II. West-Indische neger-folklore.
Reading edition
Inleidende beschouwingen.
Tot de opgaven, die ik mij gedurende mijne onderzoekingsreis door de binnenlanden van het Suriname-district Nickérie in September en October van het jaar 1900 (C.b.) gesteld had, behoorde ook het bijeenbrengen eener verzameling dieren.
Van deze en gene zijde waren mij wenken medegegeven en wenschen kenbaar gemaakt, die ik, al naar de omstandigheden zulks gedoogden, zou trachten te bevredigen. Onder de diergroepen, die tot de wenschen onzer zoölogen behoorden, was mij ook een groep van spinnen genoemd, waarvan de kennis, ook uit een dierengeographisch oogpunt, van belang werd geacht.
Enkele mijner zwarte roeiers, niet bestand tegen de macht van het aardsche slijk, beloofden mij wel tegen een verhoogde premie in het verzamelen van spinnen behulpzaam te willen zijn, doch tegenover het meerendeel was ik genoodzaakt, door negeroogen onbespied, mijn wreede jacht uit te voeren.
De groote eerbied, dien de negers voor een spin koesteren, is zeker bij de wreedheid, waaraan zij zich vaak tegenover andere dieren schuldig maken, opvallend, en geen wonder is het dan ook, dat in de scheppingen der rijke negerphantasie de spin schering en inslag is; want ik overdrijf zeker niet, wanneer ik zeg, dat in de vertellingen der Surinaamsche negers de spin tien tegen één de heldenrol speelt.
Het mag zeker bevreemding wekken, dat waar in den laatsten tijd zooveel studie wordt gemaakt van de mondelinge overleveringen der natuurvolken, en waar men tracht het oorspronkelijke in hunne vertellingen van het door vreemden invloed bijgevoegde te onderscheiden, nog zoo weinig aan de spinverhalen, de anansi-tori’s der Surinaamsche negers, gedacht is. Men moet al zeer weinig opmerkingsgave en weinig zin tot onderzoek hebben, om niet spoedig bij eene kennismaking met het zwarte deel der Surinaamsche bevolking tot de ontdekking te komen, welk een belangrijke plaats de anansi-tori in het leven van den neger inneemt.
Waar bij alle gebeurtenissen des levens, die voor den geest afleiding vragen, boeiende lectuur of inspannende arbeid en studie onze gedachten een andere richting kunnen geven, daar heeft de Neger zijn lange anansi-tori’s, die hem na volbrachten arbeid aangenaam bezig houden, die hem in oogenblikken van droefheid tot troost zijn, en die hem gedurende de kwellingen van het lastige insektenheir in de oerwouden verlichting geven.
Voor een neger-arbeider op expeditie door de oerwouden is de anansi-tori eveneens een ware uitkomst. Wanneer op onzen tocht door de eindelooze wildernissen de muskieten ons plaagden of de kleine patatten-luizen* het lichaam met brandend jeukende bulten overdekt hadden en aan slapen niet te denken viel, zochten onze negers vaak afleiding door hunne anansi-tori’s.
Meermalen schepte ik er genoegen in, het primitief kampement onzer negers, die hunne hangmatten tusschen de boomen, op korten afstand van onze tent, hadden opgehangen, te gaan bezoeken, wanneer zij na het nuttigen van hun eenvoudig, doch overvloedig maal aan het vertellen waren. Bij de flikkerende vlammen van het kampvuur vond ik een onzer arbeiders, in zijn hangmat gezeten, omringd door een aantal toehoorders, op wier gelaat de grootste aandacht en een innig genoegen te lezen waren.
De verteller sprak gemakkelijk, met mooie accentuatie en met bewonderenswaardige stembuiging—soms fluisterend, om daarna met langzame stemverheffing zijn woorden met kracht uit te stooten. Nu eens sprak hij vermanend, dan weêr vragend en al kon ik wegens onvoldoende kennis der Neger-Engelsche taal het verhaal niet volgen, toch liet de uitnemende verteller niet na, indruk op mij te maken, en wist hij het verlangen bij mij op te wekken, met den inhoud dier negervertellingen kennis te maken.
Toen wij te Paramaribo verblijf hielden, deed ik een poging daartoe, toen een der tochtgenooten, H. van Cappelle Jr., een aantal phonographische opnamen van negerliederen wilde machtig worden, waartoe een onzer bedienden ons in de gelegenheid stelde. Op de bijeenkomst, die in diens nederige woning, aan een zijstraat van de Saramaccastraat, plaats had, had hij nl. een aantal negers, negerinnen en kleurlingen uitgenoodigd, die zich bereid hadden verklaard, liederen ten beste te geven.
Ik vroeg de vertelster, mij de Nederlandsche vertaling van den dierenfabel te willen ter hand stellen, waaraan zij den volgenden dag voldeed, doch waaruit tot mijn teleurstelling bleek, dat zij geen typische anansi-tori had gekozen, omdat anansi, de spin, er niet als held in optreedt.
Toch heeft de eenvoudige vertelling niet nagelaten, indruk op mij te maken, omdat een ieder, die met de „onbeschaafde” volken of met de eenvoudige bewoners van het platteland heeft omgegaan, zal moeten erkennen, dat de waarheid der daarin verkondigde moraal steeds meer aan het licht komt, naarmate men de groote centra der „beschaving” nadert.
Dat de Neger, wiens karaktereigenschap, voor zoover het den door den omgang met den „beschaafden” blanke nog weinig bedorven neger geldt, getrouwheid, onbaatzuchtigheid, innige verknochtheid en dankbaarheid is, deze treurige waarheid door de dieren laat verkondigen, is niet te verwonderen. Wij zien immers, hoe zorgvuldig hij, evenals alle natuurvolken, de dieren om hem heen in hun doen en laten bespiedt, en hoe hij daardoor in staat wordt gesteld, bij hen, nevens vele hoogere gaven, die wij met ons zooveel beperkter waarnemingsvermogen over het hoofd zien, dikwijls een grooter mate van welwillendheid en onbaatzuchtigheid jegens soortgenooten op te merken, dan wij in de „beschaafde” wereld de menschen veelal jegens elkander aan den dag zien leggen.
De jeugdige Creoolsche had met hare eenvoudige vertelling mijne belangstelling in de Surinaamsche negerfolklore nog meer geprikkeld en het verlangen bij mij opgewekt, in het bezit te komen van eene verzameling Surinaamsche negervertellingen, die wellicht voldoende stof voor eene studie over dit onderwerp zouden kunnen opleveren.
Daar weinigen het Nederlandsch voldoende machtig zijn, om een anansi-tori in onze taal over te zetten, of den lust hebben, de dikwijls langdradige vertellingen op schrift te brengen, had ik weinig verwachting dat mijne pogingen, om meerdere negervertellingen bijeen te brengen, slagen zouden.
Toch was het weder mijn ijverige tochtgenoot en goede kenner van den Surinaamschen neger, C. van Drimmelen, die mijn wenschen bevredigde en die in den Javaansch-Maleischen tolk M. H. Nahar te Paramaribo den man vond met genoeg belangstelling voor negerfolklore om, geheel belangeloos, zijn tijd en zijn krachten aan dit onderwerp te wijden.
Het meerendeel der vertellingen, die Nahar bijeen bracht, verdienen den naam anansi-tori’s, omdat de spin er de heldenrol in speelt, en zijn daarom zeer leerrijk, omdat, hoezeer het sprookje ook gewijzigd moge zijn, dit ook bij de negers der Goudkust zoozeer vereerde dier, zooals nader zal blijken, door de overbrenging der vertellingen naar West-Indië hoegenaamd niets van zijn karaktereigenschappen verloren heeft.
Doch hoe belangwekkend deze naïve vertellingen voor een studie van het volksleven ook mogen zijn, het moet erkend worden, dat zij in een beschaafde taal overgebracht, veel van hare pittigheid en oorspronkelijkheid verliezen. Want slechts dan kan men ze ten volle genieten, wanneer men de Neger-Engelsche taal machtig is, en men ze zelf hoort vertellen. Want datgene, wat deze vertellingen der negers juist zoo smakelijk en belangwekkend maakt, nl. de krachtige uitdrukkingen, met stemverheffing uitgesproken, het plotselinge gedempte gefluister, de herhaalde uitroepen, de gesticulaties, de klank- en spraaknabootsingen en niet het minst de korte liedjes, die er tusschen door worden gezongen—dit alles is zeer moeielijk op schrift weêr te geven.
Wanneer de Neger met zijne rijke phantasie en zijn kinderlijken aard, die zich in velen zijner handelingen uit, uren achtereen geboeid kan worden door vertellingen van koningen, prinsen en prinsessen, van feesten onder de waterdieren, van spinnen, die ongezadeld op tijgers rijden enz., zullen ook onze kinderen, die gaarne droomen van een wonderland, waar de dieren als menschen handelen en spreken kunnen, in die eenvoudige sprookjes een rijke bron van genot vinden. Maar ook voor hen, die gaarne willen doordringen in het zieleleven van een menschenras, dat in elk opzicht de antipode mag genoemd worden van het Roode of Indiaansche ras, dat vóór de komst der blanke en zwarte bevolking, heer en meester van het land was, zullen de in dezen bundel bijeengebrachte voortbrengselen der negerphantasie, hoop ik, welkom zijn, omdat zij er ongetwijfeld den Neger van een betere zijde in leeren kennen, dan men gewoon is, dit zoo lang verdrukte ras af te schilderen.
Mij heeft de lijvige bundel anansi-tori’s, door Nahar bijeengebracht, aangename oogenblikken verschaft. Ik zag weêr vóór mij het in duisternis gehulde machtige oerwoud, hier en daar phantastisch verlicht door de flikkeringen van de vuurtjes onzer negers; ik hoorde de forsche heldere stem van den verteller, afgewisseld door den schaterlach der toehoorders; het was weêr alsof ik, liggende in de hangmat, de doordringende negerstemmen langzaam hoorde wegsterven en of de vreemdsoortige, elke minuut vermeerderende geluiden van het nachtelijk dierenconcert weder uit het machtige oerwoud tot mij kwamen.
De Surinaamsche Anansi-tori’s en hare oorsprong.
De vertellingen der Surinaamsche negers zijn bijna uitsluitend dierenfabels of sprookjes, waarin aan de verschillende dieren menschelijke hoedanigheden, zoowel lichamelijke als geestelijke, worden toegeschreven. Evenals in de Indianenverhalen kunnen de dieren willekeurig van dier in mensch of omgekeerd veranderen. Het aantal vertellingen, waarin de spin, anansi, als held optreedt, is verreweg in de meerderheid. De spin is bij den Surinaamschen neger de nationale held, en tevens de personificatie van het negerras. Aan de spin nl. worden de eigenschappen toegeschreven, die ook bij den neger het meest op den voorgrond treden of die hij zoo gaarne zou willen bezitten.
De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen eetlust en een bewonderenswaardig talent, om zich van het noodige voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig web, dat zij buitengewoon knap is en „heeft de draad van haar persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven.” De spin houdt er van lui te zijn, weigert de lichtste last te dragen, als het in haar kraam te pas komt, maar kan ook, als er iets te eten valt, met het grootste gemak het lichaam van een dooden olifant optillen.
Om anansi heen groepeeren zich talrijke andere dieren, die voor het meerendeel tot de inheemsche fauna van Guyana behooren en na de overbrenging der vertellingen door de negerslaven gaandeweg voor Afrikaansche dieren in de plaats zijn getreden, terwijl er ook nog nu en dan dieren in voorkomen, die in de herinnering hunner afstammelingen aan het oude vaderland zijn blijven voortleven, zooals bijv. de Olifant, die in Amerika niet voorkomt, en toch in de Surinaamsche negervertellingen enkele malen optreedt.
Iedere diersoort wordt in de verschillende dierenfabels steeds met dezelfde eigenschappen uitgebeeld, zoowel lichamelijke als geestelijke en in hunne karakterschetsen der dieren toonen ook de negers uitmuntende natuurwaarnemers te zijn.
In het algemeen kan gezegd worden, dat de neger er, evenals andere natuurvolken, van houdt, in het licht te stellen, dat de zwakke en hulpelooze schepselen geschapen zijn, om over de sterkere te zegevieren—niet door kracht, maar door knapheid en listigheid. De neger acht deze eigenschappen hooger dan brute kracht. Kleine en nietige dieren winnen het in zijn eenvoudige vertellingen steeds van de groote en sterke, en dat hij dit motief zoo gaarne in zijne mondelinge overleveringen behandelt, mag hieraan worden toegeschreven, dat het Zwarte Ras, dat steeds onderdrukt is geweest, dat zoo lang als minderwaardig tegenover het blanke werd beschouwd, en in de Afrikaansche wildernis tegen zoovele wilde en gevaarlijke dieren heeft moeten strijden, geleerd heeft, dat kundigheden en list eigenschappen zijn, waarmede hij het in zijn strijd tegen zijn medemensch en tegen de omringende dierenwereld het verst kan brengen.
Dat de neger licht geneigd is, in dit opzicht sterk te overdrijven, dat er een tikje verdorvenheid in zijne streken schuilt, en dat hij geveinsdheid als een schoone eigenschap heeft leeren kennen en listigheid als een onschatbaar middel in zijn strijd tegenover de dieren en tegen de hebzucht van zijn blanke overheerschers heeft leeren waardeeren, is zeker niet te verwonderen.
In dit opzicht hebben de door Nahar mij toegezonden vertellingen mij wel wat teleurgesteld, want na de allernoodzakelijkste verbeteringen verkreeg ik een tekst, die niet juist de wijze weêrgeeft, waarop de neger zich pleegt uit te drukken, als hij aan het vertellen is. De korte zinnen, het gebruik van den tegenwoordigen tijd, het weglaten van het lidwoord vóór de dierennamen, ziedaar enkele eigenaardigheden, die mij in de Surinaamsche oerwouden reeds waren opgevallen, als een neger, omringd door aandachtige toehoorders, bij het flikkerende vuurtje aan het vertellen was, en die ik later terugvond bij den nog te bespreken bundel vertellingen, verzameld door Florence Cronise bij de negers van Sierra Leone en ook in de belangwekkende verzameling, door Walter Jekyll bij de negerbevolking van het West-Indische eiland Jamaica bijeengebracht.
Beter in dit opzicht is het verhaal uit de geschiedenis van Vriend Spin, dat de Heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij verschafte, en waarop ik later nog de bijzondere aandacht moet vestigen.
Waar het allerminst mijne bedoeling is, door deze opmerking op den arbeid van Nahar kritiek uit te oefenen, meende ik haar den lezer toch niet te mogen onthouden, opdat hij wete, welke waarde uit een zuiver folkloristisch oogpunt aan Nahar’s bundel mag worden toegekend. Deze woorden gelden natuurlijk niet voor het meerendeel der lezers van dezen bundel, wien het meer om den inhoud, dan op den juisten vorm van de vertelling te doen is.
De woorden van vreemde afkomst, zooals repeteeren, diagnoseeren enz. heb ik in Nahar’s tekst niet door Nederlandsche woorden vervangen, omdat het met voorliefde gebruiken van deftige woorden mij onder de gesprekken met den Surinaamschen Neger als een eigenaardigheid was opgevallen.
Nahar had bij het verzamelen van negervertellingen nog met een andere moeilijkheid te kampen, waarop hij niet gerekend had, nl. met het bij den Neger ingewortelde bijgeloof, waardoor hij telkens teleurgesteld werd, wanneer hij wilde trachten, op Zondag, den voor hem geschiktsten dag, nieuwe vertellingen machtig te worden.
Het innerlijke leven van den Neger wordt, evenals dat van den Indiaan, zoozeer beïnvloed door zijn bijgeloof, dat om het goed te kunnen begrijpen, eene kennis van het uitgebreide netwerk van bijgeloovigheden, waarvan hij zich steeds omringd gevoelt, zoo niet noodzakelijk, dan toch zeer nuttig zou zijn. Het is daarom, dat ik aan den bundel Surinaamsche Anansi-tori’s laat voorafgaan een door M. H. Nahar mij toegezonden opstel, getiteld: „De Anansi-tori en het Bijgeloof”. De lezers, die meer over dit onderwerp willen vernemen, verwijs ik naar het opstel van de Gebroeders Penard, (P. b.).
Met nadruk mag hier zeker wel gewezen worden op den steeds toenemenden Europeeschen invloed, die ook de neger-folklore van Suriname bezig is te ondergaan, en die reeds zóó groot is, dat het zeer moeielijk is, onder de jongeren van het zwarte deel van Suriname’s bevolking oorspronkelijke anansi-tori’s machtig te worden. Terecht drukt Nahar dan ook in een zijner minder voor publicatie geschikte aanteekeningen over het bijgeloof zijne teleurstelling er over uit, dat de voormalige slavin op Brouwerslust er niet toe te brengen was, anansi-tori’s te vertellen, „daar stellig zeer typische voor den dag zouden zijn gekomen”.
Alvorens nu op de verschillende vertellingen een korte toelichting te geven, in den zelfden geest, als ik bij de mondelinge overleveringen der Indianen heb getracht te doen, zal het nuttig zijn, enkele regels te wijden aan de vermoedelijke herkomst der Surinaamsche negervertellingen, waarbij de Geschiedenis van den Surinaamschen Neger ons zal moeten leiden.
Onze nasporingen betreffende den oorsprong dezer vertellingen zullen wij dus in de eerste plaats daarheen moeten richten, vanwaar indertijd de negerslaven zijn weggehaald.
Behalve St. George del Mina bouwden de Hollanders aan de Goudkust nog 16 andere forten en deze bezitting met het aangrenzende achterland kon ruimschoots voorzien in de behoeften aan negerslaven, toen de Hollanders ook in Guyana nederzettingen gingen vormen, in Essequibo in 1616, in Berbice in 1624 en in Suriname, dat Engeland bij den vrede van Breda in 1667 aan Nederland afstond, welk bezit aan het einde van den derden Engelschen oorlog, bij den vrede van Westminster in 1674, ten volle bevestigd werd.
Waarom nu zouden de Hollandsche kolonisten elders in Afrika gezocht hebben, wat in hun eigen kolonie ruimschoots te krijgen was?
Naar het Hollandsche fort Kormantijn of Koromanti, nabij het fort Elmina, werden deze kustslaven Koromantijnen genoemd, of ook wel eens met den naam Koffies aangeduid, naar den algemeen bij de Ashantijnen voorkomenden naam Kofi (zie blz. 213). Want deze Koromantijnen waren de aan de Goudkust wonende Fantijnen en de aan deze vijandig gezinde Ashantijnen van het achterland—stammen, die in hunne lichamelijke eigenschappen en in hunne gebruiken de stamverwantschap met den Surinaamschen neger nog duidelijk verraden.
Doch ook van uit de Engelsche slavendepôts moeten meermalen negerslaven in Suriname zijn ingevoerd, vooral toen vele Engelsche kolonisten zich sedert de komst van Parham in 1652 in Suriname kwamen vestigen, om zich op de winstgevende suikerrietcultuur toe te leggen, niet het minst in het tijdperk tusschen de jaren 1799 en 1802 en de jaren 1804 en 1816, toen Suriname in Engelsche handen was.
Vóór het midden der 17e eeuw kochten de Engelsche kolonisten echter meestal slaven van de Hollanders, totdat ook zij in staat waren, blijvende slavendepôts in West-Afrika te vestigen. Zoo richtten zij depôts op in 1618 en 1664 aan de Gambia-rivier en in 1618, 1626, 1668 aan de Goudkust. Ook met Sierra Leone, West-Liberia en het achterland en met de landen aan den Boven-Niger ontwikkelde zich een levendige slavenhandel, die in het laatst der 14e eeuw in verband met de hooge vlucht, die de suikerriet-cultuur had genomen, het toppunt bereikte.
Ook de Joden, die—gelijk bekend van Portugeeschen afkomst—een belangrijke rol hebben gespeeld in de kolonisatie van Suriname, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot den invoer van negerslaven uit de laatstgenoemde streken, want tot aan de afschaffing der slavernij hadden zij vertegenwoordigers aan de Gambia-rivier, in Sierra Leone en elders aan de West-Afrikaansche kust en vormden zij als het ware de tusschenpersonen in den slavenhandel.
Wanneer dus, zooals uit dit onvolledig overzicht mag gebleken zijn, verreweg het grootste deel der tegenwoordige negerbevolking van Suriname mag teruggevoerd worden tot de verschillende negerstammen van de Goudkust en het achterland, van Sierra Leone, van West-Liberia met het achterland, van de landen aan den Boven-Niger en van het stroomgebied der Gambia-rivier, dan dringt van zelf de vraag aan ons op, of, hetgeen verwacht mag worden, deze afkomst nog in de taal, in de godsdienstige gebruiken en in de folk-lore der Surinaamsche negerbevolking sporen heeft achtergelaten.
Hoewel deze bundel uitsluitend gewijd is aan de folk-lore, mag toch op enkele merkwaardige overeenkomsten worden gewezen, die de eerstgenoemde uitingen van het geestelijk leven betreffen.
De Neger-Engelsche taal, door de Surinaamsche negers gesproken, is een merkwaardig samenvoegsel van uit verschillende talen afkomstige woorden. De slaven, die op de eerste vestigingsplaatsen met de Blanken, nl. met Engelschen, nl. in het deel der kolonie, waar later Paramaribo ontstond, en met Portugeesche Joden aan de Boven-Suriname-rivier (Jodensavanne) in aanraking waren, trachtten de taal hunner meesters te spreken en aldus ontstonden twee verschillende dialecten: het eene, het Neger-Engelsch, het tweede het Neger-Portugeesch, die beide rijk waren aan Afrikaansche woorden en uitdrukkingen, terwijl in het eene het Engelsch, in het andere het Portugeesch overheerschte. Later loste zich het laatste in het eerste op, toen de Joden naar de Hoofdstad gingen verhuizen, maar het Neger-Portugeesch bleef toch een bijzonderen stempel drukken op de taal der negers, waartoe o.a. behoort de neiging, om evenals bij aanverwante Zuid-Europeesche talen, de woorden te doen eindigen met een klinker, waardoor het Neger-Engelsch een zekere zoetvloeiendheid eigen is, die het, evenals het Italiaansch, zoo uitermate voor den zang geschikt maakt.
Nadat Suriname voorgoed een Nederlandsche kolonie geworden was, en vooral ook, nadat ongeveer 46 jaar geleden het Nederlandsch de algemeene voertaal van het Onderwijs was geworden, is de invloed van de Nederlandsche taal op de Negertaal in onze kolonie steeds toegenomen, zoodat men deze tegenwoordig beter Neger-Hollandsch, dan Neger-Engelsch zou kunnen noemen.
Op ondubbelzinnige wijze wordt de afkomst van ten minste een groot deel der Surinaamsche negerslaven uit de Negers der Goudkust (Ashantijnen en Fantijnen en andere de Tsji-taal sprekende stammen) aangetoond door de namen, die in den slaventijd en ook nog lang daarna, aan de negerkinderen werden gegeven.
Nahar, die veel onder negers verkeerd heeft, en er gekend heeft, die den slaventijd hebben meêgemaakt, schrijft mij: „Vroeger gaven de negers hunnen kinderen den naam van den dag hunner geboorte, voor jongens en meisjes verschillend”.
Zoo heette een kind geboren op:
Jongen: Meisje:
Zondag Kwasi Kwasiba
Maandag Kodjo Adjoeba
Dinsdag Kwamina Abeni (Abeniba)
Woensdag Kwakoe Akoeba
Donderdag Jaoe of Jau Jaba
Vrijdag Kovi of Kofi Afi of Affiba
Zaterdag Kwami Amba (Amimba)
Jongen: Meisje:
Zondag Kwasi Akosua, Akwasibah, Aysi
Maandag Kwadjo Adua
Dinsdag Kobina, Kwabina Abbena, Arabak
Woensdag Kwaku Ekua
Donderdag Know, Yow, Akkor Abbak, Yabbah, Yawah
Vrijdag Kwoffi Effua, Yah
Zaterdag Kwami, Kwamina Amma, Ameminiwah
Beide gelooven aan een Hoofdgod (Grangado of Groote God der Boschnegers). Deze godheid is echter te groot en te verheven, om zich met de aardsche stervelingen in te laten. De tusschengeesten of ondergodheden zijn daar, om zich met het lot der menschen te bemoeien en hen goed of kwaad te doen, naarmate deze Geesten goed of kwaad gezind zijn.
Bij de Goudkust-negers, die de Tshi-taal spreken, heet de Opperste God Bodowissi, in de zuidelijke deelen later vervangen door een nog hoogeren God, die Nyankupon genoemd wordt (Ba. bl. 23), en bij de Ashantijnen Tando heet. Evenals bij de Indianen mogen aan deze Godheden niet de beteekenis worden toegeschreven, die de Christelijke leer aan God hecht, want de Opperste Godheden der genoemde primitieve negerstammen zijn stoffelijke, tastbare wezens, die de gedaante en eigenschappen van menschen hebben. Bodowissi wordt bijv. door personen aangeroepen, die een langen tocht ondernemen, als: „Nana Bodowissi, jeh hyen miankor jeh hyen miombah yi”, d.i. „Grootvader Bodowissi, laat ons veilig terug keeren”.
Volgens de opvatting van de Goudkustnegers en der Surinaamsche Boschnegers dwalen eene menigte booze geesten rond, om allerlei onheilen te stichten. Bijna alle kwade geesten hebben, volgens hun geloof, ook meer bepaalde verblijfplaatsen, doorgaans dieren en planten.
De Boschnegers van Suriname vereeren den Zijdekatoenboom of de Kankantrie*, terwijl het aan de Goudkust verschillende op dezen woudreus gelijkende boomsoorten zijn, die in het leven der negers een evengroote rol spelen, doch er botanisch niet mede verwant zijn. Alles wordt gedaan, om de kwade geesten, die in den boom verblijf houden en als de oorzaak van allerlei ziekten worden beschouwd, door het brengen van offers gunstig te stemmen, die in Ashanti oorspronkelijk uit menschen, later uit dieren bestonden en die zich later, evenals nu nog bij de Boschnegers, gingen bepalen tot allerlei aftreksels van kruiden, dranken, spijzen enz. (C. e.)
Het geloof aan een Geest, die den mensch zelven bemachtigt, hem als het ware bezielt, treffen wij, zoowel bij de negers der Goudkust als bij de Surinaamsche negers aan. Deze Geest heet bij de eersten kra, bij de laatsten kra of akrá. Hij mag niet verward worden met hetgeen wij de ziel noemen, want de kra is slechts een geest, die over den mensch waakt, zoolang hij leeft, die zijne handelingen beheerscht en wiens verband met het lichaam bij den dood ophoudt.
Volgens de Penards (P. b.) kan de mensch zijn kra, die zij levensgeest van den mensch noemen, naar willekeur van zich scheiden en weêr oproepen, en kan ook een vreemde, die er verstand van heeft, de kra van een verwijderd persoon oproepen, ten einde hem om raad te vragen. Iemand, die van zijn kra beroofd is, spreekt wartaal, wordt lusteloos of ziek en sterft dikwijls.
Hij tracht daarom op alle mogelijke manieren dien machtigen geest zachter te stemmen: hij gaat hem vereeren enz.
Door de negerstammen van de slavenkust (El. a), het deel van de West-kust van Afrika, dat zich ten Oosten van de Goudkust uitstrekt, worden krokodillen d.w.z. bepaalde soorten daarom vereerd, omdat zij de verblijfplaats zijn van een Geest, ook door hen kra genoemd, die bij gebrek aan een menschelijke woning, bij den dood van een persoon in het lichaam van een krokodil zijn verblijf heeft opgeslagen. Zulke Kra’s, die van den mensch in lagere diersoorten zijn overgegaan en dus achteruitgegaan zijn, worden algemeen als kwaadgezind beschouwd. Deze achteruitgegane geesten zoeken bij voorkeur dieren tot verblijfplaats op, die op menschen loeren. De bedoelde negers gelooven dan ook, dat iedere krokodil, die een mensch doodt, handelt door een kwaadgezinden geest, die in hem woont—op dezelfde wijze dus, als waarop de Surinaamsche neger, zooals werd opgemerkt, dikwijls zijn eigen handelingen verklaart.
Zeer merkwaardig is in dit verband de zang op het water, door den hoofdman in een kano aangeheven, met de bedoeling, de kra van den krokodil te vleien. De zang vangt aan met een koor, door alle bootslieden gezongen:
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen het kwade.
Solo: Gij zijt zóó sterk, dat het volk U evenzeer vreest als het U bemint. Maar Gij, wat hebt Gij te vreezen? De speer kan Uw huid niet doorboren; de geweerkogel ketst op U af en is verloren. Niemand kan iets tegen U doen. Niets kan U weêrstaan. Hij, dien Gij beschermt, heeft geen waakzaamheid noodig; hij slaapt, wanneer Uw oog op hem rust.
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen kwaad.
Koor: Jalodeh, goede Geest! Geleid ons, bescherm ons tegen ongelukken.
Solo: Ik herinner mij nog, dat ik nog een kind was, toen mijn moeder mij naar Uwe wateren heenbracht, en mij in het water onderdompelde. Ik wist nog niet, dat er eenig gevaar voor mij was. Gij waart vlak bij mij, en mijn moeder was zeer bang. Maar Gij hebt mijn kleine leden geliefkoosd en hebt gezorgd, dat ik naar een veilige plaats kon gaan.
Jalodeh, o, beste aller goden, geleid ons. Ik zal U altijd eeren, en zoo mogelijk steeds meer.
Koor: Jalodeh! O, beste aller goden, geleid ons. Altijd zullen we U eeren, ja altijd meer!.…
Een overblijfsel van de vereering van de geesten der natuurvoortbrengselen, van natuuraanbidding, heb ik op onzen tocht door Suriname’s wildernissen (C. b.) bij onzen kok aangetroffen, wiens vader slaaf was geweest. Vooral, als wij diep in het oerwoud gekampeerd lagen, werd hij overmeesterd door de machtige grootheid der natuur. „Weet u wel”, zoo zei hij mij eens, „dat alles in de natuur een Geest heeft, zijn God, tot zelfs de steenen in de rivier, die zoo dikwijls boot-ongelukken veroorzaken? Laten we zorgen, dat de Geesten ons gunstig gezind zijn”.
De afkeer, die zoovelen onzer rasgenooten, helaas! ook nog in onze dagen, jegens al wat neger is aan den dag leggen, waardoor zij het veelal beneden hunne waardigheid achten, tot zijn innerlijk leven af te dalen, heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen, dat de Surinaamsche neger in zijn denkwijze, zijn gewoonten en gebruiken betrekkelijk nog zoo weinig veranderd is, en het is zeker te betreuren, dat nog niemand van zijn verblijf in de kolonie gebruik heeft gemaakt, om die herinneringen aan Afrika en den slaventijd op te sporen en te boek te stellen.
Het is ook weêr aan M. H. Nahar te danken, dat ik te dezer plaatse enkele dier oude herinneringen kan vermelden.
De Boesi-mama is onder de beheerschers der bosschen de meest bekende. Zij komt overeen met een mensch, alleen met dit verschil, dat hare voeten van achteren zitten en dat zij een vreemd hoofd met lang haar draagt. Zij kent alle geneeskrachtige kruiden, doch voor den mensch schijnt zij er weinig gebruik van te maken, want met de menschen, die in hare nabijheid komen, vangt zij den strijd aan, waarin zij bijna altijd overwint. Vandaar dat hij, die in het bosch verdwaalt, er nimmer meer uitkomt. Door Indiaansche priesters (Piai Ingies) en door droomen is men er achter gekomen, dat het de Boesimama is, die de menschen wegvoert.
Wanneer een man in den strijd met de Boesimama overwint, hetgeen maar zelden voorkomt, wordt hij haar minnaar en door haar onderwezen in alle mogelijke kunsten, die de wetenschappen ver te boven gaan.
Haar bestaan schijnt niet meer te zijn van dezen tijd, zoo eindigen Nahar’s mededeelingen, daar er heel weinig meer over haar gesproken wordt.
Dit bijgeloof moet uit de Goudkust zijn overgebracht, waar in alle districten twee godheden of Geesten bekend zijn, die in, onder of te midden van den Zijdekatoenboom huizen en den naam hebben gekregen van Srahmantin (Srahman = geest, tin = afkorting van tsintsin = slank, hoog) en Sasabonsum (abonsum = kwaadaardigheid, betoovering). De eerste leeft er te midden van den hoogen Zijdekatoenboom, wiens enorme stammen ver boven de omringende boomen van het bosch uitsteken; de tweede wordt nu eens te midden, dan weêr onder den Zijdekatoenboom aangetroffen, nl. daar, waar de aarde een roode kleur heeft. Hij is de vriend van toovenaars en heksen. Hij is een monsterlijk wezen in menschengedaante, met lang haar en een roode huidskleur. Hij heeft een voorliefde voor menschenvleesch en belaagt en verslindt eenzame voorbijtrekkers. Men gelooft, dat de roode kleur van de aarde van het bloed der slachtoffers, die hij doodt, afkomstig is.
Srahmantin is een vrouwelijke Geest, eveneens van monsterlijke gedaante, met lang haar en lange hangende borsten. Zij wordt alleen in of te midden van de Zijdekatoenboomen aangetroffen. Zij grijpt eveneens eenzame voorbijtrekkers aan, doch zij verslindt hen nimmer. Zij houdt hen 4 of 5 maanden bij zich, en doet hen naar de dorpen gaan, waar zij hare priesters of priesteressen worden, die door haar zijn ingelicht omtrent alle geheimen, haar betreffende.
De meeningen omtrent deze Geesten loopen bij de verschillende stammen nog al uiteen. De plaatselijke Srahmantin van een verwijderd dorp werd gezegd twaalf hoofden te hebben. (El.)
Vooral de laatste mededeeling is van gewicht in verband met hetgeen zooeven gezegd is omtrent den oorsprong van het bijgeloof, dat bij oude Surinaamsche negers nog heerscht ten opzichte van den Kankantrie, en dat vermoedelijk is voortgekomen uit de voorstelling, die de Goudkust-negers zich van Srahmantin maken.
Dat de slaven ook het eigenaardig bootgezang, als begeleiding hunner gelijkmatige roeibewegingen, uit Afrika naar Suriname, met zijne talrijke rivieren, zouden overbrengen, sprak van zelf.
Werd niet meermalen de poëzie beschreven, die een tocht op een der Afrikaansche stroomen den reiziger schenkt (zie: Bijvoegsel II), wanneer de negerroeiers hunne eentonige roeiliederen over het water laten klinken, en brengen zulke beschrijvingen niet levendig een boottocht op een der Surinaamsche rivieren voor den geest, als de zwarte roeiers hun rank vaartuig aan den voet van het machtige oerwoud zachtkens voortbewegen en zij hunne eindelooze roeiliederen met trillende stem uitgalmen?
Ruimschoots heb ik op den tocht door Suriname’s wildernissen gelegenheid gehad, de poëzie van dit boto siengi der negers te leeren waardeeren, wanneer zij, niet afgeleid door hindernissen in het stroombed, als steengevaarten, watervallen en stroomversnellingen, hunne stemmen den vrijen loop lieten en zij hunne korte melodieën, doch tallooze malen herhaald, in de stilte van den vroegen morgen over water lieten klinken.

Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn geworden …—Zie blz. 222.
Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn geworden, als zij zulks oorspronkelijk aan een reis op een der Afrikaansche stroomen waren (zie: het bijvoegsel: „Avond op het water in Sierra Leone”), zullen enkele staaltjes, die, ook ter karakteriseering van het negergemoed, belangstelling verdienen, hier ter plaatse evenmin mogen ontbreken, als in het verhaal, dat ik aan den tocht gewijd heb. (C.b.)
De lezer oordeele:

No. 1.
[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]

No. 2. Social dansa.
[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]
Het laatste lied is door negers uit de Britsche bezitting Barbados, het meest oostelijk gelegen eiland der Kleine Antillen, medegebracht, en wordt daar op de plantage gedurende een gemeenschappelijken dans (Social dansa) gezongen, waarbij de dansenden, elkander de hand houdende, een kring vormen en telkens van plaats verwisselen. Het luidt vertaald: Alexander, kom eens zien, de wachter heeft mijn gouden ring gestolen. Koelieman, Chinees … Gij, hallo! Zoekt de ring!
Het bootgezang, dat op onze terugreis uit de Binnenlanden van Suriname in 1900 door een onzer negerroeiers werd aangeheven (C.b. blz. 218), mag ook in dezen bundel niet ontbreken, omdat de neger hierin weder van zijn buitengewoon improvisatie-talent en dichterlijke phantasie blijk heeft gegeven, daar woorden en muziek, al naar het hem inviel, werden voorgedragen en hij daarin op zijn wijze de geschiedenis van den tocht heeft trachten te bezingen. Al bracht ik slechts het eerste couplet van den merkwaardigen zang, aan de hand van Mr. Focke’s Neger-Engelsch woordenboek, op schrift, is het niettemin zeer de aandacht waard, omdat het de meening van Bücher helpt bevestigen, in zijn „Arbeit und Rythmus” verkondigd, dat het gedicht zijn oorsprong dankt aan de behoefte der natuurvolken, om hunne eentonige bewegingen door gezang te begeleiden.

[Audio content is not currently supported on your device. [MusicXML]
Omtrent den oorsprong van dit bootgezang, Boto-siengi genoemd, bestaat bij de negers onzer kolonie eene overlevering, die door Nahar als volgt wordt verteld:
Legende van het Boto-siengi.
„Wie van U allen”, vroeg ik aan eenige negers, die bij elkander waren, „kan mij toch uitleggen, om welke reden gedurende het roeien moet gezongen worden, en wel met zulke lange tonen, die het lied haast onverstaanbaar maken”.
Geen hunner kon mij hierop antwoorden, toen een oude neger binnenkwam, die het raadsel wist op te lossen.
„Wel vriend”, vertelde hij, „in den slavenstand heerschte er discipline, zoo U weet; zelfs vrouwen moesten de riemen aanpakken en dit ging onder een doodelijke stilte, zoodat men wel een speld kon hooren vallen”.
„De blanken verveelden zich op zoo’n reis, doch de slaven niet minder. Deze begonnen toen heel zachtjes, binnensmonds op een zingenden toon met elkander te spreken, waarop de aangesprokene op den zelfden zingenden toon antwoord gaf. De blanken vonden dit heel aardig en luisterden graag naar het steeds luider wordende gezang, daar het de reis bekortte”.
„Van toen af werd er door het volk gezongen, en zoo is het melancholische bootgezang onafscheidelijk verbonden aan een tocht op de Surinaamsche rivieren”.
Evenals de negers der Goudkust bezitten de Surinaamsche negers een schat van zinrijke spreekwoorden, die voor ieder voorval, voor iedere omstandigheid des levens kunnen dienen en die blijk geven van een hooge levensphilosophie.
Ellis (El. a en b) deelt niet minder dan 120 aphorismen in zijne meermalen aangehaalde werken mede, van welke ik de merkwaardigsten, na de Surinaamschen, in het Bijvoegsel I heb overgenomen.
Hierbij moge worden opgemerkt, dat de Yoruba’s de wijsheid van een persoon beoordeelen naar het aantal spreekwoorden, die hij kent.
Deze weinige voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat in de uitingen van het geestelijk leven van den Surinaamschen neger nog tal van herinneringen voorkomen aan zijn afkomst van de negers der Goudkust.
Beide dieren hebben deze vereering te danken aan de merkwaardige eigenschappen, die zij zoowel in lichaamsbouw als in leefwijze vertoonen. Ten opzichte van de spin is het, zooals reeds werd opgemerkt, de kunstvaardigheid en het geduld, waarmede zij haar web maakt en de slimme wijze, waarop zij aan voedsel weet te komen, die voor de negers de aanleiding zijn geweest, haar dikwijls in menschengedaante, doch altijd met menschelijk denkvermogen voor te stellen.
Belangrijk is het, waar eenzelfde vertelling op verschillende, soms ver van elkander verwijderde plaatsen wordt aangetroffen—te verklaren, hetzij door overbrenging van de plaats van oorsprong, hetzij door een onafhankelijk ontstaan van dezelfde denkbeelden en phantasieën op verschillende plaatsen (Ba. blz. 20)—de veranderingen vast te stellen, die de helden der verhalen hebben ondergaan.
In deze verhalen, evenals in die van zoovele andere Negerstammen, blijkt de neger behoefte te gevoelen, om in deze uitingen van het zieleleven de zwakke onschuld te laten zegevieren over de ruwe kracht, een verschijnsel, dat ik reeds uit de geschiedenis van het negerras verklaard heb (zie blz. 204).
Dat sluwheid het meestal boven kracht wint, hiervan is de neger overal in Afrika doordrongen (zie o.a. in „Avond op het water”, Bijvoegsel II). Wij treffen deze waarheid ook aan in de reeds aangehaalde vertellingen, door inboorlingen aan Stanley gedaan (zie blz. 203), en waarin nu eens door een aardig bedrog of sluwe krijgslist de loeiende buffel het onderspit moest delven voor het scherpe vernuft van het konijntje, dan weêr de hond het won van zijn forschen meester, het luipaard.
In de spinvertellingen van de Goudkustnegers, die de Tshi-taal spreken (in de zg. Anansi-sem, afgeleid van Anansi-asem) wordt de spin Aiya Anansi (= vader Spin) genoemd, toebedeeld met groote slimheid en behebt gedacht met veel streken; evenals de lagere goden laat men hem doorgaans door de neus spreken.
Wanneer de verteller een voldoend aantal toehoorders om zich heen verzameld heeft, zegt hij: mijn verhaal is ongeveer zoo en zoo, terwijl hij den naam van den held noemt; of: mijn verhaal handelt over een man (vrouw), die dit of dat gedaan heeft. Wanneer dan het auditorium heeft geantwoord: wij luisteren, begint de verteller.
In verschillende dorpen zijn zg. „story-tellers” (sprookjesvertellers) zeer in aanzien, omdat zij beter dan anderen van de volkslegenden op de hoogte zijn en in het vertellen uitmunten. In Sierra Leone maken zelfs negers van het vertellen van sprookjes een broodwinning en reizen van het eene dorp naar het andere, waar zij steeds welkom zijn.
Niet zelden worden de verhalen met een bepaalde bedoeling verteld en de Neger is slim genoeg om te begrijpen, tot wien in het bijzonder de leerrijke vertelling gericht is. Dat de dierenfabels of sprookjes, die in Sierra Leone en in de overige deelen der Goudkust verteld worden, vooral de bedoeling hebben, de toehoorders beter te maken, blijkt o.a. hieruit, dat, wanneer de verteller bemerkt, dat de moraal aan de aandacht van den persoon, die men in het bijzonder op het oog heeft, door een of anderen reden ontsnapt is, hij dikwijls onmiddellijk met een andere vertelling begint, dat met dezelfde moraal eindigt.
Overal waar deze mondelinge overleveringen op de plaats, waar zij ontstonden, zijn opgeteekend, blijken zij een haast nog belangrijker plaats in het geestelijk leven van het volk in te nemen, dan de litteratuurvoortbrengselen bij de volken der moderne cultuur.
Daar de onuitputtelijke schat van legenden en sprookjes, die de mondelinge litteratuur der negers bevat, het gansche leven van den Neger weêrgeeft, mag een uitgebreide, folkloristische studie, ook uit een ethnologisch oogpunt, van belang geacht worden.
De meeste verzamelingen geven echter alleen het goede in den Neger weêr. Hij vertelt echter ook graag verhalen, die uit een wetenschappelijk oogpunt niet zonder beteekenis zijn, doch die voor een lezerskring, voor welken deze bundel bestemd is, afgekeurd moesten worden.
Jammer genoeg, is op de belangwekkende negerfolklore eerst de aandacht gevestigd, nadat een lange inwerking van Europeesche invloeden reeds veel van het oorspronkelijke had weggenomen.
Suriname.
a. Vertellingen, waarin de Spin als held optreedt, dus eigenlijke Anansi-tori’s.
1. Anansi, die een half dorp verovert.
2. Spin en de prinses.
3. Het huwelijk van Heer Spin.
4. Anansi, Tijger en de doode koe.
5. Anansi en zijn kinderen.
6. Hoe Spin zijn schuldeischers betaalt.
7. Een feest bij de Waternimf.
8. Spin en kat.
9. Spin en krekel.
10. Heer Spin als Geestelijke.
11. Heer Spin als roeier.
12. Spin neemt Tijger gevangen.
13. Heer Spin en Hond.
14. Tijger’s verjaardag.
15. Spin voert de Dood in.
16. Spin wedt, Tijger te berijden.
17. Verhaal uit het leven van vriend Spin.
18. Anansi als Amerikaan verkleed.
19. Heer Spin en de Waternimf.
20. Anansi, Hert en Kikvorsch.
21. Heer Spin als landbouwer.
22. Anansi en de Bliksem.
23. Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben.
24. Hoe Anansi aan schapenvleesch wist te komen.
b. Vertellingen, waarin Anansi niet optreedt.
25. De geschiedenis van Fini Foetoe, Bigi bere en Bigi hede.
26. Legende van Leisah I.
27. Legende,, van,, Leisah,, II.
28. Verhaal van het land van „Moeder Soemba”.
29. Boen no habi tangi, of: ondank is ’s werelds loon.
30. Geschiedenis van Kopro Kanon.
31. De Meermin of Watra-mama.
32. De Boa in de gedaante van een schoonen jongeling.
33. Het huwelijk van Aap.
1. Hoe Heer Spin, door zijn bekwaamheid als geneesheer, de mooie dochter van den landvoogd wist te krijgen.
(Cuenta di nansi).
1. Nansi en de bonte koe.
2. Nansi en Temekóe-Temebè.
(Annancy-stories).
1. Annancy in Krabbenland (met muziek).
2. Reiger (met muziek).
3. Annancy, Poes en Rat (met muziek).
Inhoud der Surinaamsche Negervertellingen.
Wenden wij ons nu in de eerste plaats tot de Surinaamsche negervertellingen of anansi-tori’s.
Daar, zooals ik reeds heb opgemerkt, de spin als de personificatie van het zwarte ras wordt beschouwd, van zijne vele deugden, maar ook van zijne ondeugden, en de meest op den voorgrond tredende karaktereigenschappen van den Neger door eeuwen heen dezelfde zijn gebleven, mag de onveranderlijkheid van zijn Held, hoewel met hem naar elders overgebracht, in het minst niet verwonderen.
Door Anansi’s buitengewone slimheid en geslepenheid en zijn lichten slaap ontsnapt hij aan alle listen en lagen, die tegen hem gespannen worden, en is hij als het ware onsterfelijk. Telkens weet hij nog juist bijtijds te ontsnappen en aan den dood te ontkomen.
Vreemd mag het daarom schijnen, dat Anansi in No. 22, getiteld: „Heer Spin en de Bliksem”, met zijn gansche familie vernietigd wordt.
Spin heeft ook in Suriname een onbegrensden eetlust en weet zich door allerlei listen en streken van het noodige voedsel te voorzien. Wanneer er gebrek is aan voedsel—dat in Suriname met den vruchtbaren bodem en visch-rijkdom der rivieren voor den Neger wel nimmer voorkomt—weet Anansi altijd wel wat machtig te worden. Ieder verlangen, dat bij hem opkomt, weet hij, dank zij zijn ongeëvenaarde vindingrijkheid, te bevredigen, al moet hij zich daartoe nu eens als Amerikaan verkleeden, om zich te goed te doen aan gebraden eend (No. 18, getiteld: „Anansi als Amerikaan verkleed”), dan weêr als loekoe-man* te verschijnen, om zijn vrouw, Ma Akoeba onmiddellijk bereid te vinden, een schapenbout voor hem gereed te maken (No. 24, getiteld: „Hoe Anansi aan schapenvleesch kwam”). In Anansi’s laatste streek handelt hij nog volkomen als zijn stamgenoot in Sierra Leone, die van het geloof van het volk in den Geestenbezweerder of den „Country fashion-man” partij trekt, om zijn doel te bereiken (Cr.).
Ook de Surinaamsche neger laat Anansi dikwijls door de neus spreken (No. 16, getiteld: „Spin wedt den tijger te berijden”) en laat hem dikwijls schreeuwen als hij liegt.
In den loop der tijden hebben Afrikaansche dieren voor verwante vormen der Surinaamsche fauna plaats gemaakt—zooals voor het luipaard: de tijger, die in Suriname niet voorkomt, doch waarmede daar steeds de jagoear bedoeld wordt; voor den aap in algemeenen zin: de brulaap; voor den vos: de kraboe dagoe* of krabbenhond enz.—en het behoeft geen verwondering te wekken, dat ook dieren, die in dat deel van Afrika, vanwaar de slaven naar Suriname werden overgebracht, geen verwanten hebben en om de een of andere reden de aandacht trokken, gaandeweg in hunne dierenfabels werden opgenomen. Als voorbeeld noem ik o.a. de awari*, de buidelrat (zie No. 29, getiteld: „Ondank is ’s werelds loon”), een tot Amerika beperkt geslacht der buideldieren, door de negers als kippendief zoozeer gehaat.
Het is duidelijk, dat waar de negers zich vrij gemakkelijk naar hunne nieuwe omgeving weten te schikken en er steeds behagen in scheppen, over zaken en toestanden te redeneeren en philosopheeren, de Europeesche invloed in hunne vertellingen zich meer en meer heeft doen gevoelen. Deze invloed moet reeds uitgegaan zijn van de eerste kolonisten, meer in het bijzonder van hunne kinderen, die de slaven ook met hunne sprookjes bekend wilden maken; en later, toen de slavernij werd afgeschaft en er een intiemere verhouding tusschen negers en blanken ontstond, moet de Europeesche invloed in de negervertellingen steeds meer op den voorgrond getreden zijn.
Niet minder dan tien van onze verzameling Surinaamsche negervertellingen eindigen met een moraal, waarmede de toehoorders hun voordeel kunnen doen, zooals No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”, No. 17, „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, No. 28, „Verhaal uit het land van Ma Soemba” en No. 32, „De boa in de gedaante van een schoonen jongeling” enz.
Een tweetal vertellingen, waarin anansi niet optreedt, (No. 26 en 27: Legende van Leisah I en II) leeren, hoe de strepen in menschenhanden zijn ontstaan.
Vreemd mag het schijnen, dat Anansi, die in de Negerfolk-lore voor onsterfelijk doorgaat, in No. 22 „Anansi en de bliksem” met zijn gansche familie vernietigd wordt.
Belangrijk zou het zijn, uit een veel grooter aantal vertellingen, dan waarover tot nu toe beschikt kan worden, aanknoopingspunten te zoeken met de vertellingen van de negers van West-Afrika. Hier mag de aandacht gevestigd worden op de groote overeenkomst van No. 16, „Spin wedt Tijger te berijden” met „Mr. Turtle makes a riding-horse of Mr. Leopard” uit de verzameling van Miss Cronise; op de merkwaardige overeenkomst van het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin” (No. 17) met „Spider, Elephan’ en Pawpawtamus” van denzelfden oorsprong (Zie Bijvoegsel II „Avond op het water in Sierra Leone”), doch met dit verschil, dat het nijlpaard in Suriname vervangen is door „de walvisch, de grootste visch (?) van de Spaansche groene zee”; op „No. 4, Anansi, Tijger en de doode Koe”, die een variant is op „Mr. Spider pulls a supply of beef” in de verzameling van Miss Cronise en eindelijk op het voorkomen ook in onze verzameling van een bekende verschijning in de mondelinge litteratuur der negers, nl. de teerpop (No. 9, „Spin en de Krekel”) die wij in de bekende Uncle Remus serie, in Noord Amerika verzameld, als de „Tar Baby” aantreffen en in de verzameling uit Sierra Leone van Miss Cronise als „the Wax Girl” weêrvinden. Ook de oorzaak van den eigenaardigen lichaamsbouw der spin vinden wij in een der vertellingen van den door Miss Cronise bijeengebrachten bundel vermeld, nl. in de vertelling „Why Mr. Spider’s waist is small”, terwijl er ten slotte nog de aandacht op gevestigd wordt, dat een aantal vertellingen der Surinaamsche negers, evenals die van de negers der Goudkust en van Sierra Leone, van een hongersnood verhalen, die onder de dieren was uitgebroken. (Zie: „Spin, Olifant en Hippopotamus” in Bijvoegsel II). Daar de neger in weinige landen zóó gemakkelijk aan den kost kan komen als in Suriname en daar er dus wel nimmer voor hem van hongersnood sprake zal zijn geweest, blijkt hier wederom eene herinnering aan Afrika, waar tijden van groote voedselschaarschte herhaaldelijk voorkomen, niet alleen door veelvuldige oorlogen (in vroegere tijden) en vernieling door branden, doch ook door langdurige droogte en door gemis aan de noodige zorg voor de toekomst bij den aanplant van een voldoende hoeveelheid rijst.
Tot de categorie van vertellingen, die de groote liefhebberij van den neger illustreeren, om onwelvoegelijkheden te vertellen (zie blz. 234), behooren een tweetal, die ik in dezen herdruk van Nahar’s verzameling heb weggelaten, doch voor welke ik uit de nieuwe reeks Anansi-tori’s, door A. P. Penard onlangs in het licht gegeven, er een uit koos (getiteld: „Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben”, No. 32), dat den kinderlijken aard van den neger, die in al zijne handelingen tot uiting komt, leert kennen.
Eens op een Zondag,—den dag, waarop men zich nog al eens verveelt—wilde ik den tijd trachten te dooden door naar eene gelegenheid te zoeken, om eenige anansi-tori’s op te doen.
Ik noodigde daartoe eenige gasten ten mijnent uit en wachtte op een geschikt oogenblik, om het verzoek tot hen te richten, mij eenige anansi-tori’s te willen vertellen.
„Voor de mooisten heb ik wel eenige sigaren over”.
De heeren lachten uit volle borst:
„Wel, waarom niet?”
„Och kom, je kent er een massa, dat weet ik”.
„Wel man, wees toch niet zoo dom en vertel er mij eenigen, dan geef ik je sigaren”.
De man antwoordde mij niet en ging weg. Een der overigen zuchtte en sloeg zijn blikken naar boven. Ik vroeg hem wat dat beteekenen moest, waarop hij met neêrgeslagen oogen en zachte stem antwoordde:
„En je bent nog zoo bijgeloovig en wilt geen anansi-tori’s vertellen? Foei man, schaam je wat!”
Meneer de gouddelver stond op en vroeg mij op eenigszins heftigen toon of ik dan niet wist, dat de skietnis of de anansi-tori tooverij is?
Eenige mijner vrienden, die bij het gesprek tegenwoordig waren, konden zich niet inhouden, en schaterden het uit, waarop de gouddelver vertrekken wilde.
„Word toch niet boos, vriend, het is immers maar gekheid”.
„Ja, maar ik word door jelui uitgelachen, en jelui denkt, dat ik lieg; om U de waarheid te zeggen, anansi-tori’s zijn dingen, die niet maar zoo besproken worden en die in een sterfhuis thuis hooren, niet bij ons op dit oogenblik.
Om die zelfde anansi-tori’s heb ik een man eens een pak slaag gegeven. Luister:
„Je liegt, vent”.
Ik deed alsof ik het niet hoorde, en ging verder. Doch al weêr viel de man mij in de rede:
Toen ik het woord liegen hoorde, kon ik me niet meer inhouden; ik stond op en gaf hem een muilpeer, die zóó hard aankwam, dat hij onderste boven op den grond tuimelde. De overige gasten hadden er echter plezier in, dat die déde-hóso aratta mij eens aan de kaak stelde; ze waren niet tot bedaren te krijgen, totdat een hunner opmerkte:
De gasten trachtten de déde-hóso aratta te kalmeeren, waarop deze het woord nam en ook een anansi-tori begon te vertellen. Hem mocht echter niemand in de rede vallen. Ik keek hem strak aan, en raadt eens, wat hij mij durfde te zeggen:
„Jij mag naar mijn mond kijken, maar jou mondje moet je houden, vriend, want anansi-tori’s moet je nog gaan leeren”.
„Weet je wat, als je hier gekomen bent om me weg te jagen, heb je het maar te zeggen, dan zal ik gaan”.
Toen sprong ik voor de tweede maal op, en gaf hem een zóó harden mep, dat hij met zijn koffie en beschuiten op den grond tuimelde. Voor de tweede maal sloeg ik een mal figuur, want de gasten hadden plezier en lachten mij uit.
Van dien dag af heb ik besloten nooit meer anansi-tori’s te vertellen, omdat zij mij een ongeluk zouden kunnen bezorgen. Is U het niet met mij eens?”
Ik zuchtte, gaf den man twee sigaren, en o, wonder! toen kwam hij los en begon hij mij door tal van voorbeelden op het gevaar te wijzen, waaraan men zich door het vertellen van anansi-tori’s blootstelt.
Hij vertelde mij o.a. dat hij, sedert hij die klappen in het sterfhuis had uitgedeeld, pijn aan zijn arm gekregen had en niet zoo goed meer werken kon.
Onder het gesprek kwam onze waschvrouw binnen, die ik als nog veel bijgelooviger dan den gouddelver had leeren kennen. Zij was ter kerke geweest, en na ons gegroet te hebben, kwam ze bij ons zitten. Doch niet zoodra had zij vernomen, over welk onderwerp wij het hadden, of ze wilde opstaan en weggaan.
Mijn zuster, die ook tegenwoordig was, had schik in den angst harer oude waschvrouw en kon niet laten te zeggen:
Eenigen tijd daarna stond de vrouw op en ging zich verkleedden onder ’t zingen van een lied. De gouddelver scheen ook schik te hebben in het geval en begon haar uit te lachen.
„Jij kent Gods weg niet, anders zou jij, zoo’n oude man, den Zondag niet bederven met die dwaasheden”.
„Die vrouw is gek”.
Er volgde nu een algemeene scheldpartij, waarbij de vrouw den gouddelver voor Azéman*, Leba* en meer dergelijke lieflijkheden uitmaakte.
Ik weêrhield den gouddelver, die woedend was opgestoven, en Wasje, die boos naar boven was geloopen, kwam kort daarna even naar beneden, mij toeroepende, dat ik haar den Zondag bedorven had; doch ik had nog niet genoeg, want ook de gouddelver, angstig geworden door de op hem gerichte vurige blikken der vrouw, kwam mij weder die verwenschte anansi-tori’s verwijten, er bijvoegende, dat de vrouw een Azéman moest zijn, getuige hare roode oogen en hare naar den grond gerichte teenen.
De gouddelver was geheel van streek en vervolgde:
„Je bent driftig”, zei ik, „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al 2 à 300 jaar bestaan”.
„Ja, maar meneer, de Afrikanen waren ook niet gedoopt en er waren toen nog geen kerken. Ze wisten van niets en ze deden ook kwaad. Zij hebben de Bakróes, de Azémans, Afreketes of Lebas ingevoerd”.
„Zeg mij eens wat een Azéman is”, vroeg ik.
„Hm, meneer, een Azéman is een geest, die de gedaante van een neger kan aannemen”.
„Dat is het niet wat ik bedoel, je moet er mij eens een beschrijven”.
Doch toen hij zag, dat ik niet tevreden was, zei hij:
„De meeste oude menschen (negers), die roode oogen hebben en naar den grond gerichte teenen, behooren tot die klasse. Een Azéman voedt zich met menschenbloed. Hij of zij—want vrouwen zoowel als mannen doen het—bezit de kunst, om het lichaam van het vel te ontdoen en daardoor de macht van een joroka* te verkrijgen, gesloten huizen binnen te dringen en de menschen bloed uit te zuigen. Is het bloed bitter, dan braakt de Azéman het weêr uit, doch smaakt het, dan gaat hij voort met zuigen, totdat de persoon sterft.”
De waschvrouw stond op, met aandacht luisterend en toen ik vroeg, hoe men kan weten, dat er een Azéman in de buurt is, antwoordde de vrome waschvrouw:
Ik vroeg toen op mijn beurt, hoe een Azéman gevangen genomen kan worden, als hij de gedaante van een geest kan aannemen, en de kunst bezit, een gesloten huis binnen te gaan, zonder een deur of raam te openen, dan de menschen uit te zuigen en weêr te vertrekken, zonder dat iemand er iets van merkt of voelt.
„Wel”, zei de vrouw, „de Azéman verdooft de plek met zijn lippen en zuigt daarna het bloed uit. De tong van zoo’n Azéman is als chloroform, meneer!”
„Maar ik wil weten, hoe men hem vangt”.
„Op Brouwerslust hebben ze de Azéman op een andere wijze gevangen”, zei de waschvrouw.
Men zeide, dat het de zwager was van den bastiaan Kofi”.
„Wat hebben ze toen met hem gedaan?”
De waschvrouw wist nog andere manieren te vertellen, waarop men den Azéman in handen kan krijgen, allemaal herinneringen uit haar jeugd, toen zij als slavin op een plantage werkte en er rare dingen gebeurden.
Ik luisterde met aandacht en toen zij uitgesproken had, riep ik uit: „ben jij nu de waschvrouw, die geen anansi-tori’s wil vertellen!”
Des avonds kwam de gouddelver ons weêr bezoeken. Het gesprek kwam alweder op de geheimzinnige wereld, want nauwelijks gezeten, begon de man te vertellen van de bakróe, een gevaarlijk element, op een mensch gelijkend.
Hij bezit een bovennatuurlijke kracht, gooit de sterkst gespierde mannen omver, is gehoorzaam en voldoet aan zijn’s meester’s opdracht.
De dátra behandelt zijn patiënt op een zeer vreemde wijze; deze moet in een tobbe water zitten en ondergaat een bad, daarna wordt hij door de assistenten met een prasára-sisíbi afgeranseld. De wintiman geraakt dan in een abnormalen toestand, spreekt indiaansch, afrikaansch en de taal der boozen. Is de patiënt genezen, dan moeten nog enkele formaliteiten plaats vinden, zooals het betalen van wegen en paden (offeren).
„Tot dezelfde familie”, begon de gouddelver weêr, „behoort ook de léba. Meneer, maar daar kan ik U niet veel van vertellen, want deze schijnt uit te sterven, hetgeen met de bakróe niet het geval is”.
„De léba is een mensch, die vol schurft en ongedierte zit en in lompen gehuld is; U zoudt hem niet kunnen herkennen, hoewel hij op een mensch gelijkt”.
Later vroeg ik aan verschillende inboorlingen naar deze dingen en zij verklaarden gehoord te hebben, dat ze bestaan. Doch de gouddelver en de waschvrouw hielden vol, ze gezien te hebben.
„Bij alles wat heilig is”, zoo ging zij met zachte stem voort, „zoo verzeker ik U, dat alles wat ik nu vertellen zal, waarheid is, omdat blanken er niet aan gelooven willen, en maar steeds volhouden, dat het bijgeloof is.
„Welnu dan, ik heb bijgewoond, toen men winti* danste, dat een man een gloeiend kapmes, dat een half uur in het vuur was geweest, heeft afgelikt, totdat het ijzer geheel bekoeld was. De man kreeg niet het minste letsel. Daarna nam de wintiman een scheermes en sneed verschillende anderen de tong af. Van een vrouw sneed hij die geheel af, en legde haar op een wit bord met spiritus, om haar daarna weêr aan het stuk, dat nog in den mond was blijven zitten, vast te lijmen. Geen mensch die zien kon, waar de tong afgesneden was geweest!
„Mijnheer er zijn verborgenheden, geloof mij” verzekerde de gouddelver. „Op de voormalige plantage Groot-Meerzorg kon de rietmolen geen dienst doen, alvorens hij een menschenlever of een menschenhart ten geschenke had gekregen”.
De gouddelver stond op en ging heen.
Wasje ging naar boven en alvorens haar slaapkamer binnen te gaan, strooide zij rijstkorrels voor de deur.
VERTELLINGEN DER SURINAAMSCHE STADSNEGERS.
In Suriname laat de verteller dikwijls de volgende toespraak aan zijn anansi-tori voorafgaan:
Heeren en dames luistert! Maar alvorens U in Uwe gemakkelijke stoelen neêr te zetten, begint Broeders en Zusters eenige wimpers uit te trekken, want oogen en ooren moeten helder zijn, deels om niet te slapen, deels om het aangename van het verhaal op te vangen.
Broeders, zoo moet het zijn en zoo moet het worden!
Kameraden, luistert!
No. 1. Anansi, die een half dorp verovert.
In overoude tijden had Spin aan den Gouverneur gevraagd, of hij nog een half dorp meer onder zijn gezag wilde hebben.
De Gouverneur, de streken van Spin kennende, antwoordde:
„Denk je soms, dat je me voor den mal kan komen houden?”
„Excellentie, indien U het maar aan mij wilt overlaten, antwoord dan ja, dan zal ik U toonen, dat ik een half dorp voor U zal machtig worden, mits Uwe Excellentie mij een oude uniformjas, een steek, een sabel en twee haantjes geeft”.
De Gouverneur keurde het voorstel goed en stond het gevraagde aan Heer Spin toe, doch onder voorwaarde, dat hij hem het hoofd zou laten afhouwen, als hij onverrichterzake terugkeerde.
„Dus, ’Ma Akoeba, ik ga voor eenige dagen op reis; heb je me begrepen?”
„Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug;
Pagaai naar voren, ga vlug;
Pagaai naar achteren, ga vlug;
Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug”.
Heer Spin, die onvermoeid voortpagaaide, kwam na een paar uren aan een dorp, waar hij de gansche bevolking aan den oever vergaderd vond, om heer Spin te begroeten en hem naar het stadhuis te begeleiden.
„Gouverneur Spin, kom aan wal”, riep men hem van alle kanten toe, waarop Spin antwoordde:
„In geen geval. Ik ben door den Gouverneur uitgezonden met de gewichtige opdracht, twee haantjes voor hem elders te brengen”.
Doch het volk bleef aanhouden en heer Spin liet zich overhalen, even aan wal te gaan.
Dadelijk begon hij te spreken over de twee haantjes, die, zooals hij den man, die ze van hem aannam, toevoegde, niet bij kippen, doch wel bij ganzen willen blijven.
Nadat aan zijn wensch voldaan was en de haantjes bij de ganzen waren gebracht, werd Spin door alle ingezetenen, voorafgegaan door den Gouverneur, met muziek naar het stadhuis geleid, waar te zijner eere een groot feest werd gegeven.
Plakkaten werden rondgestrooid, om de komst van Gouverneur Spin bekend te maken; van alle woningen wapperden vlaggen, in één woord: het was feest in het dorp.
Des avonds werd er een bal gegeven, waaraan Spin tot laat in den nacht deelnam.
Tegen drie uur in den morgen verwijderde heer Spin zich, trad heimelijk het ganzenhok in, draaide de beide haantjes den nek om en keerde daarna weder naar de balzaal terug.
Vroeg in den morgen, reeds te zes uur, maakte Spin zich tot het vertrek gereed, daar het gunstig getij juist was ingetreden. Hij vroeg om de haantjes en tot groote ontsteltenis van alle dorpelingen werden ze door een der officieren dood naar boven gebracht.
Onmiddellijk liet de Gouverneur den oppasser voorkomen, teneinde zich te verantwoorden over dit feit.
Spin begon te huilen, te gillen, te razen en zette de handen op het hoofd, uitroepende:
„Ik moet sterven, ik word vermoord, er is geen kruid voor gewassen, de dag mijns oordeels is aangebroken”.
Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond.

Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond.—Zie blz. 260.
„Ik had wel een voorgevoel, toen ik zei, niet aan wal te willen gaan; men heeft mij misleid.
„Mijn waarde heer Spin”, zoo sprak de Gouverneur, „wees toch niet zoo droevig; U kunt van mij twee andere haantjes krijgen”.
„O neen, dat kan ik onmogelijk aannemen; geen haantjes wil ik meer hebben, wel twee ganzen”.
Onmiddellijk werden twee ganzen voor hem gehaald; hij nam ze norsch aan en bracht ze in zijn tjoewa tjoewa en vertrok.
Weêr hief hij zijn lied aan:
Mi Anansì mi kóni, ó grinja en terwijl hij stevig doorparelde, kwam hij weder aan een dorp, welks bevolking hem op gelijke wijze opwachtte.
„Kom toch aan wal!” riep men van alle kanten.
„Ik wil graag, maar ik kan onmogelijk”.
„O neen, heer Spin, willen of niet, gij moet”.
Spin liet zich ten slotte overhalen en trad in zijn uniform met de twee ganzen aan wal, zeggende:
Een der adjudanten nam de ganzen van Spin over en bracht ze in het varkenshok. Alweder was het feest te zijner eere. Op allerlei wijze werd zijn komst bekend gemaakt; de grond dreunde van de schoten der kanonnen.
Des avonds was het stadhuis verlicht met Chineesche lantaarns en lampions; al weder was het groot bal.
En, hm!… weder verwijderde heer Spin zich in het middernachtelijk uur uit de balzaal, sloop hij heimelijk in het varkenshok, om de beide ganzen te dooden.
Met het aanbreken van den dag, toen Spin wilde vertrekken, vroeg hij om de beide ganzen, die hem onmiddellijk werden gebracht; doch toen hij zag, dat zij dood waren, begon hij nog erger dan de vorige maal te schreeuwen en schandaal te maken.
Maar het dorpshoofd trad op heer Spin toe, hem verzoekende twee andere ganzen in de plaats te willen aannemen. Hij antwoordde:
„Geen idee, geen denken aan! Varkens moet ik in de plaats hebben; anders komt de heele zaak op uw hoofd neêr; mijn handen wasch ik in onschuld. Ik ben misleid”.
Een algemeene stilte volgde, totdat men met twee varkens voor heer Spin kwam aandragen, die hij in zijn tjoewa tjoewa plaatste.
Hij greep zijn parel en vertrok, in zich zelf mompelend „een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen”. Zoo geruimen tijd voortparelend, kwam hij alweder aan een dorp, waar men nog meer moeite moest doen, om Spin aan wal te krijgen. Het gelukte den inwoners eindelijk, en met nog grooter praal werd hij ontvangen.
Heer Spin kwam met de twee varkens aandragen, die, naar hij hem, die ze overnam, mededeelde, niet bij varkens wilden blijven, doch wel bij koeien.
De varkens werden naar de koeien gebracht en heer Spin leidde men in triumf naar de woning van het dorpshoofd.
Voor het dorpsbestuur was het een dag van groote vreugde; een groot feest werd gegeven; al weder werd des avonds gedanst, heer Spin deed flink zijn best, doch vergat de varkens niet.
In het stille middernachtelijk uur ging hij naar beneden, om de varkens te dooden en keerde daarna in de balzaal terug.
Toen de morgen aanbrak, wilde heer Spin zijn reis voortzetten en vroeg hij om de twee varkens, doch de knecht keerde terug en deelde hem mede, dat zij vermoord waren.
Al weder ving heer Spin een akelig geschreeuw aan, dat de omstanders door merg en been ging; hij verwenschte zich zelf en overlaadde de dorpelingen met verwijten.
Doch het dorpshoofd sprak:
„Och treur niet. Je kunt immers twee andere varkens in de plaats krijgen”.
Maar heer Spin schudde het hoofd en antwoordde:
„O, neen, daar moet ik niets van hebben; een flinke koe, dat zou nog gaan, maar anders niet”.
Aan het verzoek werd voldaan en Spin kreeg de verlangde koe en trok in zijn tjoewa-tjoewa verder.
Omstreeks vier uur was hij weder bij een dorp aangekomen, waar juist de lijkstatie van een kind voorbij ging. Heer Spin, die met aandacht het droevige tooneel volgde, vergat de koe, die te water raakte en verdronk.
Wat moest hij doen? Naar een nieuwe drijfveer zoeken, om den tocht voort te zetten.
Hij bedacht zich een oogenblik, ging aan wal, dolf het kinderlijk op, nam het uit de kist, plaatste het vooraan in zijn tjoewa-tjoewa en parelde verder.
Vroeg in den morgen van den anderen dag landde hij aan een groot dorp, waar hij op hartelijke wijze ontvangen werd.
Doch de feestvreugde verstomde, toen heer Spin verzocht, geen lawaai te maken, omdat hij een ziek kind medebracht, waarmede hij naar den dokter moest gaan.
Als gewoonlijk nam heer Spin zijn intrek bij het dorpshoofd, wien hij om stilte verzocht, zeggende, dat het kind hevige koorts had.
Nauwelijks was mevrouw verdwenen of Spin, die geduchten honger had, zette zich neêr en liet zich de pap goed smaken.
Toen hij gereed was, bracht hij de kom terug en zeide, dat het kind mevrouw liet bedanken.
Na een uur klopte de vrouw van het hoofd weêr aan de deur en zei, op Spin toetredend:
„O, zeker, dat moet wel, want het kind moet toch eten”.
„Dank U, het kind slaapt op het oogenblik, maar als het wakker wordt, zal ik het geven”.
De vrouw ging weg en Spin at zijn bekomst, doch toen hij gereed was, begon hij hevig te gillen.
Op het erbarmelijk geschreeuw kwam het volk, met den Gouverneur aan het hoofd aanloopen, doch Spin was niet tot bedaren te brengen.
„Mijn waarde Spin”, sprak de Gouverneur, „schreeuw toch niet zoo; mijn’ vrouw kan het heusch niet helpen, maak toch zoo’n lawaai niet, ik zal u twee slaven in de plaats geven”.
„Slaven?”
„Ja, twee stuks”.
„Geen denken aan, als je nooit voor den rechter bent geweest, dan zullen jij en je vrouw nu voorgebracht worden en wegens moord zullen jelui beiden de gerechte straf ondergaan”.
De Gouverneur beefde van schrik en toen de dorpelingen zijn angst en hevige ontroering zagen, begonnen zij heer Spin te smeeken de zaak te sussen.
Spin wilde er echter eerst niets van weten, doch toen de Gouverneur riep:
„Vraag wat U wilt, U kunt desnoods een half dorp krijgen” spitste anansi de ooren en vroeg:
„Is het waar?”
„Ja, granman anansi!”
De Gouverneur stemde toe en Spin kreeg dus een half dorp, in plaats van het kind.
Dadelijk begaf hij zich naar de woning van den Gouverneur, met wien hij de weddenschap had aangegaan. Deze ontving hem vrij koel en sprak norsch:
„Waar is nu het halve dorp?”
„Welnu, maak geen drukte, op een bedaarden toon als ’t U belieft, hier zijn de eigendomsbewijzen.” De Gouverneur veranderde dadelijk van toon, gaf Spin de hand en zeide:
„Ik dank U, ik zal U beloonen; in mijn huis zult ge wonen en Uwe kinderen zullen met mijn volk ook in huizen wonen”.
„Waar dan?”
Doch heer Spin verkoos dat niet, en toen hij den beul zag komen, waarmede de Gouverneur hem gedreigd had, liep hij hard weg en sprong zelf in een reet van den muur.
En van dien dag af heeft heer Spin in hoeken en gaten der huizen zijn intrek genomen.
No. 2. Spin en de Prinses.
Langen tijd bewoonde Spin een rijk, dat geheel omringd was door onderhoorige dorpen. Hij was er erg bemind en bijna ieder meisje schonk hem haar hart, want hij was buitengewoon schoon.
Na tal van jaren vestigde heer Spin zich in een ander rijk, dat aan de hel grensde. De koning van dat land had drie dochters, die hij wenschte uit te huwelijken.
Kapitein Spin vatte het plan op, een harer te gaan vragen. Hij liep verschillende dorpen af om kleedingstukken te leenen, want hij bezat niets; daarna begaf hij zich naar het paleis en deed aanzoek om de hand der jongste dochter, die hij ook kreeg. Drie maanden bracht heer Spin in het paleis door, maar niet één keer verkleedde hij zich.
Toen de dag van vertrek aanbrak, werd een 1ste klasse-stoomer voor het jonge paar in gereedheid gebracht. Heer Spin sprak:
„Indien het U onverschillig is, zou ik de reis liever per rijtuig doen, dan per stoomboot, daar mijn gezondheid er niet tegen kan”.
„Goed, zooals ge wilt, hoeveel paarden zal ik laten voorspannen?”
„Een stuk of tien”.
Aan het verzoek werd voldaan en heer Spin vertrok met zijn vrouw.
Aan het eerste dorp gekomen stapte hij uit en kwam hij na een kwartier zonder hoed terug. Zijn vrouw durfde hem niet te vragen, waar hij gebleven was, want heer Spin had haar onder bedreiging van den doodstraf verboden te spreken of te schreeuwen.
Aan het volgende dorp gekomen, stapte hij weder uit en kwam hij na een kwartier zonder regenscherm terug, Zijn vrouw schrok, maar durfde niets te zeggen.
Kort daarop verwijderde heer Spin zich weder en nu kwam hij zonder jas terug. Zijn vrouw werd angstig, toen zij hem op deze wijze van gedaante zag veranderen.
Zoo ging het door van dorp tot dorp, tot hij eindelijk geheel naakt terugkwam. Onderweg had hij achtereenvolgens teruggegeven, wat hij vóór zijn huwelijk geleend had.
De Koning, die gehoord had van het droevig lot van zijn dochter, snelde haar te hulp. Hij trof heer Spin thuis en sprak:
„Ellendige, waar is mijn dochter?”
„Jouw dochter?”
„Ja, mijn dochter?”
„Dat gaat je niet aan; ik ben toch met haar getrouwd, je hebt niets meer met haar te maken”.
„Wat zeg je daar, vent!”
„Ben je doof?”
„Pakt dien ellendeling op!”.
„Een oogenblik. Je dochter is bij mijn vriend. Je kunt haar gaan halen”.
De vorst, die zijn plichten als vader wilde vervullen, begaf zich op aanwijzing van heer Spin naar het naburige dorp, de hel. Hij schrok hevig, want zijn dochter stond op korten afstand van een grooten ketel, die minstens wel vijf man kon bevatten.
„Kind, wat is er gebeurd?”
„Heer Spin heeft mij aan den duivel verkocht. Heden word ik geslacht. De duivel heeft tal van vrienden uitgenoodigd, om aan het feestmaal deel te nemen. Spin komt mij binnen het uur slachten. Papa ga weg, anders ondergaat U hetzelfde lot als ik”.
De duivel kwam thuis en anansi zong:
Didibri antwoordde:
en doodde daarop den vorst. Hij begroef hem achter zijn woning en stelde den dood der prinses uit, daar hij niet meer dan één persoon per dag mocht doen sterven.
Heer Spin stelde voor, den koning op te eten, maar de duivel wilde er niet van hooren.
Het meisje had een broêr, van wien zij niets hield en dien zij zooveel mogelijk vermeed. Deze jonge man leed aan framboesia tropica* en onttrok zich aan ieders oogen. Hij was zeer ervaren in het tooveren en bezat formulieren, die elke menschelijke kunst te boven gingen. Toen hij vernam, dat zijn vader door zijn schoonzoon gedood was, dacht hij bij zich zelf:
„Bloed moet door bloed gewroken worden; oog om oog, tand om tand”, en hij zocht dadelijk Spin op.
„Waarde zwager, waar is mijn vader?”
„Wie is jouw vader?”
„Jouw schoonvader!”
„Schoonvader?” Spin haalde de schouders op.
„Houd me niet voor den gek, want ik vermoord je!”
„Ga naar het naburige huis, je vader is er op bezoek”.
„Goed”.
„De jongeman kwam in de hel. In de verte zag hij den duivel aankomen, waarop hij zich achter zijn zuster verschool.
Didibri kwam thuis. Anansi zong hem toe:
„Er is niemand hier,” zei de duivel.
„Ben ik dan niemand?” vroeg het jonge meisje.
„Ja, ik ben hier,” antwoordde de jongeling.
„Wat doe je hier?”
„Ik kom mijn vader halen”.
De duivel slikte hem in, maar hij kwam weêr ongedeerd te voorschijn. Zoo deed hij verschillende malen, maar zonder gevolg. Toen nam hij een langen ijzeren staaf, maakte hem gloeiend heet, en stak hem daarna in het lichaam van den jongeling, maar ook nu stierf hij niet.
De duivel vroeg hem:
„Slaap je?”
„Neen”.
„Waarom niet?”
„Die pokken doen pijn, ik kan niet slapen”.
Heer Spin, de medewerker des duivels, gaf hem den raad, den jongeling een slaapmiddel te geven. „Maar, wees voorzichtig”, vermaande hij, „want, als het lichaam slaapt, waakt de ziel”.
„Heb jij dan een ziel, anansi?”
Didibri vroeg toen den jongen man: „Wat zal ik je geven?”
„Mijne moeder gaf mij soep van keisteenen, dat was het eenige middel”.
De duivel ging toen voor kok spelen, maar de keisteenen wilden niet zacht worden.
„Ga naar het strand,” beval heer Spin zijn schoonbroêr, „ik zal je wel daarheen brengen”.
„Jij hem brengen?” vroeg de duivel.
„Ik zal er voor zorgen”.
„Goed, ik reken er op”.
Den volgenden morgen ried anansi zijn schoonbroêr aan, in het belang van zijn gezondheid een bad te gaan nemen, daar hij anders wel nooit zou genezen.
Spin ging met list te werk, daar hij, noch de duivel er in slaagde, den jongeman te dooden.
„Goed, zwager, maar wees voorzichtig met mij, denk niet, dat ik je vrouw ben, en dat je me zal kunnen dooden”.
„Maar, zwager, je kent me toch”.
„Nu, en of ik je ken”.
Zij gingen naar het water en heer Spin begon te zingen:
Foenkete! Foenkete!
De duivel kwam uit het water, slikte den jongeling in, maar hij kwam er weêr levend uit.
„Nu vermoord ik jelui beiden, jou en Spin”.
„Neen, Mijnheer! Ik heb toch niets gedaan. Heer Spin heeft mij een nimf aangeboden, en ik heb haar gekocht”.
„Waar is mijn vader?”
„Hij is dood”.
„Daarom zal ik je dooden”.
„Ik zal je vader het leven teruggeven”.
„Ik zal het zelf doen”.
Heer Spin beefde van angst.
De duivel slikte den jongeling weêr in, maar deze doorstak hem met een speer.
Heer Spin zweefde over het water en zette zich op een boom. De jongeling vervolgde hem; maar Spin sprong naar beneden en maakte zich uit de voeten.
Toen ging de jongeman zijn zuster bevrijden en zijn vader het leven teruggeven, waarna zij samen in hun land terugkeerden.
Heer Spin durfde zich niet meer te vertoonen en sedert dien tijd heeft hij zijn intrek in reten en hoeken genomen.
No. 3. Het huwelijk van Heer Spin.
In zeker land regeerde een vorst, die een dochter had, schoon als de volle maan. Er kwamen vorstenzonen uit verre landen, om haar hand te vragen, maar zij weigerde allen.
Toen Zijne Excellentie de landingsplaats naderde, riep de stuurman hem toe:
Heer Spin begon te spelen en zong er het volgende liedje bij:
„Mi jére, pikien misi
Z. M. de Koning hoorde deze hemelsche muziek en zond een gedeelte zijner troepen ter plaatse, met bevel den muzikant naar het paleis te brengen.
De manschappen en hovelingen ijlden heen, en tot hun verwondering zagen zij, dat het Gouverneur Spin was. Hij werd op plechtige wijze begroet, waarna men hem het verlangen van Z. M. mededeelde.
Heer Spin logeerde een poos ten paleize, waar hij op de handen gedragen werd, doch na eenige dagen besloot Zijne Excellentie weêr naar zijn dorp terug te keeren.
„Ach! Papa”, riep het meisje, „kunt U Z. E. niet hier houden en tot rijksmuzikant of opperzanger benoemen?”
Granman anansi viel haar in de rede:
„Dat zal niet gaan, tenzij ik met U trouw!”
„Nu, dat is goed”, antwoordden vader en dochter tegelijk.
Spin was de gevierde in huis; hij mocht maken en breken wat hij wilde; hij was letterlijk heer en meester geworden.
Het jonge paar zou dan trouwen.
Schoonpapa stelde zijn schoonzoon voor, om versch vleesch te laten koopen.
„Dat behoeft niet; geef mij maar geld, dat U voor versch vleesch wilt besteden, ik zal er voor zorgen; maar, nog wat, laat voor mijn vrienden een flink huis bouwen met een ijzeren deur. U moet ook aan alle naburige vorsten mijn huwelijk bekend maken, want dan kunnen zij mij nog ’t een en ander ten geschenke geven. Laat U het niet weten, dan houden zij zich stil, en ben ik de lijdende persoon, niet waar, want dat zijn me anders geen gulle snappers!”
Aan Anansi’s verzoek werd voldaan en op den dag vóór de huwelijksvoltrekking waren alle vrienden en kennissen van het jonge paar verzameld.
Anansi’s vrienden kwamen ook en werden verzocht hun intrek in het ijzeren huis te nemen. Toen allen er in waren, sloot heer Spin de deur af.
Krekel, die reeds eenmaal werd beetgenomen, zong op den drempel van het huis:
De aanstaande bruidegom gaf nu bevel, rondom het gebouw een vuur aan te leggen; het werd gedaan en alle dieren verbrandden. Daarna noodigde hij alle gasten van den Koning beleefd uit, de dieren te helpen villen en schoonmaken.
„Hm! Hm!” zuchtten de prinsen en de andere edellieden.
„Heden mag geen verdriet zijn, daar het morgen mijn trouwdag is”, zei Spin.
Ik begrijp ze wel, dacht Anansi, ze willen niet helpen werken, maar wel helpen eten; ik ben dus eigenlijk hun slaaf. Neen, dat staat niet in de boeken geschreven, wel staat er: in het zweet uws aanschijns zult ge uw brood verdienen!
Eindelijk werd het werk verricht en den anderen dag trouwde hij het meisje.
Heer Spin bleef in het paleis wonen en zijn kinderen kwamen bij de naburige vorsten aan huis.
Door streken is de spin overal gekomen, tot zelfs in vorstenwoningen toe.
No. 4. Anansi, Tijger en de doode Koe.
Heer Spin, die de kost verdienen moest voor zijn groot gezin, kreeg haast niets van hetgeen hij meêbracht; dikwijls moest hij met een leege maag naar bed, hetgeen hem in ’t geheel niet beviel.
„Dat gaat zoo niet langer”, dacht hij, „hard werken voor weinig loon, en niet eens je bekomst eten, dat gaat niet …!”
Na lange overpeinzingen ging hij vet stelen uit den buik van een koe. Waardoor hij zich toegang verschafte, zeg ik liever niet.
„Ze moeten die gulzigheid afleeren; ik ga nog niet naar huis; eerst zal ik zelf wat eten en meênemen hetgeen er overblijft”.
Heer Spin ging bij zijn vriend Tijger aankloppen en vroeg hem in zijn kippenhok te mogen overnachten.
„Ja”, antwoordde Tijger met een heel grove stem.
Heer Spin kroop in het hok en in het stille middernachtelijk uur steeg er rook omhoog, toen hij bezig was het vet te bakken.
Tijger werd wakker van den damp en trad op het kippenhok toe.
„Eet maar naar hartelust vriend, ga je gang”.
Tijger vrat zijn bekomst en vroeg, waar hij dat vet had gehaald.
„Ik wil het je wel vertellen, vriend, en je meênemen ook, maar je laat me vangen en jij misschien er bij”.
„Wel neen, vriend, ik ben toch niet gek!”
„Nu goed! morgenavond neem ik je meê, hoor!”
Tijger geloofde het maar half; hij ging Spin halen en ze gingen te zamen naar den stal van het dorpshoofd. Heer Spin zei zijn formulieren op, de koe ging open en zij traden samen binnen.
Anansi vulde zijn jachttasch met vet, terwijl Tijger alles opat, wat heer Spin afsneed.
„Neem je geen stuk meê voor je vrouw? Snijdt vlug nog een stuk af, ik ga al vast naar buiten”. De woeste tijger sneed maar raak en trof het beest in het hart, zoodat het op hetzelfde oogenblik dood neêrviel.
„Heb ik het niet gezegd? Nu zijn wij gevangen”.
„Help me vriend Spin!”
Zoo gezegd, zoo gedaan, de heeren namen hun intrek als voren genoemd.
Het hoofd van het dorp hoorde dit en vroeg heer Spin of hij gek was, dan wel of er een streep door zijn hoofd liep.
„Wat belieft U mijnheer? Ik ben niet gek, maar gij zijt het, dat ge U zoo maar alles wijs laat maken”.
„Weet je niet tegen wien je spreekt? Ik ben het dorpshoofd”. De doktoren vroegen Spin zich in bijzijn van het Hoofd te verantwoorden over zijne woorden.
„Je verklaart je nader, of ik laat je gevangen nemen, vagebond!”
„Excellentie! Ik ben maar een arme spin, die op een armenschool geweest is. Ik heb niet veel geleerd, maar wel veel ondervinding opgedaan. Men zegt in den regel: droomen zijn bedrog, maar mijn hoofd bedriegt me niet. De koe is vermoord door Tijger, die nog in zijn buik moet zitten, volgens mijn droom. Als U de darmen laat opensnijden, zult U hem vinden met ap- en dependentie; maar U moet maatregelen nemen, om hem te vangen; want hij zal willen vluchten. Ik had hem een tijdje tot vriend, maar om zijn smerige streken heb ik hem laten loopen; ik wed, dat als hij mij hier ziet, hij durft zeggen, dat ik de koe gedood heb”.
De koe werd onderzocht en Tijger gevonden. Heer Spin kreeg een belooning van 25 gulden, zooals in de publicatie der kolonie vermeld staat.
No. 5. Anansi en zijn kinderen.
„Wel neen, vrouwtje, geef die arme schapen hun portie, ik zal wel zien, hoe ik aan eten kom”.
„Wil je dan niet eten van daag, of heb je geen honger?”
„Zorg voor jezelf en de kinderen, heb ik je gezegd, bekommer je niet om mij”.
’Ma Akoeba gaf ieder kind twee bananen en behield er een voor zich.
„Ik ben klaar”.
Toen stond vader op, ging tusschen zijn kinderen staan en vroeg:

ging tusschen zijn kinderen staan en vroeg: …—Zie blz. 276.
„Wel, dan moet ieder, die mij liefheeft, mij een banaan geven”.
Vader Spin deed de ronde en kreeg van ieder kind een banaan.
„Dat is jouw zaak, vrouw. Ik heb je gezegd, voor je zelf te zorgen, jij hebt het eten verdeeld. Dat jij slechts één banaan genomen hebt, kan ik niet helpen”.
Moeder Spin zweeg en vader Spin at, als gewoonlijk, zijn bekomst.
No. 6. Hoe Spin zijn schuldeischers betaalt.
Men vertelt, dat in den ouden tijd een hongersnood was uitgebroken, die menig huishouden te niet deed gaan.
Heer Spin daarentegen keek het ongeluk vlak in het gezicht en begaf zich daarna bij zijn buurman Kakkerlak* die den landbouw uitoefende en nam bij hem een groote hoeveelheid aardvruchten op crediet; daarna ging hij naar zijn vriendin Hen en vroeg haar wat rijst. Van vriend Vos leende hij wat groente, van Tijger wat vleesch en ten slotte van een jager wat geschoten wild.
Eenige weken daarna kwam Kakkerlak bij heer Spin, om het geld in ontvangst te nemen, daar deze zijn schuld nog niet had voldaan.
Heer Spin was in de keuken.
„Goeden dag, vriend Spin!”
„Goeden morgen! Je zult lang leven, vriend; ik had juist besloten, vandaag het geld op te zenden. Ga even naar binnen, want het is hier warm. Ik kom aanstonds bij je, als deze banaan geschild is. Neem je gemak, doe alsof je thuis waart”.
Heer Spin bezat echter geen cent en verzon een list, om van zijn schuldeischers af te komen.
Na verloop van een kwartier riep Kakkerlak verschrikt uit: „Vriend Spin, ik ben verloren!”
„Verloren!”
„Hoezoo?”
„Kijk daarginds in de verte komt mijn vijandin aan!”
„Wie dan toch?”
„Hen!”
„Is dat alles? Ga onder de canapé schuilen en blijf rustig zitten. Zij zal je niets doen; je kunt op mij rekenen!”
Kakkerlak liet het zich geen twee keer zeggen en kroop onder de canapé.
„Goeden dag, kapitein Spin!”
„Goeden dag, waarde vriendin!”

„Goeden dag, waarde vriendin”.—Zie blz. 278.
„Hoe is het met de kleintjes thuis? Ik kom bij U om de zaak.…”
„Zaak? Welke zaak! O! Geld zeker, is het niet?”
„Ja kapitein!”
„Ga binnen, ik kom bij je, zoodra ik dit stukje bakkeljauw* geroosterd heb”.
Naar binnen gaande, schreeuwde Hen plotseling: „Kapitein, kapitein, ik ben weg!”
„Weg? Je moet niet weg, ik ben dadelijk klaar!”
„Neen, ik ga niet weg, maar ik ga dood!”
„Dood? Hoezoo?”
„Daarginds komt Vos aan, hij zal mij opeten!”
„Wel neen, vriendin, ga onder de canapé schuilen, maar beweeg je niet!”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Hen kroop onder de canapé en at Kakkerlak op.
Vos naderde; kapitein Spin groette hem, en Vos verzocht hem om het verschuldigde geld.
„Wel vriend, ik verwachtte je; ik heb het reeds eenige dagen geleden voor je klaargelegd”.
„Kom binnen en neem je gemak; ik ben bezig voor den pot te zorgen”.
„Zoo, dan eet ik met je meê vandaag, want ik verga van den honger”.
„Met genoegen, waarde vriend, van harte welkom!”
Vos ging binnen en nam plaats op de canapé.
„Hm, het ruikt hier naar kip!”
Na eenigen tijd gewacht te hebben, riep Vos zijn gastheer toe, dat Tijger in aantocht was en dat deze hem zonder twijfel tot zijn prooi zou maken.
„Kom, vriend, Tijger is zoo slecht niet”.
„Maar ik wil liever niets met hem te maken hebben”.
„Wil je dan schuilen?”
„Ja, natuurlijk!”
„Tracht dan voorzichtig onder de canapé te komen, en beweeg je niet”.
„Ja, Kapitein!”
Vos kroop voorzichtig onder de canapé, bemerkte Hen en at haar op.
Tijger kwam bij heer Spin en maakte zijn opwachting.
„Goeden morgen, Gouverneur! ik kwam bij U om die kleinigheid!”
„Kleinigheid, wat bedoel je?”
„Wel, hebt U dan vergeten, wat U bij mij op crediet hebt genomen?”
„O ja! En je komt om het geld niet waar? Ja ik heb het reeds sedert een paar dagen in mijn valies. Ga naar binnen en neem je gemak; ik kom aanstonds”.
Tijger trad binnen, zette zich neêr en begon met een awari-bangi* te spelen. Plotseling riep hij verschrikt uit:
„Heer Spin, red mij! Ik ga sterven, daar komt de jager aan”.
„Wel, zie eens of je onder de canapé kunt schuilen. Gaat het niet, zeg het me dan.”
Tijger stak zijn kop onder de canapé, at Vos op en kwam daarna bij heer Spin terug, om hem te zeggen, dat hij onmogelijk daar kon schuilen.
„Weet je wat, vriend Tijger, klim in dezen mànja* en blijf er in, tot de jager weg is”.
Tijger klom in den boom.
Slimme Spin plaatste aan den voet een tobbe met helder water, waarin zijn beeld weêrkaatst werd.
De jager kwam nader en vroeg heer Spin om het verschuldigde geld. „Heer Jager, even wachten, ik ben dadelijk klaar; het is in orde. Wat voor nieuws?”
„Niets! Doe mij een plezier en help mij wat vlug”.
„Zeker vriend. Ga intusschen op dien stoel zitten onder den boom en schep een frisch luchtje”.
De jager ontdeed zich van zijn geweer en verzocht heer Spin hem wat water te geven, om zijn gezicht te wasschen.
„Doe alsof je thuis was; er is water in die tobbe.”
De jager boog zich over de ton, bemerkte het beeld, greep zijn geweer en velde Tijger neêr.
„Hemel! Ik ben verloren …! Mijn arme vrouw! Mijn kinderen! Hoe me te verdedigen!” Heer Spin schreeuwde luidkeels. De heele familie Spin kwam bij elkaar. De jager riep verschrikt:
„Wat! Wat is er gebeurd?”
„Wat er gebeurd is! Durft U dat te vragen? Wel, U hebt den tijger van den Gouverneur van het dorp gedood. Hij was bij mij in den kost gedaan, omdat ik hem moest leeren praten. Hij had het reeds ver in die kunst gebracht en nu.…! Mijnheer, U zult U moeten verantwoorden over hetgeen hier is geschied. Ik ga onmiddellijk een patrouille halen, om U in arrest te nemen.”
„Rampzalige! Mijn vrouw! Mijn kinderen!”
„Dat kan mij niet schelen”.
„Wel heer Spin, help uw vriend”.
„Helpen! Dat woord ken ik niet. Wie zal mij helpen, als ik U help?”
„Geef me dan een raad, kameraad”.
„Ik ben uw kameraad niet!”
„Wel, heer Spin, U hoeft me niet te betalen”.
„O neen! ik wil geen gift van U, heer Jager. Ik moet den tijger levend terug hebben, dienzelfden tijger, die U gedood hebt. U komt hier niet vandaan, alvorens die tijger weêr levend is. Begrepen?”
De jager stelde Spin voor, de schuld kwijt te schelden en bovendien 100 gulden te betalen.
„Nu, dat is goed, dan kan ik tenminste trachten, een anderen tijger te koopen. Gaat dat niet, dan zal ik moeten liegen, waarvan ik een vijand ben, en vertellen, dat de tijger ziek was en gestorven is”.
„Juist, heer Spin”.
„Ja, maar eerst de kwitantie en de honderd gulden”.
Heer Spin verkreeg het gevraagde.
„U kunt gaan!”
De jager maakte zich zoo gauw mogelijk uit de voeten.
De heele familie Spin sprong op den dooden tijger, om hem schoon te maken en een gedeelte te drogen. Zoo hadden zij weêr vleesch voor geruimen tijd.
No. 7. Een feest bij de Waternimf.

Wanneer zij haar maal gereed had, riep zij haar vriend met luide stem …—Zie blz. 281.
Ook wanneer heer Spin gekookt had, riep hij zijn vriendin, maar met zóó zachte stem, dat niemand het hooren kon.
Dit duurde zoo geruimen tijd, tot op zekeren dag de watra-mama een groot feest gaf op den rivierbodem. Alle boschbewoners waren uitgenoodigd en ook reeds aanwezig; heer Spin alleen liet op zich wachten.
Hij was immers te licht en bleef op de wateroppervlakte drijven, waarom zijn vriend hem aanried, een groote jas aan te trekken en in elken zak een zwaren steen te doen. Anansi volgde den raad en voegde zich bij de overige gasten.
„Goeden dag, heer Spin”, klonk het overal.
Een welvoorziene tafel deed Spin watertanden; lag het maar aan hem, hij zou dadelijk beginnen.
„Als het U blieft, dat geeft eetlust nietwaar?”
„Zeker”, antwoordde het konijn.
„Aan tafel, mijne heeren”, zei de watra-mama kort daarop.
„Maar màti Anansi, je maakt me beschaamd, trek toch die oude jas uit.”
„O wee!” dacht heer Spin, „nu is alles mis”.
„Kom, vlug wat, vriend”.
„Zuster, je weet toch, dat ik ziek ben, de dokter heeft me voorgeschreven, mij warm te kleeden, laat ik maar zóó aan tafel gaan”.
„Je komt niet aan tafel met die oude jas”.
Doch heer Spin wilde niet opstaan, om zijn jas uit te trekken.
„Komaan, wat vlugger, alle heeren zijn reeds aan tafel”.
Eindelijk trok heer Spin zijn jas uit, en onmiddellijk rees hij omhoog.
Zoo werd heer Spin voor zijn gulzigheid gestraft.
No. 8. Anansi en Kat.
Heer Spin was bevriend met de ratten, zegt het verhaal. Dagelijks kwam hij hen bezoeken, om zijn koeroe-koeroe* te laten vullen met hetgeen zij gestolen hadden. Dit beviel hem uitermate en hij tapte dan ook geregeld moppen met zijn nieuwe vrienden.
Indien de heeren er niets tegen hebben, zal ik hem eens meebrengen, dan zal er gedanst moeten worden”.
De ratten keurden het goed.
„Wanneer komt hij dan?”
„Dat mag ik niet beslissen”.
„Breng hem dan meê, als je morgen komt; we zullen zorgen, dat er een paar dames zijn; wat zullen we een pret maken, jongens!”
Spin ging weg, om met Ba’ Pina te spreken; en deze wilde terstond meêgaan.
„Neen vriend, wacht tot morgen, dan gaan we samen; en, denk er aan, dat je dadelijk begint te zingen, als we daar zijn”.
„Zingen? Wat bedoel je daarmede?”
„Wel, miauwen, en een gunstig oogenblik afwachten om aan te vallen, we deelen eerlijk den buit natuurlijk!”
„Zonder twijfel, vriend”.
„Ze hebben me wel altijd goed onthaald, maar.… ik heb vleesch noodig”.
„Je neemt toch een korf mede?”
„Ja zeker, en ik zal er jou inzetten, als we aankomen”.
„Wat is dat? Moet ik in jouw korf”.
„Wel, zeker!”
„En waarom?”
„Dwaas, je begrijpt toch wel, dat ze allen wegloopen als zij je aan zien komen. Daarbij, je bent me veel te voorbarig. Luister naar mij, je zult er zelf de goede gevolgen van zien. Vragen ze naar je naam, dan zeg je: Ba’ Pina, niets anders. Dus opgepast”.
„Moet ik niet wat meenemen? Ik heb een moetitte*. Zou deze in je korf kunnen?” vroeg Ba’ Pina.
Den volgenden morgen ging heer Spin op het gewone uur weg, vond Ba’ Pina en liet hem plaats nemen in zijn koeroe-koeroe.
„Goeden morgen, dames en heeren!”
„Goeden morgen, broeder! Je hebt ons goed voor den gek gehouden, waar is jouw muzikant”.
„Hij wilde eerst niet meê komen, daar zijn voeten ziek zijn”.
„Hij maakt immers geen muziek met zijn voeten. Had hem maar meêgenomen”, riepen de ratten.
„Hij is ook gekomen”.
„Waar is hij, ik zie hem niet”, vroeg een jonge rat.
Spin haalde Ba’ Pina voorzichtig uit den korf. Hij begon te miauwen en alle ratten dansten om hem heen. Een oude rat, die zijn staart in een val verloren had, sprak:
„Ik vertrouw dien muzikant even weinig als Spin; hij is heden hier gekomen met een agasi* waarschijnlijk om er ons in te doen. Houdt hem in ’t oog, want hij maakt U allen van kant. Ik heb hem meermalen gezien; sluit hij zijn oogen, dan kunt ge op den dood rekenen”.
De andere ratten luisterden niet en voegden hem toe:
„Je spreekt zoo, omdat je niet meê kunt doen; het is onze schuld toch niet, dat jij aan jicht lijdt. Kan je niet dansen, ga dan weg!”
„Eén uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit! Weest voorzichtig met Ba’ Pina; hij zal jelui gauw genoeg opspelden!”
„Ga weg, oud wijf! alles wat je zegt, zeg je uit nijd; het is niets dan nijd!”
De oude rat ging weg. Ba’ Pina begon weêr te zingen en wachtte ongeduldig op een teeken van anansi, om een aanval te doen. Toen hij luider begon te miauwen, kwamen uit alle hoeken en gaten de ratten te voorschijn, om deel te nemen aan de danspartij.
Ba’ Pina hield het niet langer uit, sprong tusschen de aanwezige ratten en doodde het grootste deel.
„Goed zoo”, zei Spin, „dat heb je netjes gedaan!”
Heer Spin vulde zijn korf; Ba’ Pina at zich zat en vertrok. Waarheen wordt echter niet verteld.
Anansi bezweek haast onder den last en thuis gekomen, droogde hij de ratten, waardoor hij weêr voedsel had voor een heel jaar.
„Heb ik niet gelijk gehad?” vroeg de oude rat.
„Ja”, riepen de overgeblevenen, en voortaan gelooven zij wat hij zegt.
Heer Spin durfde nooit meer bij zijne vrienden terug te keeren.
No. 9. Spin en Krekel.
Heer Spin, gedrukt door de zorgen voor zijn groot gezin, kon niet langer rondkomen met zijn zuur verdiend geld. Hij nam zich voor, op de een of andere wijze nog wat voedsel machtig te worden en besloot derhalve te gaan stelen in het korenveld van zijn Opperhoofd.
Na verloop van weken evenwel bemerkte het Hoofd, dat hij bestolen werd. Vast besloten, niet te zullen rusten voor hij den dief ontdekt had, liet hij op raad van een zijner dienaren een pop maken van kleefstoffen, ter grootte van een mensch en deed hij haar plaatsen op het pad, waar de voetstappen gevonden waren.
Heer Spin, niets wetende, kwam als gewoonlijk met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug.
„Ik groet U, vriend!” zei hij tot de pop.
„.….”
„U antwoordt niet, ga wat op zij en laat me door”.
Heer Spin kreeg nog geen antwoord en gaf toen de pop een slag in ’t gezicht, maar zijn hand bleef kleven.
„Laat me los, of ik geef je nog een slag!”
Hij gaf de pop een tweeden klap en nog verder kleefde hij vast.
Kort daarna kwam Krekel voorbij, wien heer Spin vriendelijk om hulp verzocht. Maar toen heer Spin bevrijd was, zat Krekel vast.
Bij het aanbreken van den dag werd hij van de pop afgenomen en duchtig afgeranseld, terwijl heer Spin zijn hoofd vast hield. Krekel schreeuwde:
Toen Krekel goed gestraft was, verwijderde heer Spin zich en voortaan ging hij nu iederen dag in diens korenveld stelen.
No. 10. Heer Spin als Geestelijke.
Heer Spin zit vol listen en streken.
Gedurende een grooten hongersnood kreeg hij van verschillende vrienden een hoeveelheid aardvruchten, voldoende om hem en zijn gezin op de been te houden.
Meer en meer teisterde de plaag het dorp, waar heer Spin woonde. De dorpelingen wisten allen, dat hij een gestudeerde was, en verzochten hem een gebed aan den barmhartigen God op te zenden.
Heer Spin nam op zich, eenige formulieren naar boven te zenden, op voorwaarde, dat het volk hem iets zou geven voor de moeite.
Toen zei hij de gebeden op. Het volk was gerustgesteld en schonk hem tal van belooningen voor de bewezen diensten.
Toen de voorraad op was, dacht heer Spin na, hoe opnieuw aan voedsel te komen en besloot hij eindelijk, zich voor geestelijke uit te geven; ’Ma Akoe keurde het goed met lachende lippen.
Heer Spin trok een lange jas met verder toebehooren aan, en ging toen naar het dorp van het gevogelte, om er te preeken.
Een blinde eend, met zes kleintjes gezegend, hoorde van den nieuwen geestelijke spreken en zij liet hem tot zich komen, om hem haar leed te klagen.
Heer Spin kwam met een zwarten bril op en groette het gezin. Daar begonnen allen te weêklagen. Zij hadden den heelen dag niet gegeten, want er was niets.