Note 34 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
Een man ging er eens op uit, om landkrabben* te vangen, en wachtte tot er regen kwam, omdat deze dieren dan hunne holen verlaten, om zich in de swampen te begeven. Toen de regen loskwam, nam hij, om te verhinderen, dat zijn haar nat zou worden, een kalebas en drukte deze zóó vast op zijn hoofd, dat er maar weinig haar onder uit kwam. Juist verscheen er een konokokoeja* en toen deze den man met zóó’n kaal hoofd zag, kon hij niet laten, hem toe te roepen: „Wat een mooi, glad hoofd heb je! Wat heb je gedaan, om er zoo uit te zien?” De man vertelde hem, dat hij zoo juist een snee om zijn hoofd had gemaakt, en het vel met haar en al er af had getrokken.34 Hij vroeg den Geest nu, of hij het bij hem ook even wilde doen.