Note 60 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
Maconaura* was een buitengewoon knappe piaiman; wij Indianen plegen een, die bijzonder uitmunt, een semi-chichi* te noemen. Wanneer hij zijn val of knip* in het bosch uitzette, was hij altijd zeker een of ander wild te vangen, hetzij vogels of dieren.60 Maar eens op een keer, toen hij weêr naar zijn knip ging zien, zag hij tot zijn groote ergernis, dat de een of ander hem bestolen had, en het voor hem bestemde vleesch had weggenomen. Hij peinsde zich suf, wie dat toch gedaan kon hebben, want er waren geen voetstappen te zien, noch afgetrokken takken, die de vlucht van een of anderen vreemden gast verraden kon. Om nu den misdadiger te ontdekken, klom hij den volgenden morgen in een boom boven zijn knip en hield van uit zijn verheven zitplaats de wacht. Hij zag nu, dat er wild in zijn knip was en dat nu en dan een stinkvogel binnensloop en probeerde met zijn mes61 stukken vleesch af te snijden, om het des te gemakkelijker eruit te kunnen krijgen. Maar het mes van dezen gier was te bot, zoodat de vogel wegvloog om den koningsgier* te halen, die een scherper mes had, en die al het vleesch schoon van het wild kon afhalen. Dadelijk kwamen nu een menigte stinkvogels aanvliegen om te helpen en in korten tijd was er geen stukje vleesch meer in den knip overgebleven.