Note 29 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.
Reading edition
Maar wat nog vreemder was, de laatst gemaakte boot, die niet gestolen was, was den volgenden dag veel grooter geworden. Haboeri bracht de heuchelijke tijding dadelijk aan zijn moeder en tante, en verzocht haar, alle provisie, die ze van het land konden halen, voor de lange reis in de boot te brengen. Hij begaf zich zelf naar het veld, om er de cassave-stekken te brengen, die de oude Wau-oeta in de gereedgemaakte gaten moest steken, en zoo gingen zij nog een tijd met hard werken voort. Toen alles voor de reis gereed was, begaf Haboeri zich naar de hut, nam pijl en boog, en steenen bijl* en keerde met zijn wapens en gereedschap naar de waterkant terug. Maar te voren drukte hij de posten of hutpalen op het hart—want in vroeger dagen konden deze spreken29, zoodat bij afwezigheid van den eigenaar, een vreemde bezoeker kon te weten komen, waar hij was—vooral niets te vertellen. Maar er was een papegaai in de hut, en Haboeri vergat ook hem in te lichten en het zwijgen op te leggen.