Note 51 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
Eens op een nacht kwamen de beide vleermuizen weêr aan een hut, waar visch geroosterd werd, en daar zij nu den uil niet bij zich hadden en dus niet zoo duidelijk bokoe! bokoe! bokoe! konden roepen als te voren, werd het volk ook niet zoo bang en liep het niet zoo ver weg, zoodat het in staat was te zien, dat de vleermuizen het waren, die hun die poets bakten. Maar de vleermuizen, die zich niet lieten afschrikken en dachten, dat zij ongestraft hun slag zouden kunnen slaan, kwamen den volgenden avond terug, toen een deel van de menschen reeds in hun hangmatten lag, anderen nog rustig bijeenzaten. De snoodaards dachten zeker, dat er niets met hen gebeuren kon en lachten van vreugde Chi! Chi! Chi! Maar de hutmeester nam zijn boog en schoot een pijl, voorzien van een prop was51, een der vleermuizen tegen het lijf, waardoor deze bedwelmd neêr viel. Zijn broêr, die onmiddellijk naar het bosch gevlucht was, ontmoette daar Bokoe-bokoe, die juist van zijn reis teruggekeerd was en aan wien hij den vroegen dood van zijn broêr vertelde. Maar het verlies schrikte hen niet af, zoodat zij er den volgenden nacht met hun tweeën op uittrokken. Het geluid hunner stemmen bracht, nu Uil er bij was, weêr zulk een opschudding onder het Indianenvolk teweeg, dat allen weêr de vlucht naar het bosch namen en Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr de visch kon wegnemen. Toen zij nu op den barbakot ook de doode vleermuis ontdekten, namen zij het lichaam van hun verwante meê naar huis, waar zij flink op de plek begonnen te kloppen, waar hij met den pijl geraakt was; dit bracht het dier weêr bij, daar het vuur deze plek niet had aangedaan, en als te voren begon de tot het leven weêr terug geroepen vleermuis te lachen, Chi! chi! chi!