met een viertal tonen in majeur, waarop na een korte pauze van slechts enkele seconden weêr vier tonen volgen, maar die nu in het overeenkomstige mineur klinken. Na een kort oogenblik worden de laatste twee tonen in mineur herhaald en dan is alles stil.
Bij sommige Indianenstammen wordt deze uil „de moeder van de maan” genoemd. Wanneer de onderzoekingsreiziger in Guyana’s binnenlanden in een der tijdelijke kampementen in het oerwoud langs de rivier in zijn hangmat ligt te filosofeeren over „het leven”, wordt hij soms opgeschrikt door het diep-droefgeestige geluid van „de moeder van de maan”, dat hem de haren te berge doet rijzen. Als de eerste tonen hem doen opschrikken, zal een huivering door zijn leden gaan, want het is alsof een mensch in een poel om hulp roept, en wel op een zóó droevige wijze, dat het hem toeschijnt, alsof hij alle hoop op redding heeft opgegeven. De vier tonen, die in mineur volgen, zijn nog droeviger, want zij klinken alsof de wanhopige in een laatste krachtuiting den geest geeft. De laatste twee tonen, die na een korte pauze volgen, zullen hem doen denken, dat hij de laatste snikken hoort van een worstelende met den dood.
Is het te verwonderen, dat het geluid van den uil in de eerste plaats bij de Indianen als een slecht voorteeken geldt?
Ook kleinere dieren, zooals insekten kunnen, voor den Indiaan kwaad of goed beteekenen. Een merkwaardig voorbeeld van dit geloof is bijv. de Lichtkever*, een der merkwaardigste phosphoresceerende dieren van het oerwoud, want deze kevers verschijnen plaatselijk als een zwerm hellichtende vonken, die voortdurend door het geboomte heen en weêr dwarrelen. Dit insekt kan voor den Indiaan drie voorspellingen beteekenen. Wanneer het lichtende dier in zijn hut op den grond valt, voorspelt het een spoedigen dood van een der bewoners. Valt het in het vuur, dan beteekent dit, dat een hert het gezonden heeft, om licht voor hem te halen. Wanneer het onder de hutbedekking gaat zitten, meent de Indiaan, dat hij iemand verwachten kan. Op dit bijgeloof, dat wij aan Walter E. Roth ontleenen, heeft het verhaal „De lichtkever en de verdwaalde jager (No. 22) betrekking, terwijl in „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28) een insekt (een zwarte mier) als een goed voorteeken voorkomt.
Een zeer groote rol in het leven van den Indiaan spelen de bekoringen, en de daarvoor door hen gebezigde bekoringsmiddelen, de zg. Binas of Toelalas (P.) die voor allerlei doeleinden dienen, hetzij voor goede, hetzij voor slechte. Zij worden bijv. gebruikt, om zich een goede jacht of vischvangst te verzekeren, waarbij men voor bepaalde dieren bijzonder daarvoor bereide Toelalas bezigt. Het geloof der Indianen in deze middelen berust op de gelijkenis van het middel met het te bekoren wezen. Wanneer de Indiaan bijv. een Pakira* wil bekoren, waardoor hij meent geluk te zullen hebben op de pakirajacht, zal hij het middel bereiden uit het blad van een plant (een Xanthosoma-soort), waarin hij gelijkenis ziet met den pakirakop. De Penards hebben in hun reeds aangehaald werkje dit onderwerp uitvoerig behandeld; daaruit moge blijken, hoe ingewikkeld dit bekoringsvraagstuk, waarvan volgens den Indiaan zooveel afhangt, wel is.
Niet alleen op de jacht en de vischvangst doen de bekoringsmiddelen goede diensten, maar de Indiaan bezigt ze ook in zijne betrekking tot de vrouw. Hij heeft er, die hem het bezit van een door hem gewenschte vrouw kunnen verzekeren en ook die de kracht bezitten, een vrouw, van wie hij afkeerig is, van hem verwijderd te houden. Ook de vrouw kan hetzelfde middel tot wegdrijving der liefde bezigen ten opzichte van den man (zie blz. 48). Slechts enkele legenden worden onder hen verteld, waarin het bekoringsmiddel wordt aangeduid, zooals in No. 23 getiteld: „De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte vrouw”, en in No. 24 getiteld: „Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam”. Ook in No. 38, getiteld: „De Legende van Letterhoutstomp” is van bekoring, nl. van den slangengeest sprake.
Talrijk zijn bij de Indianen de onthoudingen, die zij voortdurend in acht hebben te nemen, ten einde zich daardoor tegen onheilen te beschermen en van welke wij in hunne mythen en legenden nu en dan voorbeelden leeren kennen (zie No. 39). Zij mogen bijv. niet te veel van een zelfde diersoort schieten, uit vrees dat haar bijzondere boschgeest hen kwaad zou kunnen doen. Daarom ook dragen de Indianen het wild en de visch, waarmeê zij terugkeeren, niet zelf in de hut, doch leggen het buiten neêr, het aan de vrouwen overlatende, den buit te halen. (Zie No. 1 en No. 36). Ook hierdoor meenen zij zich tegen den geest te kunnen beschermen, die in het dier huist, dat zij hebben bemachtigd; vast zijn zij overtuigd dat, als zij zich hieraan niet houden, de jacht den volgenden dag niets zal opleveren. Overal, waar men in Guyana, op de eilanden en in het Orinocogebied zijn onderzoekingen instelt, zal men dit gebruik aantreffen.
Aan de vrees voor gevaren van den kant der geesten ligt nog een ander gebruik, waaraan de Indiaan zich in bepaalde omstandigheden steeds zal houden, ten grondslag, nl. de gewoonte om even de oogen te sluiten. De Arowakken en Caraïben zullen b.v. de oogen even sluiten, wanneer zij voor het eerst een landschap zien, dat hun aandacht trekt, of wanneer zij ergens voor de eerste maal komen. Zij meenen dan te kunnen voorkomen, dat de Geest zich tot hen zou voelen aangetrokken. Dikwijls heeft deze gewoonte ook ten doel, een gevaar te kunnen vermijden. Veelal is het voor hen een teeken van wangunst, haat of kwaadaardigheid. Bij Warraus en Arowakken zal, wanneer twee mannen of twee vrouwen hevige oneenigheid hebben, de vertoornde de andere partij aanzien en daarna plotseling de oogen sluiten, om na het weder openen, zich zonder iets te zeggen te verwijderen. Het sluiten der oogen en het daarna uitspreken van een wensch (zie No. 25) zal wel met het geloof aan geestenbeïnvloeding in verband staan.
Ook ten opzichte van gebruiksvoorwerpen zal de Indiaan bepaalde voorschriften getrouw moeten opvolgen. Vaatwerk o.a. dat bij sommige stammen uit klei gebakken is, dat niet op een bepaalden tijd gedolven is, nl. in de eerste nacht na volle maan, zal volgens hen slechte eigenschappen hebben. Dat aardewerk eveneens met geesten in verband wordt gebracht (zie blz. 28), leert ons No. 26, getiteld: „De gelukspot.”
Tot hetgeen de Indiaan steeds zorgvuldig in acht te nemen heeft, behoort ook het nalaten van het uitspreken van den naam van een persoon. Er is volgens hem een nauw verband tusschen een persoon en diens naam, zoodat, evenals dit ten opzichte van geesten het geval is, het uitspreken van iemands naam in zijne tegenwoordigheid kwade gevolgen kan hebben. Daar de naam als een deel van den mensch wordt beschouwd, kan het uitspreken van diens naam ten gevolge hebben, dat diens geest macht over den naamnoemer krijgt. Al naar den leeftijd en de sexe zal men zeggen: broêr, zuster, vader, moeder, zoon, dochter enz. Bij sommige stammen spreekt men daarom alleen de helft van den naam uit, b.v. Mala in plaats van Mala-Kaali. Van de Trio’s, een stam der Bovenlandsche Indianen van Suriname vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje, dat sommigen twee namen hebben, een voor vrienden, en een voor vreemden. Van de Ojana’s, een Caraïbenstam aan de Boven-Marowijne in Suriname en in Fransch Guyana, vermeldt J. Crévaux, dat zij een afzonderlijken naam gebruiken, wanneer zij den persoon aanspreken en een anderen, wanneer zij over hem in zijn afwezigheid spreken. Moeilijk is het soms, den waren naam van een Indiaan te weten te komen. Steeds is hij bekend onder een bijnaam of een naam, hem gegeven om zijn bijzondere eigenschappen, als kundig jager of visscher, als moedig strijder enz. Zelfs na iemands dood zullen velen het zorgvuldig vermijden den naam van den overledene te noemen. Het verhaal getiteld: „De Honigbij en de zoete drank” (No. 26) geven wij in verband met bovenstaand gebruik.
Een merkwaardige gewoonte, die vroeger bij Indianen in zwang was, en waaraan zij zich zorgvuldig hielden, was het verbod, om de hut van de schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, of zelfs naar haar te zien. Van dit vreemde voorschrift wordt verteld in het verhaal, getiteld: „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28).
Een belangrijke rol speelt in het Indianen-leven—bij den eenen stam meer dan bij den anderen—hetgeen met den algemeenen naam van Kenaima wordt aangeduid. Ziekten en alle mogelijke soort van lichamelijke letsels, die den Indianen kunnen treffen, zijn volgens hem het werk van Kenaima’s, hetzij bekende of onbekende, hetzij lichamelijke, hetzij geestelijke. De Kenaima-geest kan niet alleen in een mensch maar ook in een dier opgewekt worden. Als iemand gedwongen is, volgens de wet der bloedwraak, volgens de Indianen-leus: „oog om oog, tand om tand”, wraak te nemen, wekt hij de Kenaima-geest in zich op, en hij kan in dien toestand aan zijn wraakzuchtige neigingen bot vieren. In dit geval spreekt men van de lichamelijke Kenaima. Er bestaat echter ook een geestelijke Kenaima, die de eigenschap heeft, om den geest van zijn lichaam los te maken en een of ander dier, tot zelfs insekten en wormen toe, doch meer in het bijzonder een jagoear en een slang binnen te dringen, ten einde in die gedaante kwaad te doen.
Kenaima, den geest der wrake, zien wij vooral aan het werk in No. 29, maar ook in No. 47, waar hij in de gedaante van den zoon van Mapajawari optreedt.
Doorgaans bedient een Kenaima zich van onzichtbare pijlen (No. 44) of van gebroken pijlen (No. 24 en No. 37).
De voorstelling van onzichtbare pijlen, die, volgens den Indiaan, ziekten en allerlei kwaad kunnen stichten, is vermoedelijk voortgekomen uit de geheimzinnige en onverwachte wijze, waarop een pijl dikwijls treft.
Een gebroken pijl is vermoedelijk het zinnebeeld van den strijd. Volgens meer dan één schrijver was bij vele stammen het breken van een pijl in het openbaar voldoende, om het volk tot den strijd op te roepen. Moeilijker te verklaren is het, waarom—zooals bij de oude Warraus gebruikelijk was—de helften van een gebroken pijl over het lichaam gewreven, moed en kracht zouden geven (No. 24).
Boschgeesten worden veelal in het bezit gedacht van onzichtbare of gebroken pijlen.
De geestenbezweerder, de piaiman, wordt in staat geacht, het gestichte kwaad, in het bijzonder ziekte, te keeren. De piaiman is dan ook een belangrijke persoonlijkheid in elk dorp of kamp. Voor dezen arbeid is een zeer lange en moeilijke voorbereiding noodig, die de taak allesbehalve benijdenswaard doet zijn. Maar de eigenschap van den Indiaan, om met het staalste gezicht de vreeselijkste lichaamspijnen te kunnen verdragen, zal hem deze gemakkelijker doen dragen, dan wij denken.
Wie aan het einde van een verblijf van eenige dagen in een Indianenkamp, waarin hij het doen en laten van dit sympathieke volk aandachtig heeft gadegeslagen, de piaiman bezig heeft gehoord, heeft reeds van het zieleleven van den Indiaan een diepen indruk kunnen medenemen (C. a.). Geen ander verhaal in dezen bundel geeft een zóó helder beeld van hetgeen er in de Indianenziel omgaat en van het leven van de Indianen, dan „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” (No. 29). Vooral het opwekken van den Kenaima-geest en het werk van den piaiman is er op boeiende wijze in geschetst. In dit verhaal worden wij tevens herinnerd aan de wijze, hoe het eertijds in de groote hutten of vergaderplaatsen der Indianen moet zijn toegegaan, alvorens tot een vijandelijke aanval werd overgegaan. De Gebroeders Penard hebben van hetgeen op een besluit daartoe placht te volgen een belangwekkende schets gegeven, die wij hier woordelijk overnemen, en die in het bijzonder betrekking heeft op de vroegere oorlogen tusschen de strijdlustige Caraïben en de meer zachtaardige Arowakken:
„Werd in de raadsvergadering tot den strijd besloten, dan volgde onmiddellijk den strijd- of z.g. knotsdans (Apoetoedans). Met opgeheven knotsen, bogen en pijlen bezongen de strijders den roem hunner voorvaderen, tegelijk de gelofte doende, op gelijke wijze te zullen handelen. Zij werden dan tevens door vrouwen, kinderen en ouden van dagen bespot, ten einde hen nog meer aan te vuren. Het doel van dezen dans was, dat ieder strijder in zich den jagoeargeest, de kaikoetji juma, trachtte op te wekken”.
Ieder mensch en dier kan, hoe goedaardig ook, getergd zijnde, den tijgergeest in zich opwekken, die hem handelingen doet begaan, waarover hij later berouw gevoelt. Hij vraagt zich af: hoe is het mogelijk, dat ik zoo te keer kan gaan? En het antwoord luidt: Is de Tijger in den mensch, dan wordt ook de mensch gelijk den Tijger”.
„Tevens dronken de strijders den zg. Strijddrank, die bestond uit paiwarri*, waarin een poeder of zalf gemengd was, bereid uit wormen van de rottende hersenen, den lever en het hart van den Jagoear en den Boa of Anaconda*, alsmede van den moedigsten en listigsten van vroeger door hen gedoode vijanden. De hersenen werden ondersteld de list, de lever den moed en het hart het leven op te wekken. Ook tijgerklauwen werden in den grond begraven, en de daaruit ontstane wormen tot poeder en zalf verwerkt, en aan de armen en de knotsen der strijders gesmeerd.”
„Meisjes en vrouwen brachten den drank rond in kalebassen, terwijl de strijders zongen:
Okone kaikoetjijumu, okone Awaloewa
Kaikoetji ke wa.
Awoe tage kaikoetji toewotjan irowa la
Okone Ikili inasao ko.
Wij roepen U; Tijger, kom geest van geweld,
Doorgloei met Uw vuur al ons wezen.
Omzweef ons opdat in deez’ bloedigen strijd
De vijand den Caraïb leer’ vreezen.
Daal neder, bekoring, verduister het oog
Der strijders, die dra gaan nad’ren,
Om brullend, den Tijger in bloeddorst gelijk,
Te wreken den dood onzer vad’ren.
Wij volgen en worgen met d’ armen.
Bezield door den moordlust van Tijger en Slang,
Mist ons hart elk spoor van erbarmen.”
Deze beschrijving zal, meenen wij, het genot, dat de lezing van „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” verschaft, niet weinig kunnen verhoogen. Hoewel Christelijke invloed aan dit verhaal niet geheel en al vreemd schijnt te zijn, toch blijft het als belangrijke bijdrage tot de kennis van de moraal en het leven van den Indiaan zijn waarde behouden.
In verschillende der reeds genoemde verhalen, treedt, zooals haast van zelf spreekt, de geestenbezweerder of de piaiman (o.a. in No. 28) als een belangrijk lid der Indianenmaatschappij op. In No. 30, getiteld: „De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman”, is meer in het bijzonder daarom belangrijk, omdat er in deze legende van de herkomst van het belangrijkste der ingrediënten, die de piaiman bij zijne bezweringen gebruikt, de tabak, wordt verteld. De Indianen, die tabak ook als genotmiddel gebruiken, onderstellen, dat ook Geesten zeer op tabaksrook gesteld zijn. De piaiman haalt daarom bij zijne bezweringen voortdurend tabaksrook in, om daardoor de Geesten te kunnen aantrekken. Dit verhaal is daarom ook nog de aandacht waard, omdat het vermoeden zou geopperd kunnen worden, dat van de Arowakken, die oorspronkelijk de Antillen hebben bewoond, ook de tabak, die bij de Indianen van Guyana zulk een rol speelt, afkomstig is, en in de tweede plaats, omdat er van de bij alle Indiaansche stammen voorkomende legenden aangaande het voorkomen van vrouwennaties (zg. Amazonen) in wordt melding gemaakt.
Reeds Columbus heeft op zijn eerste reis onder de Indianen vechtende vrouwen gezien en wat de groote ontdekkingsreiziger uit de Oude Wereld bekend was, meende hij nu ook in de Nieuwe Wereld te hebben aangetroffen.
Von Humboldt meende echter, dat de bij alle Indianenstammen voorkomende Amazonen-legende aan de strijdlustigheid van de vrouwen bij sommige stammen moet worden toegeschreven, die door de eerste reizigers, die ze ontmoetten, sterk overdreven is geworden, onder den invloed van de groote vreugde, bij de pas ontdekte volken gevonden te hebben, wat de oude Grieken vertellen omtrent de barbaarsche Skythen en Afrikanen. Wallace meent, dat het geloof aan Amazonen in de wereld is gekomen door de eigenaardige haardracht der mannen bij sommige Indianenstammen, waarbij hij nog de aandacht vestigde op het dragen van armbanden door de mannen van enkele stammen en de zorgvuldige verwijdering van elk teeken van baardgroei. Ook Schomburgk is deze meening toegedaan. Van deze Amazonen werd verteld, dat zij, om beter in den strijd de wapens te kunnen hanteeren, de rechterborst zouden laten afsnijden; dat zij van de mannelijke bevolking geregeld bezoeken zouden ontvangen en dat de jongens, die geboren werden, òf den vaders werden meêgegeven, òf gedood werden.
De Gebroeders Penard meenen, dat de legenden, waarvan wij er een uit hun werkje opnemen (No. 31, getiteld: „Het ontstaan der vrouwennaties”) gedeeltelijk een voorstelling is van het paradijs der Indiaansche vrouwen. Volgens hen kan de vrouw zich geen staat van gelukzaligheid denken, waarin de man haar heerscher en zij slechts zwoegende slavin is. „In hare verbeelding ontstond dus een voorstelling van het paradijs, waar zij als gebiedster optreedt en de man slechts geduld wordt tot voortplanting der soort.”
Dat, hoewel onder alle Indianenstammen van Amazones verteld wordt, toch geen Indiaan ooit de juiste plaats dezer schoonen kon aanwijzen, schijnt voor de meening van bovengenoemde oudere schrijvers te pleiten. Bij de ingeboren eigenschap van den Indiaan, om zich vaak in beeldspraak uit te drukken, is de meening der Penards niet te verwerpen, die het bestaan van een vrouwennatie als een voorstelling van het Mazwano, het Paradijs der Indiaansche vrouwen beschouwen.
De legenden leeren, dat dit paradijs niet gemakkelijk te bereiken is. De vrouwen moeten daartoe tal van gevaren doorstaan. Zij moeten varen over de duistere wateren in het land Enamba of der Eeuwige nacht. Dan eerst zullen, gelijk de nacht vliedt voor den dag, voor hare verrukte blikken verrijzen de witte wateren, de als goud glinsterende, door de morgenzon beschenen bergtoppen en zal de rook uit de barbakotten* der Maswana- of manvrouwennatie opstijgen. Maar niet één vrouw, die het gelukt, dit paradijs binnen te treden, zal weder tot hare stamgenooten terugkeeren.
De voorstelling van de Duistere wateren in het land Emanba of der Eeuwige nacht, meenen de Penards, komt vrij wel overeen met de rivier Styx en de onderwereld Amenthes uit de Oostersche mythologie.
Een oude vrouw vertelde aan de schrijvers, waaraan het voorgaande ontleend is, dat zij in haar jeugd naar de Mazwano had willen vluchten, omdat haar man haar mishandelde, doch dat zij overal, waar zij inlichtingen inwon, moest vernemen, dat de vrouwen den weg naar het lustoord vergeten waren. Ten slotte was het haar echter gelukt, door middel van Oeloekwa-toelala de oogen van haar man zoodanig te verduisteren, dat hij haar verliet.
Walter E. Roth heeft in de Indianen-folklore slechts één enkel spoor gevonden, dat op dit gebruik doelt. Ik geef het korte verhaal weêr onder den titel: „Het gebroken ei” (No. 32). Daarop laat ik volgen hetgeen Dance (D) aanhaalt betreffende de gewoonte der Couvade bij de Arowakken, en dat als een vertelling, getiteld: „De Geest van den pasgeborene” onder No. 33 in dezen bundel voorkomt. De inhoud is, zooals den lezer zal blijken, met ten Kate’s meening in overeenstemming.
Een aantal vertellingen der Indianen geven een antwoord op de vraag, hoe verschillende dieren hunne tegenwoordige eigenschappen hebben gekregen o.a. in No. 1 en No. 34, getiteld: „De huid van den reuzenslang”, terwijl er ook velen zijn, waarin aan dieren herinnerd wordt, die den mensch kwaad kunnen doen.
Hoewel de geheele Indiaansche folklore een moralistische strekking heeft, zijn er toch een aantal vertellingen aan te wijzen, die meer bepaaldelijk een waarschuwing bevatten voor de gevolgen van overtredingen, van ondoordachte handelingen of verkeerde neigingen. Hiertoe behooren No. 35, getiteld: „Een waarschuwing voor vrouwen” en No. 36, getiteld: „Hoe een man van zijn luiheid genezen werd.”
Het „Een man een man, een woord een woord”, een der eerste regels eener goede moraal, en dat in de hedendaagsche, zoogenaamde beschaafde maatschappij, waarin wij moeten verkeeren, steeds minder wordt toegepast, wordt bij den Indiaan nog altijd in hooge eere gehouden, hoewel eerlijkheid en woordtrouw bij den „geciviliseerden” Indiaan wel even groot gevaar zal loopen, belangrijk achteruit te gaan, als dit met alle primitieve volken, die met het blanke ras in aanraking zijn gekomen, het geval is geweest.
Al hetgeen in het voorafgaande omtrent den inhoud van de mythen, sagen en legenden der Zuid-Amerikaansche Indianen is meegedeeld, groepeert zich bijna zonder uitzondering om het hoofdmotief—de zorg, om zich het noodige voedsel te verschaffen, die bij een volk, dat geen intensieven landbouw drijft, doch hoofdzakelijk van de jacht en visscherij en daarnevens van de produkten van eenen primitieven hakbouw op hunne slechts tijdelijke verblijfplaatsen leeft, een punt van dagelijks wederkeerende zorg is, en het denken bijna geheel in beslag neemt.
De mythen, sagen en legenden, die de eerste reizigers en zendelingen bij de Indianen te hooren kregen, worden, zooals meerdere schrijvers, die door een langer verblijf onder hen, grondige onderzoekingen hieromtrent hebben kunnen doen, hebben vastgesteld, nog steeds—de aanraking met het blanke element ten spijt—door hen verteld, omdat zij zich het als eerste plicht rekenen, dat de mondelinge overleveringen, waarin voor een niet gering deel hunne heilige, godsdienstige overtuigingen zijn neêrgelegd, op het jongere geslacht overgaan.
Bij de Noord-Amerikaansche stammen worden, zooals reeds vermeld, in het bijzonder de lange winteravonden aan dit heilige werk gewijd, wanneer de jeugd, gehurkt om het flikkerende vuur naar de mysteries van het leven en hun godsdienst luistert en zij den innigen band moet leeren begrijpen, die de menschheid, volgens hun leer, met de geheele haar omringende natuur vereenigt. Tevens moest het haar duidelijk worden gemaakt, dat men met planten en dieren evengoed gesprekken kan voeren (No. 30) als deze het onder elkaar doen, enz.
De lezer, wien hier uit de uitgebreide mondelinge litteratuur der Indianen, meer in het bijzonder der stammen van West-Indië, meerdere voorbeelden worden aangeboden, die hem de overtuiging zullen kunnen schenken, dat de Indiaan daarin zijn gansche leven en denken heeft neêrgelegd, zal het zeker evenmin verwonderen, dat ook belangrijke historische gebeurtenissen, die indruk op hem hebben gemaakt, en van zoo grooten invloed op zijne maatschappij zijn geweest, nog steeds in de herinnering van het Indiaansche volk zijn blijven voortleven en als historische legenden tot op den huidigen dag door hen worden verteld.
Niet alle gebeurtenissen in de geschiedenis van een primitief volk hebben echter even groote kans, een haast onvergankelijk deel van zijn folklore te vormen. Groote feiten, die het volk met trots blijft gedenken, zullen eerder door het verre nageslacht nog als legenden worden verteld, dan gebeurtenissen, waaraan de herinnering onaangename gewaarwordingen te voorschijn roept. Velen der eerste categorie schijnen als het ware onsterfelijk te zijn. Het spreekt van zelf, dat, waar de volken, ook in geestelijk opzicht, zoozeer uiteenloopen, ook de inhoud hunner historische legenden bepaalde trekken zal vertoonen, die met het karakter van het volk overeenstemmen.
Alb. S. Gatschet (Ga) waaraan wij het bovenstaande ontleenen, heeft dit in zijn leerrijk werk „A migration legend of the Creek Indians” duidelijk gemaakt. In sommige legenden wordt bijv. uitsluitend verteld van de Opperhoofden en wordt over het Volk gezwegen; in anderen spelen mythische helden en onmogelijke feiten een groote rol. Terwijl er volken zijn, die er van houden, het wonderbaarlijke op den voorgrond te laten treden, houden anderen hunne legenden vrij van het wonderbaarlijke element, enz. Tot de bijna onsterfelijke historische legenden behooren de z.g. migratie-legenden, die van de groote volksverhuizingen (migraties) vertellen, welke bij talrijke volken en bij de Indianen in overoude tijden op grooten schaal hebben plaats gegrepen. Zulke migratie-legenden behooren zeker tot de belangrijkste historische legenden, omdat zij voor de kennis van een volk dikwijls waardevolle gegevens bevatten, die, in verband met de uitkomsten der Archaeologische onderzoekingen en der vergelijkende taalstudiën, tot vaststaande feiten geworden zijn. Zulks is o.a. het geval geweest met de traditie der Joden, waarin verteld wordt van hunne immigratie in Palestina uit de noordelijke landen over de rivier de Euphraat; en eveneens met de legenden, die de immigratie der Doriërs naar Griekenland behandelen, uit Thracië en Macedonië dwars door Epirus en Thessalië heen enz. Zulke migratie-legenden zijn veelal samengeweven met mythen, die den oorsprong der volken behandelen of die van het ontstaan van bepaalde instellingen of van belangrijke produkten vertellen, die een groote economische beteekenis voor hen hebben verkregen.
Bij de Indianen is de herinnering aan oeroude gebeurtenissen, zooals volksverhuizingen, niet zelden verbleekt tengevolge eener strenge wet, die verbiedt, de namen hunner overleden voorvaderen uit te spreken (zie blz. 39). Zulks is o.a. het geval bij vele Noord-Amerikaansche stammen, zooals die, welke hunne woonplaatsen hebben langs de kusten der Stille Zuidzee. In de zuidelijke deelen van Noord-Amerika, o.a. in het gebied, dat de Golf van Mexico begrenst, schijnt dit bijgeloof, dat de geschiedkundige overlevering tegenhoudt, niet te bestaan, zoodat bij de daar levende Indianenstammen verschillende legenden bewaard zijn gebleven, die van verhuizingen in lang vervlogen tijden vertellen, en die voor de geschiedenis dezer stammen belangrijke gegevens hebben opgeleverd.
Dit geldt bijv. voor de groote groep der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g. Creek-Indianen behooren, en wier migratie-legenden leeren, dat zij in oude tijden van het Westen naar het Oosten en het Zuid-Oosten zijn getrokken, waar zij nu ten Oosten van den Mississippi-stroom in Alabama, Georgia en op het schiereiland Florida in verschillende stammen hunne woonplaatsen hebben. Daar deze stammen evenals vele anderen, als de Chirokezen, Choctaws, Chickasaws enz., die landbouw en veeteelt drijven, en reeds lang in dorpen samenwonen—als „geciviliseerde” Indianen het eigenlijke Indianen-territorium vormen, staan de Sioux, die echte jagerstammen zijn en de Nomaden en Bedouïnen der Nieuwe Wereld kunnen genoemd worden, nog in den aanvang der „beschaving”; hun bestaan hing bijna uitsluitend van den Bison af, die nu zoo goed als geheel uitgeroeid is.
Bij de Creek-Indianen, eertijds Moskoquis genoemd, die zoowel in lichamelijk opzicht en door hunne gewoonten en gebruiken, als door de natuur hunner woonstreek een brug vormen, die de Noord-Amerikaansche met de Indianen van Zuid-Amerika verbindt, worden nog verschillende migratie-legenden verteld, van welke ik er een als voorbeeld en ter aanvulling in dezen bundel heb opgenomen (No. 48), omdat het, vreemd genoeg, niet gelukt is, in de litteratuur betreffende de Zuid-Amerikaansche stammen een tot deze categorie behoorende legende op te sporen, tenzij men er toe wil rekenen een lange legende, door Walter E. Roth uit een Arowakken-mond opgeteekend, waarin de avonturen verteld worden gedurende een lange reis, in oude tijden gedaan, om steenen bijlen* op te zoeken. Een migratie-legende in den waren zin is deze niet, want de reizigers keeren weder naar hunne woonplaatsen terug.
Een vertaling in het Duitsch van de Legende was echter onder een aantal verhandelingen over koloniale aangelegenheden tusschen 1735 en 1741 opgenomen, en onder den titel „Ausfuerliche Nachricht von den Saltzburgischen Emigranten, die sich in America niedergelassen haben enz.” Halle 1735, blz. 869–876, gepubliceerd. De legende vindt men in het eerste deel in Hernn Philipp Georg Friedrichs von Reck’s „Diarium von Seiner Reise nach Georgien im Jahr 1735.” Deze von Reck was de leider van een aantal protestantsche emigranten, die wegens godsdienstvervolging uit Salzburg uitgeweken waren. Wij geven deze bijzonderheden, teneinde sommige der hiaten te verklaren, die den lezer wellicht in de legende zullen opvallen, en ongetwijfeld te wijten zijn aan de vertaling van het Engelsch in het Duitsch, en daarna weder van het Duitsch in het Engelsch. Ik volgde streng den Engelschen tekst in het werk van Gatschet.
Aan den arbeid der Penards hebben wij de kennis van een aantal historische legenden te danken, die, hoewel zij wegens de invloeden der blanke overheerschers, die er zoo duidelijk in naar voren komen, uit een wetenschappelijk oogpunt van minder belang zijn, toch in dezen bundel niet mogen ontbreken.
In de „Legende van Letterhoutstomp” (No. 38), die den schrijvers door een ouden Caraïb van de Boven-Marowijne werd verteld, wordt de herinnering nog levendig gehouden aan een der eerste nederzettingen van Europeanen in Suriname, nl. aan de Fransche Kolonisten, die er tusschen 1640 en 1650 hebben verblijf gehouden en die vooral door de herhaalde invallen der Indianen genoodzaakt zijn geweest, het land weêr te verlaten.
De als hoofd der volkplanting aangestelde Poncet de Bretigny, die den oorlog verklaard had aan alle Indianen, moet een zeer gevreesde wreedaard geweest zijn. Hij bewapende zelf een vaartuig en daarin trok hij tegen hen ten strijde, maar de aanvallers werden met een hagelbui van pijlen ontvangen en tot den laatsten man doodgeschoten. De overwinnende Caraïben bemachtigden de lijken, deden ze op een licht vuur braden en maakten er een verschrikkelijk maal mede.
Verwonderen kan het ons niet, dat van de eerste aanraking der Indianen af aan met menschen van zóó geheel ander voorkomen, van zóó geheel verschillenden aard en levensbeschouwing als zij, allerlei zonderlinge verhalen aangaande de vreemde indringers onder hen de ronde gingen doen, noch minder, dat ook deze verhalen van geslacht op geslacht werden overgeleverd en tot op den huidigen dag bewaard zijn gebleven.
Voor hem, die zich eenig denkbeeld wil vormen van het psychologisch proces, dat bij dit dichterlijk en wijsgeerig aangelegd, moreel hoogstaand volk zich door deze aanraking ging voltrekken, mogen bedoelde legenden zeker van niet minder belang geacht worden, dan het grootste deel van dezen bundel mythen, sagen en legenden, die ons in de oorspronkelijke denkwijzen van het zoo lang buiten iedere vreemde aanraking gebleven Roode ras een blik kan leeren slaan.
Na deze legende, die wij aan den katholieken missionaris, Pater C. van Coll te danken hebben, nemen wij uit den arbeid der gebroeders Penard een tweetal legenden over, omdat deze verhalen, naar onze meening, de uiting zijn van het besef der diepe klove, die de Indianen ten opzichte hunner levensbeschouwingen en denkbeelden met die der van verre komende blanken steeds meer moesten gaan gevoelen. Zulks moet vooral het geval geweest zijn bij hunne aanraking met zendelingen, die hun een geloof trachtten op te dringen, dat zóó ver buiten hun gedachtensfeer ligt en dat deze zoo streng aan hun overtuiging en aan de met hun geloof in verband staande voorschriften zich houdende menschen in hooge mate moest krenken.
In dit licht beschouwd, zijn de „Legende van de uitdrijving van een priester uit den Indiaanschen hemel” (No. 40) en de „Legende van de uitdrijving van Indianen uit den Hemel der Paters” (No. 41) de aandacht waard, niet het minst, omdat de „beschaafde blanken”, die zich zoo gaarne tegenover de zoogenaamde „wilde volken” stellen, uit den mond van den Indiaan er in moeten vernemen, hoe hij daarover denkt, en wat hij naar zijn meening aan de Blanken dankt.
Stemt het niet tot nadenken, dat de meermalen genoemde missionaris Pater van Coll, die meer dan 40 jaren onder de Indianen van Suriname gearbeid heeft, moest verklaren: „Zij (de Indianen) zijn er verre van af, zich tegenover ons als wilden te beschouwen. Daarvoor ligt de zwakke zijde van den Europeaan te bloot en te open voor hen.”
In dit verband verwijzen wij den belangstellenden lezer nogmaals naar het belangrijke artikel van den Nederlandschen kenner der Indianen, Dr. ten Kate in de Gids van 1919, getiteld: de Indiaan in de Letterkunde, waarin hij o.a. de aangehaalde Brieven (Love Letters) van mrs. Ryan (zie onder „dichters” in het verklarend register) „als een ernstige waarschuwing” beschouwt „aan het adres van fanatieke ijveraars voor de beschavingsidee, zooals er onder zendelingen en zendingsvrienden maar al te veel voorkomen.”
Treffend zijn deze beide legenden vooral hierom, omdat de Indianen zich er als de slachtoffers in beschouwen van de zonden der blanken; want de drank, die deze hun gebracht hebben, en waarop zij zoo verzot zijn geworden, is zooveel sterker dan de paiwarri, die zij door gisting van Cassave bereiden.
In de „Legende van Paramaribo” die wij onder No. 43 aan de Penards ontleenen, komt eveneens de ellende tot uiting, die de Blanken den Indianen hebben toegebracht door hen met jenever en brandewijn te doen kennis maken. Het schoone Indiaansche voorschrift, nimmer het eenmaal gegeven woord te verbreken, heeft hen, zooals wij er mede uit leeren, in het ongeluk gebracht. Ook deze ondervinding der Indianen is de aandacht waard, omdat, gelijk ik reeds opmerkte, een Indiaan zich nog steeds aan zijn gegeven woord houdt, terwijl men het in het „beschaafde” land der blanken, vooral in de tegenwoordige periode, in dit opzicht zoo nauw niet neemt.
De lange, in het duister gehulde geschiedenis der Indianen was eene van herhaalde onderlinge oorlogen, die met de komst der blanken nog lang bleven voortduren. Er waren stammen, die voortdurend tegen elkaar ten strijde trokken; maar er waren ook stammen, die steeds bevriend met elkander bleven. In No. 42 wordt van een bezoek aan een veraf wonenden, bevrienden stam verteld.
In de vele legenden, die onder de Benedenlandsche Indianen van Guyana de ronde doen en die doelen op geschiedkundige gebeurtenissen, sedert de blanken hunne woonstreken zijn binnengedrongen, worden wij ook herinnerd aan de tochten, die de nieuwe bezitters van het land tegen de weggeloopen negerslaven, de z.g. Marrons ondernamen, waarbij de laatsten niet zelden door de Indianen geholpen werden. Hierop doelt „De Legende van Post Sommelsdijk” (No. 44) die wij aan de Gebroeders Penard ontleenen.
De verbinding dezer legende aan Post Sommelsdijk is duidelijk. Onder het Bestuur van den Gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk, die van 1684–1688 de Kolonie Suriname bestuurde, en na het vertrek der Engelsche Kolonisten den grondslag legde van haren lateren bloei en welvaart, werd het Fort Sommelsdijk aan de samenvloeiing van de Commewijne en de Cottica aangelegd, en werd een einde gemaakt aan de herhaalde invallen der Indianen, die hij in 1684 tot den vrede dwong. Meer dan eens, zegt J. R. Thomson, in zijn Overzicht der Geschiedenis van Suriname, trok hij aan het hoofd van een geringe krijgsmacht tegen de vijandige Indianen op. Op zijn tweeden tocht ging hij met drie vaartuigen over zee naar de Coppename en drong hij het binnenland in, waarbij vele Indianen gedood of gevangen werden genomen en ettelijke dorpen in de asch werden gelegd.
Reeds vóór zijn komst, onder het Engelsche Bestuur, waren vele slaven wegens de mishandelingen, die zij van hun blanke meesters hadden te verduren, naar de bosschen gevlucht. Van Sommelsdijk sloot in genoemd jaar ook met de Boschnegers van de Coppename vrede.
Ook aan de voortdurende oorlogen, die verschillende Indianenstammen, ook in het gebied van Guyana, hebben gevoerd, kwam langzamerhand een einde. Vooral waren het de strijdlustige Caraïben, die de meer vreedzame Arowakken voortdurend beoorloogd hebben. Toch kwam het wel eens voor, dat, wanneer gemeenschappelijke belangen in het spel waren, beide stammen zich vereenigden, om gezamenlijk ten strijde te trekken.
Het besluit tot zulk een gemeenschappelijken strijd woonde o.a. een der eerste missionarissen der Moravische Broedergemeente (Herrnhuttergemeente) bij, die in April 1745 aan de Corantijn kwam. Er werd toen door de Caraïben en Arowakken aldaar een groote raad inhouden, waarbij de voornaamste hoofdmannen (kapiteins) tegenwoordig waren en waarop besloten werd, tegen de Spaansche Indianen van het Orinoco-gebied op te trekken. In 18–20 vaartuigen voeren zij naar de Orinoco en zij brachten 14 dagen op het water en 8 dagen op het land door. Eindelijk bereikten zij de vijandelijke kampen. Aanvankelijk gedroegen zij zich als vrienden, hun allerlei ruilmiddelen aanbiedend, maar plotseling overvielen zij hen, doodden zij de mannen en namen zij de vrouwen en kinderen als gevangenen mede. Iedere overwinnaar nam een verslagen vijand, sneedt hem het vleesch af, dat in het eerstvolgende nachtkwartier geroosterd en opgegeten werd.
Deze geschiedkundige herinnering uit deugdelijken bron doet ons veel denken aan de Legende van Mapajawari of de Uitroeiing der Menscheneters, die wij onder No. 47 van dezen bundel opnemen.
Ook aan de Indiaansche broederoorlogen, die zooveel tot den achteruitgang der Indianenbevolking hebben bijgedragen, kwam een einde. In „Einde van den Indiaanschen broederoorlog” (No. 45) wordt van het laatste dezer gevechten verteld.
Uit de geschiedenis der Zuid-Amerikaansche Indianen zijn evenals uit die der Noord-Amerikaansche oorspronkelijke bevolking ook voorbeelden bekend van de algeheele verdelging van stammen, die eertijds een belangrijke rol hebben gespeeld. Hier mag o.a. herinnerd worden aan de dappere Aturiërs door menschen-etende Caraïben, waarvan, naar de groote natuuronderzoeker Alexander von Humboldt ons in zijn meesterwerk „Ansichten der Natur” heeft medegedeeld, nog destijds onder de Guareca-Indianen de overlevering gewaagde.
In de verre en woeste streken
Van den Orinoco-stroom,
Zit een papegaai te treuren,
Als versteend, zoo koud en loom
Schuimend breekt door steile klippen,
Ginds en her de breede vloed,
Langs den palm, die in hem spieglend,
Tiert in heldren zonnegloed.
Vruchtloos spilt op ’t rotsgevaarte
Eeuwenlang de golf haar kracht:
In de uiteengespatte waat’ren
Speelt des lichtstraals kleurenpracht.
Onder, waar de golven woeden,
Ligt een volk in eeuwge rust;
Uit zijn bakermat verdreven,
Vrank en vrij, gelijk hij leefde
Zonk de Alurenstam in ’t niet;
’t Laatste spoor zijns droeven aanzijns
Dekt nu ’t groenend oeverriet.
’t Laatste?—Neen, van ’t berggevaarte
Schalt de Papegaai zijn kreet;
Aan de rots zijn snavel wettend,
Klaagt hij der Arturen leed.
Ook de knapen, die hem leerden
Klanken van hun moedertaal,
En de vrouwen, die hem voedden,
’t Nest hem bouwden—allemaal
Liggen dood en wreed verslagen,
Langs den oever uitgestrekt;
En de noodkreet van den vogel
Heeft geen hunner nog gewekt.
Eenzaam roept hij, in den vreemde,
Dan zijn woord wordt niet verstaan;
Zijner trekt zich niemand aan.
En de wilde rept de riemen,
Wendt zijn vaartuig, schuwt de baai,
Ziet hij huivrend, angstig bevend
Den Aturen-Papegaai.
Hetzij dat deze overlevering op waarheid berust, of uit het dichterlijke brein der Indianen is voortgesproten, zooveel is zeker, dat deze papegaai ons op treffende wijze het sterven van de geslachten der menschen symboliseert. Dat zulks ook het lot is van een der meest sympathieke volken der aarde—de Indianen—zal wel in de allereerste plaats door hen betreurd worden, die de herinnering hebben behouden aan een verblijf in hun midden, dat hun de hoogst denkbare levenswijsheid heeft vermogen te schenken.
Mogen ook zij, die dit voorrecht niet gekend hebben, zich bij dit oordeel hartgrondig aansluiten, wanneer hun geest zich in dezen bundel gelaafd zal hebben aan het vele schoone, dat de Indianen-ziel siert, en waarvan hunne mondelinge overleveringen zoo herhaaldelijk getuigenis afleggen; en mogen de voorbeelden, die ik uit de rijke litteratuur over den Indiaan voor deze Mythen- en Legenden-serie heb gekozen, ook den lezers iets van de groote bekoring hebben laten gevoelen, die niet alleen van het leven en de moraal van den Indiaan, maar ook van de machtige natuur der maagdelijke wouden, te midden waarvan de Zuid-Amerikaansche stammen nog leven, in zoo hooge mate uitgaat!
Indianen-Vertellingen.
No. 1. De sage van Haboeri (W.)
Heel, heel lang geleden leefden er in een Warrau-kamp twee zusters, die veel van elkander hielden, doch die geen van beiden een man hadden. De zorg voor haar dagelijksch voedsel drukte haar zwaar. Eens op een dag gingen zij er op uit, om een Ita-pálm* te vellen, waaruit zij meel wilden bereiden. Het was al laat geworden, toen zij den boom eindelijk tegen den grond hadden gekregen, en togen vermoeid naar haar hut terug.
Den volgenden dag, toen zij naar haar werk terug keerden, vonden zij het meel reeds gereed liggen. Hoe dat zoo kwam, konden zij maar niet ontdekken. Den volgenden dag—precies hetzelfde; het meel lag voor haar gereed. Daar ze er het fijne van wilden weten, besloten zij de nacht bij den boom door te brengen en goed op te letten. Toen het middernacht was, konden zij hare oogen niet gelooven, toen zij zagen, dat een blad van een nabijstaanden Palissadepalm* zich voorover boog, totdat het de snede, die zij in den op den grond liggenden Ita-stam hadden gemaakt, raakte. Nauwelijks hadden de vrouwen de aanraking gezien, of zij stoven naar voren, grepen het zoo geheimzinnig doende blad beet, en smeekten het vurig, zich in een man te willen veranderen. Eerst weigerde het; maar toen ze aandrongen, ziet, toen gebeurde het wonder.
De man, die zij vóór zich zagen, zei, Mayara-Koto te heeten. De oudste zuster, die hij tot zich nam, was nu overgelukkig, want eenigen tijd daarna schonk zij hem een prachtigen jongen. Haboeri was zijn naam. De beide vrouwen, die gewoon waren, in de nabijheid van twee swampen* te jagen, vonden in de eene, die haar eigendom was, steeds rijkelijk visch. De andere behoorde echter aan Tijger* en daarom waarschuwden zij Mayara-Koto, niet in Tijger’s swamp te gaan visschen. De man luisterde echter niet. „In onze swamp is te weinig visch”, zei hij, „in die van Tijger is er overvloed. Ik ga zien, wat ik vang.” Maar nauwelijks was hij begonnen, of Tijger kwam voorbij, greep hem en velde hem met één slag neêr.
En wat deed nu Tijger? Hij vermomde zich in de gedaante van Mayara-Koto, en zoo ging hij op weg. Het was al vrij laat en donker geworden, toen hij de hut der beide vrouwen had bereikt. Hij bracht niet alleen Mayara-Koto’s waiyarri* mede, maar ook de visch, die hij van Tijger gestolen had. Zooals gewoonte is, zette hij, alvorens de hut binnen te gaan, de korf buiten de hut neêr en na goeden avond! gezegd te hebben, zei hij, dat hij wat visch had meêgebracht. De vrouwen waren hoogst verbaasd, de ruwe stem van Mayara-Koto te hooren. „Ik ben erg vermoeid, en zoek dadelijk mijn hangmat op, maar geef me mijn lieven Haboeri, want ik wil hem koesteren.”
Hoewel de stem den vrouwen niet beviel, voldeden zij aan zijn verlangen. „Breng de visch binnen, en maak ze klaar. Ik ga nu slapen en stoor mij niet.” Toen de vrouwen met de visch gereed waren, en reeds begonnen te eten, was de man in zóó diepen slaap gevallen en zóó hard aan het snorken gegaan, dat men het wel aan den anderen rivieroever had kunnen hooren. Verbaasd zagen de beide vrouwen elkander aan, toen zij tusschen het snorken door vader’s naam, Mayara-Koto, hoorden roepen. „Onze man heeft vroeger nooit zoo gesnorkt; nooit hebben wij hem zijn eigen naam hooren noemen”, zei de oudste. Zij begonnen steeds angstiger te worden en konden nauwelijks verder eten, want het was toch niet mogelijk, dat het haar man was, die in de hangmat lag.
„Wat moeten we met Haboeri doen; hoe moeten we hem uit de armen van den vreemden man bevrijden”, zeiden ze tegelijk. „Ik heb een idee”, riep de jongste, „we zullen een bundel vezels en bastrepen bij elkander binden, en dezen onder Haboeri schuiven; daarna zullen we hem voorzichtig wegnemen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Met Haboeri onder den arm namen de beide vrouwen haastig de vlucht, na gezorgd te hebben het noodige mede te nemen, om vuur te kunnen maken.
Toen ze een eind op weg waren, hoorden zij Wau-oeta zingen—Wau-oeta was in die dagen een piaivrouw—die met haar maráka* bezig was. Zij versnelden haar pas, want zij wisten, dat zij in Wau-oeta’s hut veilig zouden zijn.
Nauwelijks waren nu de drie vluchtelingen in veiligheid, of Tijger kwam aanloopen, die buiten brulde: „Waar zijn de beide vrouwen, waar is de jongen?” Maar Wau-oeta opende niet en riep Tijger toe, dat ze geen van drieën had gezien. „Ik ruik, dat ze er zijn, dus zal ik buiten wachten”, antwoordde Tijger. Dit verontrustte Wau-oeta zoo, dat zij met bevende stem zei: „Steek je hoofd maar binnen, en wanneer je ze ziet, mag je ze alle drie opeten”.
Doch de deur was van binnen geheel bedekt met dorens* zoodat onnoozele Tijger, toen hij zijn hoofd naar binnen stak, bleef haken en door Wau-oeta gedood werd.
De beide zusters begonnen hevig te jammeren, en om haar man te roepen, en toen zij maar niet wilde ophouden, verzocht Wau-oeta haar naar den kostgrond* te gaan, om wat Cassave te gaan halen. Ze zou dan een flinken drank* kunnen bereiden. Toen de beide vrouwen wilde vertrekken en de kleine Haboeri wilde medenemen, belette Wau-oeta dit, zeggende, dat zij evengoed op het kind kon passen. De zusters stemden er eindelijk in toe.
Middelerwijl had Wau-oeta—in den ouden tijd kenden de piaimannen en piaivrouwen alles—het kind zóó hard doen groeien, dat het zelfs op de yarri-yarri* kon blazen en pijl en boog kon hanteeren.
Toen moeder en tante met de ingezamelde cassave-wortels terug kwamen, en het fluitspel hoorden, zeiden zij tot elkaar: „Er was toch geen man in de hut, toen we deze verlieten. Hoe kan dat? Er moet hier een man zijn”. Min of meer verlegen traden ze binnen, en toen ze daar een bijna volwassen jongeling zagen, die bezig was de yarri-yarri te bespelen, namen ze de korven van den rug en vroegen Wau-oeta naar Haboeri: „Zoodra je vertrokken waart, is hij de hut uitgeloopen. Ik was in de meening, dat hij nog in je gezelschap was”, antwoordde Wau-oeta, die erin geslaagd was, Haboeri zóó groot te krijgen, dat hij nu spoedig haar geliefde zou kunnen zijn. „Laten we”, zoo stelde ze de vrouwen voor, „hem in het bosch gaan zoeken”.
Toen zij een klein eind op weg waren, zei Wau-oeta nog even terug te moeten; ze zou dadelijk terugkomen, en van dat oogenblik maakte Wau-oeta gebruik, om Haboeri te vertellen, dat zij zijn moeder was, en lichtte hem in, hoe hij zich tegenover haar moest gedragen.
Haboeri was in dien tijd een kranig schutter geworden; geen vogel ontsnapte aan zijn pijlen. Wau-oeta daarmeê zeer ingenomen, gelastte Haboeri, in het vervolg alle vogels, die hij zou dooden, aan haar te geven, en de kleinere, na ze vooraf ongenietbaar te hebben gemaakt, aan de beide zusters. Zij hoopte, dat deze eindelijk er genoeg van zouden krijgen en ten slotte de hut zouden verlaten. Maar zij waren er niet toe te bewegen en gaven hare pogingen, om Haboeri te vinden, niet op.
Dagen achtereen ging dit zoo zijn gang. Wau-oeta kreeg de groote vogels, de kleinere bleven voor moeder en tante, tot eens op een dag een pijl van Haboeri niet raakte en aan een over een kreek hangenden tak bleef hangen, op een plek, waar zijn ooms, de waterhonden*, gewoon waren, voedsel te komen zoeken.
Het was een mooie open plek in het bosch en Haboeri maakte het zich gemakkelijk, na het achtergelaten vuil der dieren met bladeren te hebben bedekt. Hij klom in den boom, om zijn pijl vrij te maken, toen op het zelfde oogenblik de otters aan kwamen zwemmen. Nauwelijks aangekomen, snoven ze de lucht op en riepen tegelijk: „Wat ruik ik daar? Het is stellig onze neef Haboeri, die hier dichtbij moet zijn”. Overal keken ze rond en eindelijk ontdekten ze hem op den tak. „Kom beneden”, riepen zij, „en zet je op deze zandbank neêr”.
Haboeri voldeed aan het verzoek, en de otters legden hem toen uit, dat hij een slecht leven leidde, want dat de oude vrouw zijn moeder niet was, doch de beide jongere vrouwen zijn moeder en tante waren, en het dus zeer slecht van hem was, de vogels zóó te verdeelen; dat hij in het vervolg juist de kleinsten aan de oude vrouw moest geven. Zij beduidde hem, dat hij aan zijn ware moeder moest vertellen, dat hij tegenover haar verkeerd gehandeld had, dat hij onwetend was en er spijt van had.
Toen Haboeri dien dag thuis kwam, volgde hij de bevelen der otters op, en ontving de ware moeder de groote vogels. Zij van haar kant voelde zich dien dag vreemd te moede; het was haar moeielijk, den jongen man dadelijk als haar zoon aan te spreken. Maar toen deze haar uitlegde, dat Wau-oeta hem in zóó korten tijd tot een man had gemaakt, geloofde zij hem, en voelde zich geheel opgebeurd. De oude Wau-oeta, dit alles hoorende, wond zich zoodanig op, dat zij, Haboeri bij den nek pakkend, hem in het gezicht blies. Zóó was zij van streek, dat zij den geheelen dag niet kon eten. Dag en nacht plaagde zij Haboeri en ieder oogenblik riep zij, dat hij zijn zinnen verloren had.
Haboeri, ten einde raad, vatte het plan op, de hut te verlaten, en haalde zijn moeder over, zoo spoedig mogelijk met hem en zijn tante te vluchten. Te dien einde maakte hij een kleine korjaal van bijenwas gereed, en toen hij daarmede gereed was, liet hij hem aan den waterkant. Toen hij echter den anderen dag terugkwam, had een zwarte eend het vaartuig weggenomen. Hij maakte toen een nieuwe korjaal, ditmaal van klei, maar deze werd door een andere eend gestolen. Haboeri kapte toen een groot terrein open en hij deed het zóó gauw, dat de vrouwen hem met het planten van cassave haast niet bij konden houden. Zoo hadden zij volop cassave voor de voorgenomen reis.
Dikwijls, als de vrouwen plantten, sloop Haboeri weg en maakte een korjaal, telkens van een ander hout en een anderen vorm; maar geregeld kwam er een andere eendsoort om hem weg te nemen, tot hij er eindelijk een gemaakt had van het hout van den Kankantrie* en deze werd niet gestolen.
Haboeri was het dus, die het eerst een boot maakte en aan de eenden leerde, aan de oppervlakte van het water te zwemmen, omdat het met zijn booten was, dat zij het klaar speelden. Inderdaad, wij, Warraus zeggen, dat iedere eendsoort een bepaalde boot heeft.
Zoo kwam het, dat, toen de oude Wau-oeta, zich eenzaam en verlaten voelende, en bemerkende dat Haboeri verdwenen was, aan de posten vroeg, waar hij gebleven was. Deze antwoordden echter niet, maar de papegaai kon het niet helpen, dat hij begon te spreken en haar inlichtte. Onmiddellijk ijlde Wau-oeta naar de landingsplaats, en zij kwam nog juist bij tijds, toen Haboeri op het punt was, in de korjaal te stappen en met zijn moeder en tante weg te parelen. Zij greep de boot en jammerde: „Mijn zoon, mijn zoon, je moogt me niet verlaten. Ik ben je moeder” en niettegenstaande Haboeri met zijn parel hare vingers bijna tegen het dolboord stuk sloeg, wilde zij niet loslaten. Arme Haboeri zag zich dus genoodzaakt aan land te gaan, waar hij de oude Wau-oeta bij een hollen boom bracht, waarin bijen genesteld waren. Haboeri velde den stam en drong er op aan, dat zij er in zou kruipen, om de honig, waarvan zij zooveel hield, te verzamelen. En Wau-oeta, al maar schreiende bij de gedachte, Haboeri te zullen verliezen, kroop naar binnen, waarna Haboeri onmiddellijk de opening sloot.

… en niettegenstaande Haboeri met zijn parel hare vingers bijna tegen het dolboord stuk sloeg …—Zie blz. 73.
En daar is de Wau-oeta-kikvorsch* nog tot op den huidigen dag te vinden, die men alleen in holle boomen kan hooren. Wanneer men het dier goed bekijkt, kan men zien, hoe gezwollen haar vingers zijn door de slagen, die haar door den parel waren toegebracht, toen zij de boot met alle macht tegenhield. En als men luistert, kan men haar nog altijd hooren jammeren om het verlies van haar beminde, wanneer zij roept: Wang! Wang! Wang!
Deze geschiedenis van den mythischen Haboeri, die een nationale held der Warraus is, geeft onder de vele voorstellingen omtrent het ontstaan van menschen, en het verband tusschen menschen en dieren, ook een verklaring voor de bekende kundigheid der Warraus, om de voortreffelijkste booten te maken.
Later is bij de vertelling dezer mythe nog toegevoegd, dat Haboeri wegvoer, nieuw land ontdekte, waar blanken woonden, wien hij onderwees in alle kundigheden der Warraus.