Note 38 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
Toen hij den volgenden dag reeds vroeg het bosch weêr inging, was hij buitengewoon gelukkig, want hij keerde des avonds beladen met wild in de banab terug. Zijn verbazing kunt ge denken, toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot vond. Niet begrijpende waar zij vandaan was gekomen, vroeg hij haar, wat ze daar deed. „Wel, ik had met je eenzaamheid te doen en kom je gezelschap houden; ik zal het vleesch voor je toebereiden”. Toen hij verder vroeg, verzekerde zij, dat er geen baboen op den barbakot was, toen ze hier aankwam. Maar de man begon haar afkomst een weinig te begrijpen, toen hij zag, dat haar vingers van nature omgebogen waren38 en dat zij met haar eene hand moeite deed, de vingers van de andere hand te strekken. Hij vroeg haar toen, of zij niet zelf de baboen was, die zoo geheimzinnig verdwenen was. Maar zij bleef ontkennen. De vrouw zag er echter zóó goed uit, dat de man niet verder aandrong en besloot haar tot zijn vrouw te nemen.