Note 119 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 3)
Reading edition
Zij kruisten het pad nu in de richting der zonopkomst en kwamen bij een volk en aan een stad, Coosaw geheeten. Hier bleven zij vier jaar. De Coosaws klaagden, dat een wild beest op hen aasde, dat zij menscheneter noemden of leeuw119 en dat het in een rotsspelonk verblijf hield. De Cussitaws zeiden, dat zij het beest zouden zien te dooden. Zij groeven een kuil en legden er een net van hickory-bast naast. Daarna bedekten zij den kuil met kruislings er over heen gelegde takken, zoodat de leeuw hen niet zou kunnen volgen; en, naar de plaats gaande, waar hij zijn leger had, wierpen zij een tooverrammelaar in het hol. De leeuw kwam toen in grooten angst te voorschijn en vervolgde hen door het struikgewas heen. Zij vonden het toen beter, dat er een zou sterven en namen daarom een moederloos kind en wierpen het voor het beest, toen het nabij den kuil kwam. De leeuw besprong het slachtoffer en viel in den kuil, waarover zij nu het net heenwierpen, en waarna zij het beest met vlammend hout konden dooden. Zijn beenderen bewaren zij tot heden toe; aan één zijde zijn zij rood, aan de andere blauw.