Note 25 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.
Reading edition
Onder het vermaarde rotsgewelf van Aturuipe, aan den rechteroever van de Boven-Orinoco, ontdekte de onderzoekingsreiziger in het begin der vorige eeuw het graf van den verdelgden volksstam. Ongeveer 600 goed bewaarde geraamten werden in even zoovele korven, zg. mapires, gevlochten uit de stelen van palmbladen van verschillende grootten, al naar den leeftijd der dooden, bewaard gevonden. Volgens de bedoelde overlevering moeten de Aturiërs, door de Caraïben in het nauw gebracht, zich op de klippen der hier door den stroom gevormde watervallen gered hebben en in dit treurig toevluchtsoord ten onder zijn gegaan. Volgens Von Humboldt moet de laatste familie der Aturiërs eerst laat zijn uitgestorven, want te Maypures leefde in Humboldts tijd nog een oude papegaai, van welke de inboorlingen beweerden, dat zij hem daardoor niet verstaan konden, omdat hij de taal der Aturiërs sprak. Von Humboldts vriend, de bekende geschiedvorscher Prof. Ernst Curtius, heeft op dezen papegaai een treffend gedicht vervaardigd, dat ik hier in de Nederlandsche vertaling van Dr. E. M. Beima, die van bedoeld werk een Nederlandsche uitgave bezorgde,25 in zijn geheel overneem. De trochaeus, de versvoet met de lange en korte syllabe, die voor gedichten van plechtigen inhoud wordt gebezigd, heeft de vertaler van den dichter overgenomen.