Note 28 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.
Reading edition
Inmiddels was Tijger wakker geworden, en toen hij zag, dat in plaats van Haboeri, een bundel vezels en bast in zijn armen lag, en bemerkte, dat de beide vrouwen gevlogen waren, werd hij zóó woedend, dat hij uit de hangmat sprong, en na weder de tijgergedaante te hebben aangenomen, de achtervolging begon. Maar de vluchtelingen hadden de hut van de piai-vrouw reeds bereikt. „Wau-oeta, doe de deur open28, riepen zij. „Wie is daar”, antwoordde Wau-oeta. „Wij zijn het, de twee zusters”, riepen de achtervolgden. Maar Wau-oeta deed niet open. Toen kneep de moeder in Haboeri’s oor, zoodat het kind hard begon te schreeuwen. „Wat is dat voor een kind, een jongen of een meisje”, vroeg toen Wau-oeta. „Het is mijn Haboeri, mijn jongen”, antwoordde zijn moeder, en onmiddellijk deed Wau-oeta nu open, verheugd uitroepende: „Kom binnen, kom binnen.”