Note 76 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 3)
Reading edition
Toen nu het paar alleen was, verzocht de jonge man zijn bruid de korjaal uit te gaan, en al de kleine kassoeroe-xoewa (door andere schrijvers kassaroa*) naar de boot te drijven. Terwijl hij nu gehurkt in de boot bleef zitten, met de bundels wariembo-riet in zijn hand, en probeerde een korf76 te vlechten, zwommen de door zijn bruid opgedreven vischjes hem voorbij. Zooals wel te voorzien was, maakte hij geen vorderingen, en hij liet zijn bruid ten tweeden male de school vischjes insluiten, waardoor zij teruggedreven werden en hij er dus een ander gezicht op had. De vrouw ging er maar steeds meê voort, de visch nu eens vooruit, dan weêr achteruit te drijven—maar het hielp hem niets, want hij maakte geen vorderingen. De jonge vrouw begon nu angstig te worden, en terwijl zij uit de korjaal een mand nam, baggerde zij door het water naar de kust. Haar aanstaande man riep haar echter terug; maar zij sloeg geen acht op zijn herhaald roepen. Men moet weten, dat de korf, die zij had meêgenomen, heel toevallig (?) aan een der jonge mannen van het gezelschap behoorde, waarmede zij vroeger een liefde had gehad. Toen de vrouw nu den man in kwestie aan het strand met de krabbenvangst bezig vond, voegde zij zich bij hem en vroeg zij hem te mogen helpen. Wanneer hij de krabben uit de gaten haalde, dan zou er wel eens een, dacht zij, naast haar vallen, en zou zij zoo haar korf geleidelijk kunnen vullen.