Note 15 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.
Reading edition
„De Indiaan immers redeneert als volgt: In koelen bloede stuit het mij tegen den borst, is het mij onmogelijk een man te vermoorden, laat staan een onschuldig wicht den schedel te verpletteren. Handel ik alzoo, dan geschiedt zulks niet uit eigen aandrift, doch word ik voortgedreven door een gevoel van woede en moordlust, dat niets anders kan zijn dan de geest van den Jagoear. Om dien geest in mij op te wekken, dans ik den Jagoeardans; ik volg alle bewegingen van den Tijger na. Ik brul, ik his, ik zwaai den knots, gelijk het vreeselijke roofdier, dat zijn prooi met één slag der geduchte klauwen verplettert. En heb ik eenmaal mijn vijand gedood, dan moet ik ook zijn bloed drinken en proeven van zijn vleesch,15 ten einde te voldoen aan den geest, die mij voortdrijft.